Gegevens:

Categorie:
Autobiografisch
Geplaatst:
8 juni 2014, om 07:02 uur
Bekeken:
405 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
180 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Fragment “Schrijversblokkade” "


Fragment “Schrijversblokkade”
juni 8, 2014

Schrijvers zijn niet allemaal per definitie ongelukkig. Schrijven is veel werk. Het leven is geen lolletje en schrijven ook niet. Je hebt een dubbele handicap. Een onzichtbare bochel en een virtuele handkar vol talent die je de berg op moet duwen. Twee maal een voetfout bij het serveren in een tennistoernooi en je staat op achterstand.
Een maal een boek dat niet loopt en je wordt afgevoerd door je uitgever. Topsport en kunst hebben raakpunten.
Het auteurschap. Een loden last.
Schrijven is lijden, luidt het van Nietzsche nagebauwd cliché. Alleen uit leed wordt kunst geboren , zei de filosoof cynisch.
Fred van der Wal: Ik ben het tegenovergestelde. De gelukkige schrijver, maar niet de gelukkige huisvrouw. Writersblock ken ik niet. Ik ben als een stoomlococmotief. Langzaam op gang gekomen maar al anderhalf jaar onder volle stoom met een witte rookpluim als uitroepteken en de stoomfluit als aan kondiging voor de overweg. Crossroads. Vierentwintig boeken geproduceerd, meer dan 7000 paginas. Wie doet mij dat na?
Een commando gaat altijd door door.
Jetzt komm ik. Liever was ik iemand als Lee Towers met die bronzen bas stem, de bril geen gezicht 2014 en de pompende kraandrijvers rechter arm waarmee hij walvissen schijnt te kunnen commanderen en Boeings neer doet storten onder de kracht van zijn vibrerende, zingende keel.
Dat hebben die boeddhisten ook; die zingen de hele dag om mani padme hum en laten daarmee rotsblokken zweven.
Bij mij gaat er niks zweven. Ahum! Ik ben een Lead Zeppelin.
Het zal aan mijn achternaam liggen. Daarme elig je aan de ketting. De enige stand up comedian met een hazenlip die ook dezelfde achternaam heeft vind ik niks. Nooit om moeten lachen.
Droefsnoet Hans Dorresteijn. Even erg. Miesjmachers.
What’s in a name zeggen ze met een stiff upper lip, maar ik ervaar het tegenovergestelde.
Vraag schrijvers waarom ze schrijven, en ze zullen met een soort nep psycho analytische ervaring op de proppen komen, of met het verlangen hun bestaan te verklaren. Zingeving.
Het schrijversbestaan. Een diepe echoput met het weerkaatsende geluid als door een electronisch versterkte roeptoeter. Een en al boegeroep afgewisseld door een zwakke loftuiting.
Alle ongelukkige schrijvers zijn klonen van elkaar.
Levens gehuld in versleten karpetten met rafelranden. Karakters als Gordiaanse knopen.

Zijn enige ontspanning hasj en sloten drank. Langzame zelfmoord. Trage wals. Hij kan allen nog maar schrijven over het niet kunnen schrijven, maar daar zijn al tienduizenden folianten over vol geschre ven. Al weer niets nieuws onder de zon.
Hij is ongelukkig omdat hij vlak voor zijn writersblock midden in de nacht op een groot stuk wit papier met viltstift de volgende woorden heeft neer gekalkt; in de helm van macrocefaal Grutte Pier past een mud aardappelen en zijn zwaard in het Fries Museum is van plastic.
Schrijven. Doodsangst therapie. Bezwerende rituelen. Zijn schrijven gaat gepaard met angstaanvallen en diepe droefenis. Huilen tegen de maan om een zin op papier te krijgen. Op de bodem van de zee: Joego, joego!
Minstens zes verhalen borrelden naar boven in een droom en eindelijk, eindelijk kan hij zijn gedachten in woorden omzetten, een vertaalslag maken, realiseert hij zich voor hij weer in een onrustige slaap weg zakt. Hij moet gaan schrijven over het schrijven achter het schrijven.
De diepere lagen.
En dat kán, getuige opnieuw de vele vergeten schrijversdagboeken vol van Klagenstein powezie in stoffige bibliotheken.
‘Eindelijk heb ik mijn oliebron aangeboord’, schrijft Virginia Woolf op 20 april 1925. Ze kan met haar zenuwekop niet snel genoeg schrijven om het allemaal in typoscript te brengen. Suicide. A one way ticket tot the blues form A to B tot Hell and back again.

Neem Fred van der Wal. Ging vanaf zijn zeventiende tientallen jaren terneergeslagen boekenzakken van fa. J. de Slegte uit na het uren lang minitieus bekijken van elk exemplaar van de uitgevers restanten en wist weer dat hij nooit een boek zou publiceren. Zijn eerste verhalenbundel kwam pas uit in 2009 toen de auteur al ruimschoots AOW gerechtigd was en eindelijk moed vatte.

Zonder zijn diepe leed te willen banaliseren: elke schrijver kent dat gevoel dat juist vlak voor het in slaap vallen de meest briljante ideeën zich aandienen?
Opeens is daar dan die ideale openingszin, de oplossing voor het wereldraadsel. In den beginne was het verhaal zoals het natuurlijk moet beginnen en dat alle verhalen overbodig zal maken.
Lispelend, de taal die zich door de poriën van ruimte en tijd dwars door de opperhuid van de kosmos nar buiten persen–valt de auteur in slaap. Pen en papier pakken, nee, daarvoor is hij niet gedisponeerd. Is de nood heel hoog, dan krabbelt hij aan zijn ballen, masturbeert bij wijze van slaapmutsje. En zo valt hij in slaap. De volgende ochtend leest hij alleen maar nonsens die hij heeft neer gekrabbeld in zijn half slaap.

‘Ik word daar gek van als ik niet kan schrijven’, zegt hij met een larmoyante ondertoon in zijn gebroken stem.
‘Nee, eigenlijk werd ik daar vroeger gek van. Eerst wanhopig, dan stapelgek. Nu niet meer, maar ook niet minder. Die psychiater zei mij dat je zelf gek moest zijn om gekken te behandelen. Anders red je het niet. Ik kom wel eens bij de ex-vrouw van prof. Finkensieper in Bloemendaal, Alice Boumast.
Vroeger was ze heel aantrekkelijk, superslank, strakke bloesjes, geile kop, kokerrokjes, palen van hakken onder d’r pumps en nu moddervet en uitgeblust.
Het uiterlijk van een vrouw maakt me in principe niets uit ook in haar geval.
Alleen deugt haar karakter niet.
Het kan verkeren. Ze vertelde dat haar ex-man toen hij een praktijk als psychiater aan huis had altijd zei: Vijftig procent van de patiënten kun je naar huis sturen met een pilletje en de andere helft is zo gestoord die moet onmiddellijk worden opgesloten en nooit meer los gelaten.
Toen is hij maar in zaken gegaan en maakte uitgeverij Ecoli groot. Een absoluut genie’.

In het appartement van de auteur ruikt het alsof we in de apenkooi in Artis verkeren. De geur van oud, eenzaam zweet, gemixed met een half jaar ongewassen.
Het is drie uur ’s middags en de kunstenaar is net opgestaan na een doorwaakte nacht. Hij lijkt een door het noodlot geteisterd stripmannetje dat weg gelopen lijkt uit een strip van Crumb.

(wordt vervolgd)

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.