Gegevens:

Categorie:
Autobiografisch
Geplaatst:
4 juli 2014, om 21:17 uur
Bekeken:
427 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
219 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Kopje onder gaan in het riool van de afvalkikkers"


 

“Artikelen over het midwinter blazen in Drenthe, schreef ik. Nou, ja, nu vind ik het kut met krenten, maar je moet nu eenmaal ergens beginnen. Op mijn zestiende heb ik toen een halve roman geschreven, ik zat toen in de derde klas van de mulo in Heemstede, de Gerrit Barger school, bij Marijke Last in de klas, maar die was helemaal niet lastig, ik was toen al op haar en nu nog, maar ik kon haar niet krijgen, ze zeiden allemaal dat ik een homo was, omdat ik met een hoge stem praatte en een echte zenuwelijer was, ik had toen ook last van vetzucht, dikke jongenstietren, geen gezicht, mijn borstballen waren groter dan die van welk meisje ook in de klas, dus al die meiden stonken van jaloezie op mijn Boobies, ik ging dus schrijven in de stijl van Gerard van het Reve of nee, eigenlijk was het meer een novelle “De Ochtenden” als tegen hanger van “De Avonden”.

Eerst had ik het nog “De Middagen” willen noemen, omdat je de dag niet mag prijzen voor de avond valt en je nog alle kanten op kunt tegen het borreluurtje met je bitterballen en je gouden fluit.

Ik had mij er zo in geleefd dat ik er niet meer uit kwam.

Ze hebben me toen een jaar opgeborgen in de psychiatriese inrichting Vogelenzang waar je de vogeltjes in de tuin van de kliniek maar ook in je hersenpan hoort zingen en voortdurend rond jes lijken te fladderen.

De vicieuze cirkel die je moet doorbeken om los te komen van je ego, hè! Een dagboek heb ik nooit bijgehouden, want de paginas zouden van schaamte vergaan.

Ik heb van alles uitgevreten met mannen en met vrouwen. Nee, het titel verhaal “Maison Alimentation” mag dan wel een parafrase zijn op “Gesloten Huis” van Sartre maar de strekking is toch geheel anders. De deur staat namelijk wijd open. Naar wie? Naar de ander!

Alleen kunnen de hoofdpersonen de drempel niet over. Eigenlijk is dat een soort dagboekverhaal. Mijn verhalen zijn mijn dagboeken, dat is een existentiële noodzaak, begrijp je wel? Het schrijven van juist die verhalen vind ik belangrijk omdat ik daarmee mijn leven vast leg en greep krijg op de werkelijkheid. Mijn werkelijkheid, jouw werkelijkheid. Je ontdekt de rode lijn in je be staan en je weet dat je nooit over die rode lijn mag gaan. Aan alles wat ik op schrijf zitten her inneringen aan vast, zoveel dat het opschrijven gewoon moet gebeuren. Het is een innerlijke drang. Daarom vind ik het ook zo onuitstaanbaar dat ik al negen maanden heb zitten ver knoeien. Daar heb ik het verschrikkelijk moeilijk mee; ik heb geen vastgelegde getuigenis van die negen maanden, die ben ik dus kwijt. Ze zijn uit mijn geheugen verdwenen, van de harde schijf gewist, gedeleted. Ja, zo voel ik mij ook. Gedeleted door de maatschappij. Afgeschre ven. Gedumpt. Uitgewist. Aangetast door een virus. Alleen heb ik geen toetsen combinatie om mijn biologiese computer opnieuw op te starten. Dat is mijn makkes; ik kan mijn bestaan niet resetten. Mijn besturingssysteem ligt vast, muurvast. De harde schijf is al lang vol. Overvol.

Ik heb er geen document van, het is niet vast gelegd die periode van negen maanden, dus ei genlijk heb ik al die maanden niet bestaan als schrijver. Ik heb alleen maar gevegeteerd als een zombie. Een levende dode. Trechter in je strot, voedsel en sloten drank er van boven in, slikken of stikken, bakken stront en hectoliters pis van onderen er uit. Het is te weinig, altijd te weinig. De perpetuum mobile van het menselijk bestaan. Dat is één van de redenen voor die afschuw van mijzelf en mijn haat tegen de wereld- het gaat om de bestaansreden van mijn auteurschap. Het is een gevecht op leven en dood. De kunstenaar worstelt.

Soms ontzwem ik en kom boven. Meestal ga ik kopje onder in het riool vol afvalkikkers en ben in voortdurend gevecht met mij zelf net als Jacob en de Engel des Heren. Ook ik ben in zekere zin kreupel ge slagen door de maatschappij en moet daarom schrijven, om mijn handicap te compenseren. Iets anders kan ik niet, iets anders wil ik niet. Simon Vinkenoog was de dichter van de liefde; ik ben de dichter van de haat. Ik zit op de bodem van een rioolput en kijk omhoog. Het daglicht zie ik door een rond gat met tralies er voor. Zo is mijn leven ook.”

 

“Toen ik mijn laatste boek “Late zomer in Brighton” af  had was ik helemaal kapot. Ik zat he lemaal stuk. Als ik namelijk schrijf doe ik dat vierentwintig uur aan één stuk door en ram de paginas uit mijn schrijfmachine met op de achtergrond de klaterende pianomuziek van Bud Powell of  de melancholies pianoklanken vanThelonious Monk. Ik gebruik geen tekstverwerker. Ik vind dat je dat altijd merkt aan het proza of  het uit een ouderwetse schijfmachine  ge ramd is. Je ziet het aan ’t gladde, veelvuldig bewerkte, emotieloze, vlakke computerproza. De Beats schreven ook niet met een computer. Daarom leeft mijn proza ook. Het is niet elektro nies, weet je wel. De techniek is de dood in de pot voor de kunstenaars. Om wakker te blijven slik ik uppers, om te gaan slapen downers, Diazepannetjes, overdag Oxazepammetjes om kalm te blijven of omgekeerd, diazepannetjes voor overdag en oxazepammetjes voor de nacht. Ik weet het niet meer. Ik ben verward.

Als ik eindelijk ga slapen, droom ik dat ik zit te schrijven, zit ik te schrijven dan denk ik dat het leven een droom is of eigenlijk meer een nachtmerrie. Dat tempo gaat zo door tot ik er bij neer val en in een totale nervous breakdown beland. Dan word ik weer eens door witgejaste broeders afgevoerd onder het spanlaken naar de inrichting en zit daar de eerst tijd meestal in een dwangbuis of lig vast gebonden op bed. Dat is voor mij de ultieme kick. Ik ben dol op bondage en zo. Ik bemin de zweep. Ik moet als kunstenaar lijden met een lange ei. Nee, ik ben liever een half ei dan een lege dop. Ja, ik ben een softie.

Het leven van een onderdanige man is een boeiend leven, letterlijk en figuurlijk. Daarom ambieer ik ook geen negen tot vijf job op een kantoor. Ik accepteer geen chef boven mij, wel een bovenmeester of meesteres, die de zweep weet te han teren, maar dat doen ze niet op kantoor, dat is een en al inspraak en horizontale overleg plat formen. Concensus. Daar word ik misselijk van. Ik ben compromisloos. Nee, dan de tijd van Nescio, die liet zijn vrouwelijk personeel doorwerken, ook als ze negenendertig graden koorts hadden en anders ontslag. Opzouten. De WW in. Die mentaliteit is zoek. Het is voor mij òf schrijven òf werken. 

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.