Gegevens:

Categorie:
Autobiografisch
Geplaatst:
15 maart 2016, om 19:59 uur
Bekeken:
342 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
216 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"De Utrechtse school hield op te bestaan in 1957"


OVER DE UTRECHTSE SCHOOL. EEN GEESTESTROMING GOED VOOR SOFTE WERELD VERBETERAARS (DEEL 1)

 

De valide kritiek op prof. Buytendijk dat hij zijn godsdienstige overtuiging liet inspringen waar zijn wetenschappelijke kennis tekort schoot en de grenzen tussen theologie en natuurwetenschap ontoelaatbaar vervaagd werden is veel zeggend en verkleint hem tot de proporties van een schertsfiguur uit een stripboekje.

In de jaren ’60 van de vorige eeuw was ik als jonge man geïmponeerd doorhet fenomenologische gedachtegoed.

Deze weblogbijdrage is een posthume wraakneming op mijn eigen goedgelovigheid en wishfull thinking van die jaren waarin geloof in de progressie van mens en maatschappij voor mij overduidelijk leek .

Merkwaardig genoeg was de flauwe kul van RK filosoof Teilhard de Chardin een serieus onderwerp dat aan de protestants christelijke kweekschool werd gewaardeerd door de sectie pedagogiek, maatschappijleer en psychologie

Als leerling van de Da Costakweekschool van 1960-1966 werden de leerlingen, die door de leraren op weinige verheffende wijze betiteld werden als « onbezoldigde kwekelingen zonder akte » geïndoctrineerd met het vage idealisme van de fenomenologen Rümke, Buytendijk, Langeveld en van den Berg.

Van hierboven genoemden sprak de cultureel breed ontwikkelde pragmatische Rümke mij het meest aan vanwege zijn opvattingen van het combineren van literatuur en psychiatrie waarbij hij de psychiatrie plaatste tussen de filosofie en de literatuur enerzijds en de medische wetenschap anderzijds.
Zijn fenomenologie stond dichter bij het literaire denken dan bij het geneeskundige. Rümkes “toegepaste wetenschap” bleek inhoudsloos; het bestond uit een warwinkel van woorden zonder een heldere definitie.
Deze fenomenologen lazen Goethe, Rilke en Hölderlin en schreven op een Duitse manier over de « menselijke geest » .

Ik prijs mijzelf gelukkig dat ik ze nooit tijdens mijn kweekschooljaren gelezen heb. Mijn belangstelling ging toen uitsluitend uit naar de Angelsaksische cultuur en van Franse of Duitse filosofen en literatoren moest ik niets hebben.

Wie van de Duitse breedvoerige kunsthistorische artikelen vol eindeloze filosofietjes in de Duitse kunstbladen heeft kennis genomen weet waar ik op doel.

De saaie verhandelingen van prof. Langeveld over ontwikkelingspsychologie en pedagogie vond ik slaap verwekkend. Van Buytendijk’s besteller « De Vrouw » nam ik kennis, hetgeen ontmoedigd werd door de geschiedenis leraar die het werk « veel te moeilijk voor een leerling uit de tweede klas kweekschool » vond.

Klasgenoten lazen Metabletica van van den Berg en Traumdeutung van Freud. Wijselijk hielden zij dara hun mond over, want zij zouden van de zijde van het lerarencorps op minachting kunnen rekenen.

Het lerarenbestand en de directeur, deels doctorandussen, hadden als academici toch al geen hoge pet op van de kweekschool leerlingen. Ik herinner mij een toespraak van de directeur die op arrogante wijze de historie van het kweekschool onderwijs toe lichtte en profeteerde : vroeger kon er uit jullie midden nog wel eens een profeer voort komen. Nu, met de kwaliteit van de huidge kwekelingen is dat onmogelijk. Hooguit zal een op de tienduizend leerlingen nog eens met veel moeite een doctoraal halen.

De praktijk bleek geheel anders : uit een paralleklas werd een kwekeling hoogleraar pedagogiek aan de VU, de helft van de manlijke leerlingen haalden MO aktes of een doctoraal.

De toespraak van de directeur was voor mij een aanleiding om voor alle vakken niet hoger dan een zes te gaan halen. Een verstandige beslissing daar ik veel buitenschoolse activteiten onder nam. Hetgeen niet in dank werd afgenomen door de leraren. Mijn sceptische , zakelijke houding tov het lerarenbestand koste mij twee punten per vak.

De Utrechtse school hield op te bestaan in 1957 met het vertrek van Buytendijk. De hoogleraren van Utrechste school hadden een hoge status landelijk, mede dankzij hun relatie tot de politiek. Langeveld en Kohnstamm waren adviseurs van de katholieke minister van onderwijs de Groningse theoloog van der Leeuw, die in de oorlog onderdook bij Rümke.

De Utrechtse school rond Buytendijk was een meerjarenplan om een concentratie van RK hoogleraren in te zetten als middel met tot doel de geestelijke volksgezondheid te bevorderen met als achterliggende gedachte gezagsgetrouwheid als hoogste goed, in een hierarchie die in het Roomse behoudende denken kenmerkt.
De Utrechtse school beschouwde zich als de geestelijke voorhoede van de staat der Nederlanden met het oog op het ontwikkelen van een geestelijke aristocratie en een standenstaat naar middeleeuws voorbeeld .
Strenge tucht achtte men wenselijk. Hiermee werd de vertrutting van de vijftiger jaren en herstel van vooroorlogse verhoudingen in stand gehouden.

In plaats van wetenschappelijk onderzoek deden de fenomenologen aan aanschouw en. Zij meenden dat de werkelijkheid niet langs redelijke weg is te kennen. Een romantische opvatting die in het Engeland eind negentiende eeuw leidde tot de neo gnostiek van een esoterische beweging die bekend werd als The Golden Dawn en grote aantrekkingskracht op toenmalige kunstenaars en academici had.

Pas tientallen jaren later begon ik neer te kijken op vakken als filosofie , psychologie en sociologie, in het bijzonder de prognostische waarde die de beoefenaren van deze studierichtingen zich aan meten, alsmede de acadmische arrogantie.

Heeft U wel eens een psycholoog of psychiater ontmoet ? En ? Beviel het ? Mij dus niet, want ik heb er wat malloten tussen gezien waar ik als normaal mens niet goed van wordt.

Rond 1950 was fenomenologie toonaangevend in de kring van Utrechste intellectuelen. Hierbij haal ik een even inhoudsloze als zwaarwichtig klinkende zin aan als Husserl ter sprake kwam : « Eine Durchstreichung oder eine Einklammerung des zufälligen Daseins-Koeffizeinten der Weltdinge knüpft, um ihre essenstia zu gewinnen ».

Een mystificerend, onzindelijk, mistig taalgebruik onder een bepaald tiepe beeldende kunstenaars gangbaar en tot overmaat van ramp door vele webloglezers wordt gewaardeerd als boodschappen van uit het Hogere.

Voor mij een bewijs hoe velen nog zijn besmet met het neo-platonistische denken.

Rond 1960 was ik er van overtuigd dat filosofie, pyschologie, in het bijzonder de psycho-analyse en de filosofie op bestaansvragen en de (on) zichtbare werkelijkheid een antwoord zouden kunnen geven.

Veel later ontdekte ik dat het om metafysisch bijgeloof ging.

(wordt vervolgd)

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.