Gegevens:

Categorie:
Autobiografisch
Geplaatst:
7 juni 2014, om 17:24 uur
Bekeken:
425 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
178 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Vin du chagrin. Sjaggerijnwijn"


Sjaggerijnwijn. Cote du Kut van de Erven Vin Du Chagrin. Niet te zuipen.

 

Ik lijdaan writersblock zei een psychiater uit Bloemendaal. Hij heet Willem. Zielzorger, noemt hij zich, dus is hij zelf gek. De ziel is ongrijpbaar. Er is niet voor te zorgen. Leukoplast voor de geest?

Ik noemde hem altijd Willempie, want die zie je overal.

Hij schuimde elke achterafkroeg in Kennemerland af op zoek naar labiele, gekneusde vrouwen . Hij pakte alles wat los en vast zat.

Elke loopse teef.

Het waren de silver sixties, weet je wel! Vrouwen op zoek.

Nou, daar barst het van in Haarlem, vraag maar aan cultuur draagsters Sjany Sippekop, de salonsocialistische relteef die met haar couperosekop op een ouwe fiets reed om solidair te zijn met de arbeidersklasse die doorgaans in BMW’s rijdt en dan haar vriendin, dat vette varken Alice Boumast, die elke Haarlemse bijstands kunstenaar met een broek vol liefde genaaid heeft.

Sappige stories doen snel de ronde in de horeca. Over dat andere mormel met die mopsneus en hangende oogleden. Een half allochtoon scharregatje met een plat achterste. Armen en benen die associaties op roepen met Auschwitz. Toch nog een gescheiden intellektuweel aan de vis haak geslagen.


Willempie heeft mijn zuster ook regelmatig een veeg uit de pan naar van onderen gegeven, dan kon ze weer iemand zijn kwakkie, schimmeld, bacillen en virussen weg vegen.

Haar levensweg; hard gras, zachte ballen.

‘De jankende huilebalk’, noemde Willempie haar tegen zijn vrouw en glimlachte meewarig. Willempie was het door geefluik voor een Haarlems collectief zedeloze gewetenlozen waarin psychiatrische, labiele patienten van hand tot hand gingen.

De plaatselijke kliek voor veneriese kwalen had het er druk mee. 

Een afwerkplek, die wachtkamer van Willempie. Therapie heette dat. Alle partijen hadden er baat bij. Naar de hoeren gaan vonden de vrijdenkende Haarlemmers te begrotelijk.

Waarom zou je betalen voor wat gratis verkrijgbaar was?

Een onlangs overleden, mij goed bekende tekenleraar deed daar ook met een broek vol liefde aan mee. Hij noemde zich naar voorbeeld van Johnny Cash "The man in black". Voor aanstelleritis moet je in Kennemerland wezen. Breek me de bek niet open.

Laat ik het liever over mijzelf hebben en over mijn boeken.

Vierentwintig stuks in 18 maanden. Meer dan 7000 paginas in eigen beheer.

Tot de bliksem in sloeg bij mij.

Schrijversblokkade.

Hele dagen zat ik achter een vel wit papier.

Ik ben leeg, totaal leeg. Ik word er gek van als ik niet meer kan schrijven. Ik denk dat ik maar eens op het spreekuur van Willempie langs ga om een onsje inspiratie te halen.

Nee, eigenlijk werd ik daar vroeger gek van als ik niet kon schrijven. Eerst wanhopig, dan stapelgek. Nu niet meer, maar ook niet minder.

Regelmatig werd ik door de eigenaar de Polo bar uitgesmeten als ik geen polo aan had maar met ontbloot bovenlijf aan de tap plaats wil nemen. Kon niet vond het bedienend personeel. Ik weigerde  op te stappen. Door vier politie agenten in elkaar geslagen en in de cel gegooid.

De hulp officier van justitie wilde me laten opnemen in een inrichting.

Kantje boord, noemde hij me.

Die psychiater van de ambulante noodopvang zei mij dat je zelf gek moest zijn geweest om gekken te behandelen. Anders red je het niet.

Ik kom wel eens bij de  ex-vrouw van prof. Finkensieper in Bloemendaal, die een puike alimemtatie tilt. Ontzettend inspirerend die bezoekjes. Kopje vlierbessensap uit eigen tuin drinken.

Kost moeite om niet in slaap te vallen bij haar domme gelul.

Vroeger was ze heel aantrekkelijk, superslank, strakke bloesjes, geile kop, kokerrokjes, palen van hakken onder d’r pumps.

Lid van de NVSH (Nederlandse Vereniging Voor Seksjuwelen Herbewapening). Ik vond het een stel viespeukies.

Nu is ze moddervet en uitgeblust. Ze hoeft niet meer. Klaar is Kees. De weg van alle vlees.

Oud vlees gaat stinken.

Het uiterlijk van een vrouw maakt mij in haar geval niets uit. Ik ga er toch niet boven op of mee van onderen.

Lelijke vrouwen zijn de heetste, zegt horecaman Wim altijd.

Ze moeten hun handel verkopen dus doen extra hun best in bed.

Alleen deugt Alice B. haar karakter niet. Haar valsheid is recht evenredig toegenomen met het verval van haar fysiek. Het kan verkeren.

Ze vertelde dat haar ex-man toen hij een praktijk als psychiater aan huis had altijd zei: Vijftig procent van de patiënten kun je naar huis sturen met een pilletje en de andere helft is zo gestoord die moet onmiddellijk worden opgesloten en nooit meer los gelaten. Toen is hij uit wanhoop met succes in zaken gegaan en maakte een uitgeverij Ecoli groot. Hij is een absoluut genie.

Kreeg uitnodigingen van de Oranjes ‘om eens langs te komen op het hof’.

Hij wees het af.

 
In het appartement van de auteur ruikt het alsof we in de apenkooi in Artis verkeren. De zoete geur van oud, eenzaam zweet, gemixed met een half jaar ongewassen. Het is drie uur ’s middags en de kunstenaar is net opgestaan na een doorwaakte nacht in een doorweekt bed dat zelden verschoond wordt zo te ruiken.

Hij lijkt een door het noodlot geteisterd stripmannetje weg gelopen uit een strip van Crumb. Net vijftig geworden en de midlife crisis staat op zijn gezicht gegroefd.

Voortdurend monomaan mompelend in mijn aanwezigheid, totdat plotseling uren later hem de moed ontvalt en hij stil valt alsof de duracell batterijen van een roze speelgoedkonijn zijn uitgeput.

Zijn trommeltje zal hij even niet roeren.

Hij begint te huilen. Zijn ogen zwemmen koortsachtig van links naar rechts in de zee van tranen en doen mij aan de Belgiese auteur Jef Geeraerts denken, die zich de Vlaamse Jan Cremer noemde en waar ik in 1996 bij op bezoek was, toen zijn vrouw Nora door een mysterieuze huidziekte aangetast met een hoofd van twee maal de normale grootte de drankjes in schonk.

Ze leek op een alien.

Uit een blikken doosje dat Frank Forrest zijn sigarettenfabriek noemt tovert hij op hoge snelheid een dagvoorraad filtersigaretten tevoorschijn die hij in het Golden Fiction pakje doet om zich beter voor te doen dan hij is in het koffiehuis.

Lucky Strike past niet in zijn habitus. Hij is niet gelukkig en dan is een sigarettenmerk met een wervende tekst ook niet op zijn plaats. Sigaretten uit de otomaat aan de overkant van zijn huis kan hij zich niet permitteren.

Per dag rookt hij maar liefst negentig zelf gedraaide lave zware van de weduwe.

Hij vraagt of ik bezwaar heb als hij er een op steekt.

Mij maakt het niets uit want ik vind in mijn menslievende visie dat iedereen de kanker kan krijgen.

Mijn vriendelijkheid is allen bekend onderdehand.

Om half zeven haalt hij, met het zorgelijk gezicht van een opoetje die net haar laatste duit van haar AOW-tje heeft verspeeld tijdens de Bingo avond, de aangebroken wijnfles uit de keuken.

In de gootsteen van het aanrecht staan zeven weken beschimmelde afwas met etensresten aan elkaar te rotten. Hij woont er nu al een jaar.

Diana heeft een keer de boel schoon gemaakt en Catharina weken later een dweil over het zeil gehaald.

“Ik doe dit één keer en dan nooit meer!” had ze hem snibbig toegevoegd.

Gelijk had ze.

Een jonge collega, die voor zo ver te zien aan de verdroogde spahhetti resten na een overvloedige spaghettimaaltijd ten huize van de schrijver na zijn eerste stickie de hele maaginhoud had uitgekotst, blijkt meer dan een maand geleden te hebben overgegeven, half over het aanrecht, de rest in de spoel bak.

De auteur schenkt afgepaste hoeveelheden in stoffige glaasjes, die in een vorig leven als mosterdpotje dienst deden. Alcohol ontsmet, schiet door mij heen als ik een teug neem.

De wijn is van de bekende Vin du Chagrin wijngaarden uit het hoofdpijngebied. Sjaggerijnwijn. Cote du Kut. Niet te zuipen.

Hij vertelt over zijn debuut als dichter. De dichtbundels “Licht, sla me tot ridderzuur in de ogen van mijn blindeman” en “Met de lachende schaamscheet aan het pikmeer” verkochten redelijk tot goed, maar van de opbrengst van een dichtbundel in dundruk kan de kachel nog steeds niet roken.

De gedichten, opgedragen aan Rilke, Lorca, Dylan, Jotie van ‘t Hooft en Jim Morrison vertolken een nachtzwart wereldbeeld waarin geen sprankje licht door dringt en bij tijd en wijle zelfs hilaries worden.

Een en al onomkeerbare doffe ellende in een wereld waar moedwil en misverstand de handen ineen hebben geslagen om de auteur het leven tot een nooit eindigende kwelling te maken. Een enkele reis naar het station van de zachte dood.


(wordt vervolgd)



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.