Gegevens:

Categorie:
Autobiografisch
Geplaatst:
22 september 2015, om 08:39 uur
Bekeken:
362 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
176 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Met opgestoken armen en open gulp!"


Met opgestoken armen en open gulp in 1965 het kunstzinnige plantsoen in gewandeld…nee, dáár zou het te vinden zijn!
september 21, 2015

Met opgestoken armen en open gulp het kunstzinnige plantsoen in gewandeld…nee,dáár zou het te vinden zijn! Tolerantie, originaliteit, non-conformisme, brede boulevards van mededogen…mijn God, dàt viel me even tegen! Wat een benauwend domme mensen, vol rancune en teringjaloezie, net als al die links draaiende melkzure dames in de menopauze en hun even knieën de peno pauze lijders, die zo nodig de maatschappij menen te moetn veranderen…en dat is andere koffie dan thee!

Ik heb de goede strijd gestreden, zoals de grote Schriftsteller Paulus ergens opmerkte in zijn schotschrift, daar heeft U gelijk in, dat wel en verder doe ik het zwijgen er liever aan toe, want wie zwijgt stemt toe en de snaren van zijn electrische guitaar. Daar heeft U voor een deel groot gelijk in. Voor het zingen de kerk uit met je collectezak. Mag het mnischien?
Maar nu ik er over nadenk, helemaal niet en dat wil ik U hierbij eens en voor altijd uitleggen. Ik heb geen liefdesverhouding met wat dan ook en ook geen haatverhouding met wie dan ook, want voor wie ik lief heb wil ik heten, hè en dan zal je toch eerst hout moeten hakken en de kachel aan moeten maken voor je het heet hebt.
Dat zegt toch wel genoeg.
Als het te lang duurt dan hoef ik al niet meer. Aan flauwiteiten geen gebrek. En verder wil ik er ook geen enkele verhouding mee hebben. Indertijd, in 1966, toen ik debuteerde in het ingeslapen Haarlem met drie andere, helaas volledig talentloze vrijetijdsschilders in kunstcentrum De Ark, waar onbetrouwbaar ogende, schijnbaar zeer vermoeide, luizge en mottige lieden met grauwe gelaatskleur en onbetrouwbaar knipperende, uitdrukkingsloze rode ogen de ganse dag werkeloos in versleten fauteuils uit hun neus hingen te vreten, provinciale dames en heren die uitmuntten in hoeren en snoeren, slempen en schrokken op andermans kosten, doch vooral kampioen in het tot zich nemen van clandestiene geestverruimende middelen, die de eens en voor altijd gesloten poorten naar het paradijs zouden openen, omdat ze de apekool van Huxley vraten, maar U raadt het al.
Binnen enkele maanden waren zij hun huis uit gezet en was het vrouwtje er van door met de pafferige boekhouder van twee huizen verder op met zijn bleke brillenkop.
Dan denk ik aan niet echt postzegelfris uitziende, sterk uit hun doos en snee ruikende, broodmagere, doorrookte tiepes in kunstig gesneden jasjes gemaakt van mottige Perziese opoekleedjes, hippe vogels en toffe chicks die met verende schreden op de roze wolken van de
marihua na en hasj bij elke guitarbrak en -lick hun opzienbarende gang zwaaiend door de Grote Houtstraat te Haarlem vervolgden, de syphilittic walk, maar wel nadat zij bij het loket van sociale zaken hun weekgeldje hadden opgehaald, dat onmiddellijk werd omgezet in weer een kilootje
van het een of ander verboden spul.
En daar hebben we dan weer de bekende langharige kwartaalzuiper Karel
Slingervoet, alom bekend van zijn onzekere tred en langdurige trips naar India en Afrika, maar helaas niet bekend om de kwaliteit van zijn contraprestatie kunstwerken of zelfwerkzaamheid.
Zoals al die Haarlemse kunstartiesten vrijwel zonder uitzondering op de
schobberdebonk leefden en nu nog. Zij wisten hoe zij in matschappelijk opzicht op de schopstoel zaten.
En toen ik die winterdag begin februari 1966 had gedebuteerd in Kunst centrum De Ark ben ik natuurlijk gelijk dolenthousiast met opgestoken armen en open gulp het kunstzinnige plantsoen in gewandeld. Vol ver wachting klopte mijn hart. Want daar zou het te vinden zijn. Wat? De tolerantie, het wederzijds respect, de hulpvaardigheid en weettikveel wat nog meer wel niet. Nou, dat was het dan. Vlinders in mijn buik, vlammen door mijn ballen.
Dàt viel tegen!
Om te beginnen; door wat een rare en enge tiepes werd dat kunstenaars plantsoen bevolkt. En van die verstikkende, verbrande dennenbomengeur van de Afghaanse of vettige Rooie Libanon moest ik ook niet veel hebben, daar kreeg ik het al van op mijn longen, nog voor mijn half geopende harts tochtelijk bevende lippen het mondfilter van een Dame Blanche of stick hadden nat gemaakt, dus dat werd ook al niets in het sirkwie van drugs addicts.
De lang harige, mooie Aletta te R. heeft mij in 1966 toen in de wereld
van de soft drugs geïntroduceerd, maar het was gewoon mijn wereld niet. Ik werd er behoorlijk agressief van.
“Van de frisse!” zei ik dan onder invloed van geest verruimende middelen als mijn sadomasochistische Sehnsucht naar de oppervlakte opborrelde en sloeg haar tuchtig op haar billen dan schoot de stick vanzelf uit haar aangename mondje en boeide ik haar aan enkels en polsen aan de spijlen van het bed skelet om darana de zweep te pakken. Daar snakken de hippe vrouwtjes naar.
Ik ben toen maar van de weeromstuit jarenlang karate gaan doen tot 1997, om flink uit te delen, daar ga je gezond van denken.
Mijn relatie tot de vaderlandse kunst, in het bij zonder ‘t realisme, is miniem.
Ik onderhield korte tijd alleen contact met de Peetmoeder van het realis me, de prettig uitziende, blonde, onzekere Janna, die lang niet dom
is, net als ik dus en een heel persoonlijke, sympatieke schrijfstijl heeft ontwikkeld door haar omgang met Appleloosa Whitehorses en Whitewash meubilair.
Daarom waarderen wij elkaar ook zo alhoewel ik van paarden niets moet hebben.
En dat zal ik allemaal niet zo gauw zeggen in kunstenaarsland, want van complimenten kan de kachel niet roken. Toch zal ik de ander nooit om niet met emoties bespatten en besmeuren.
Er moet een reden voor zijn. En verder onderhoud ik met personen uit het realistiese veld in de kunst geen relatie, zeker geen intieme met al die ziektes tegenwoordig.
Ik ben trouwens- en dat vind ik toch wel heel belangrijk- geen modern beeldend kunstenaar of literator- maar een kunstschilder en een auteur van de vlakte.
Het ambacht dus. En dat behoort tot een geheel ander tiepe dan de subsidievretende artiest. Ziektegevallen, noem ik ze altoos. Want je kunt toch zonder gerede twijfel stellen dat de Moderne Beeldende Kunst tot stand komt om louter therapeutiese redenen. Kijk
maar naar de resultaten die in het museum of de galeries hangen, dan denk je toch al gauw; ziek zijn beter worden, om met dokter van Swol te spreken en sodestraal op naar je eiland.
De twintigste eeuw is in de kunsthistorie een betreurenswaardig ter minaal
ziektegeval.
Maar een oplossing : Ausradieren en een tonnetje Zyklon B naar binnen kwakken in het kunstenaarslokaal.
Ik ben die Friese gepensioneerde tekenleraar J. niet.
Je merkt het namelijk gelijk bij je eige.
Als een doorsneemens in therapie gaat, dan wordt zijn ganse horizon in beslag genomen door zijn of haar therapeut.
Een zwaktebod.
Ga maar eens te rade bij de aangenaam ogende psychologe mevr. drs. Oenema-Blondini te Oenkerk. Een echte vakvrouw. Een academica van de bovenste plank. Geen wilsbeslissing van de patiënt is meer mogelijk zonder eerst een consult te hebben afgelegd bij dat leuke, aanminnige blondje waar ik ondanks alles toch geen ochtendbeschuitje mee wil knappen ook niet als ze aan bizarre exclusieve seksjuwelen SM habits tegmoet wil komen, want in recht op en neer zie ik toe vallig niets meer, maar in vrije sex ook niet, voor zover ik nog iets zie tussen de klamme lappen.
Treurnis alom meestal.
Ik zie ‘t aan mijngeestelijk gehandicapte familieleden. Ik heb er diepe compassie mee.
Ik kan ook nooit zeggen tegen iemand die in therapie loopt; “Gut, meid, wat ben jij d’r toch van op geknapt!? Eerder het tegendeel. Nu zijn therapeuten minstens zo geschift als hun patiënten. Ze weten waar ze het over hebben. Waar je mee om gaat word je door besmet. Het is een symbio se. Dat is net zo iets. En wanneer je met een beeldend kunstenaar praat wordt zijn ganse horizon in beslag genomen door het eigen, onbenullige egootje en de beeldende kunst beoefening.
Hij leeft voor de kunstbeoefening en vrij blijvend gefilosofeer in het wilde weg, terwijl ik gewoon tussen twee lachbuien door een schilderij maak of een stuk schrijf.
Ik schilder en schrijf omdat ik leef, dat is ook héél iets anders. Ik sta zo anders in het volle leven. Het is voor mij geen doel, maar een middel om mijn overmaat aan vrije tijd zin vol te vullen.
Linkse cultuurliefhebbers zoals dat warhoofd drs. Hans Hemeltjerijk te A. nemen mij dat hoogst kwalijk, maar wat presteert deze meneer zelf eigen lijk op cultureel gebied met zijn vrij blijvend baantje bij de E.O. waar hij ruzie kreeg met het bestuur en er uit getrapt is?
Ik heb toen ik een jaar of tweeëntwintig was, eind 1964, van uit mijn ooghoeken eens goed krities gekeken naar mijn toenmalige streng griffer meerde vriendin, die geil als boter was en daarna naar de wereld, die in de sixties steeds vrolijker werd en toen weer terug naar mijn vriendin schrok ik mij een ongeluk van haar punttiet fifties beha terwijl ika an de andere kant veel meer in de doorkijk softlook behas zag omdat daar zo frivool de tepels doorheen schemerden en riep in een Aha Erlebniss Gotsal metruttenbollen en dacht toen voor de geestelijke component: Gotsalmeliefhebbe!
Om daar de eeuwigheid mee door te moeten brengen met dat zwaar brillende mens met die hemelse Mariakoekies blik in d’r ogen, nou nee, mag deze beker aan mij voorbij gaan??
En dat smeekgebed is verhoord, gotzijdank, want ik moet er niet aan denken mijn leven lang te slijten voor de klas ener randdebielenschool met den Bijbel te Schubbenkutten-Nijeveen in Drenthe. Daar zeg ik met krach tige stem op: Drenthe! Kut met krenten!
Ik heb toen gezegd in 1964; dat schilderen lijkt mij nog eens een fatsoenlijke broodwinning en je stond toen ook hoog in aanzien bij leden van de vrouwelijke kunne als je jezelf een artistieke uitstraling aan mat.
En dan bedoel ik natuurlijk niet zo’n lange bef baard zoals die Sinterklaas uit Westeremden Hank Duvelsjas. Dat was me een zware tijd in het begin, want ik had geen cent te makken en geen nagel met rouwrand om mijn gat te krabben. Ondanks mijn zeer vermogende familie!
Het plestik boterhammenzakje was dan wel net uit gevonden, maar die droeg ik niet over mijn sokken omdat mijn soldatenschoenen lekten. Ik kon de reparatie van mijn halve zolen niet eens betalen en ook geen boterhammenzakjes bij de Vana. Ik liep gewoon monomaan mompelend door, want waar een wil is daar is ook een weg.Waarnaar toe? Naar nergenshuizen, niks en niemandal. Hele einden door het Vondelpark.
Het regende toen nog constant. Dat is toen mei 1968 veranderd na de eerste grote aankoop door het Rijk der Nederlanden, toen pas werd het alle dagen feest en thee met chocolade kransjes, froefroetjes en sjokopindas als ontbijt. Ik was toen vijf en twintig. Ik kocht gelijk een paar fijne Ibizalaarzen, een strakke, roze broek, die mijn geslachtsdeel extra prononceerde want je moets je handel toch slijten, een overhemd met Paisley motieven en een viersporen bandrecorder waar ik constant “Blonde on Blonde” en “Subterranean Homesick Blues” van Bob Dylan op draaide. Wij weten dat met de grote B.D. de intellectualisering van de pop is begonnen. Dat is nu meer dan vijf en veertig jaar geleden.
Ik spring nog steeds uit de band omdat ik nog steeds The Freewheelin’ Fred van der Wal ben. Bergafwaarts. Forever Young and beautifull. En lek ker ruiken dat ik doe na een Spritz uit mijn dure fles parfum van het merk Opium op mijn zeven heilige plaatsen. Dat wil je gewoon niet weten !

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.