Gegevens:

Categorie:
Autobiografisch
Geplaatst:
11 juni 2014, om 09:02 uur
Bekeken:
350 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
184 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Artikelen over het midwinter blazen in Drenthe, schreef ik. "


 “Artikelen over het midwinter blazen in Drenthe, schreef ik. Nou, ja, nu vind ik het ka met krenten, maar je moet nu eenmaal ergens beginnen. Op mijn zestiende heb ik toen een halve roman geschreven, ik zat toen in de derde klas van de mulo in Heemstede, de Gerrit Barger school, of nee, eigenlijk was het meer een novelle “De Ochtenden” als tegen hanger van “De Avonden”.

Eerst had ik het nog “De Middagen” willen noemen, omdat je de dag niet mag prijzen voor de avond valt en je nog alle kanten op kunt tegen het borreluurtje met je bitterballen en je gouden fluit.

Ik had mij er zo in geleefd dat ik er niet meer uit kwam.

Ze hebben me toen een paar jaar opgeborgen in de psychiatriese inrichting Vogelenzang waar je de vogeltjes in de tuin van de kliniek maar ook in je hersenpan hoort zingen en voortdurend rond jes lijken te fladderen.

De vicieuze cirkel die je moet doorbeken om los te komen van je ego, hè!

Een dagboek heb ik nooit bijgehouden, want de paginas zouden van schaamte vergaan.

Ik heb van alles uitgevreten met mannen en met vrouwen.

Nee, het titel verhaal “Maison Alimentation” mag dan wel een parafrase zijn op “Gesloten Huis” van Sartre maar de strekking is toch geheel anders.

De deur staat namelijk wijd open.

Naar wie?

Naar de ander!

Alleen kun nen de hoofdpersonen de drempel niet over. Eigenlijk is dat een soort dagboekverhaal. Mijn verhalen zijn mijn dagboeken, dat is een existentiële noodzaak, begrijp je wel? Het schrijven van juist die verhalen vind ik belangrijk omdat ik daarmee mijn leven vast leg en greep krijg op de werkelijkheid.

Mijn werkelijkheid, jouw werkelijkheid.

Je ontdekt de rode lijn in je bestaan en je weet dat je nooit over die rode lijn mag gaan. Tot hier aan toe en niet verder. Aan alles wat ik op schrijf zitten herinneringen aan vast, zoveel dat het opschrijven gewoon moet gebeuren.

Het is een innerlijke drang.

Daarom vind ik het ook zo onuitstaanbaar dat ik al negen maanden heb zitten verknoeien.

Daar heb ik het verschrikkelijk moeilijk mee; ik heb geen vastgelegde getuigenis van die negen maanden, die ben ik dus kwijt.

Ze zijn uit mijn geheugen verdwenen, van de harde schijf gewist, gedeleted.

Ja, zo voel ik mij ook. Gedeleted door de maatschappij. Afgeschreven. Gedumpt. Uitgewist. Aangetast door een virus. Alleen heb ik geen toetsen combinatie om mijn biologiese computer opnieuw op te starten. Dat is mijn makkes; ik kan mijn bestaan niet resetten.

Mijn besturingssysteem ligt vast, muurvast. De harde schijf is al lang vol. Overvol.

Ik heb er geen document van, het is niet vast gelegd die periode van negen maanden, dus eigenlijk heb ik al die maanden niet bestaan als schrijver.

Ik heb alleen maar gevegeteerd als een zombie.

Een levende dode.

Trechter in je strot, voedsel en sloten drank er van boven in, slikken of stikken, bakken stront en hectoliters pis van onderen er uit.

Het is te weinig, altijd te weinig. De perpetuum mobile van het menselijk bestaan. Dat is één van de redenen voor die afschuw van mijzelf en mijn haat tegen de wereld- het gaat om de bestaansreden van mijn auteursschap.

Het is een gevecht op leven en dood. De kunstenaar worstelt.

Soms ontzwem ik en kom boven.

Meestal ga ik kopje onder in het riool vol afvalkikkers en ben in voortdurend gevecht met mij zelf net als Jacob en de Engel des Heren. Ook ik ben in zekere zin kreupel geslagen door de maatschappij en moet daarom schrijven, om mijn handicap te compenseren. Iets anders kan ik niet, iets anders wil ik niet. Simon Vinkenoog was de dichter van de liefde; ik ben de dichter van de haat. Ik zit op de bodem van een rioolput en kijk omhoog. Het daglicht zie ik door een rond gat met tralies er voor. Zo is mijn leven ook.”

 

“Toen ik mijn laatste boek “Late zomer in Brighton” af  had was ik helemaal kapot. Ik zat helemaal stuk. Als ik namelijk schrijf doe ik dat vierentwintig uur aan één stuk door en ram de paginas uit mijn schrijfmachine met op de achtergrond de klaterende pianomuziek van Bud Powell of  de melancholies pianoklanken vanThelonious Monk.

Ik gebruik geen tekstverwerker.

Ik vind dat je dat altijd merkt aan het proza of  het uit een ouderwetse schijfmachine  ge ramd is. Je ziet het aan ’t gladde, veelvuldig bewerkte, emotieloze, vlakke computerproza. De Beats schreven ook niet met een computer. Daarom leeft mijn proza ook. Het is niet elektro nies, weet je wel. De techniek is de dood in de pot voor de kunstenaars. 

 

(wordt vervolgd)

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.