Gegevens:

Categorie:
Autobiografisch
Geplaatst:
1 juni 2014, om 16:36 uur
Bekeken:
365 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
184 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Een ijskoude bolwassing (deel 2) "


Een ijskoude bolwassing (deel 2)

 

Mogen wij dat nog langer tolereren? Kunnen wij dat ongestraft accepteren? Dat de ruif der genade zomaar een beetje mee waait met alle winden in de wind van leer? Zoals de wind waait waait onze gevoerde winterjassen toch niet als de duvel in het spel is en de tongen van het hellevuur reeds aan onze schenen likken en de worm der begeerte aan ons hart?

Wij weten toch terdege dat als wij niet mooi uitkijken de boze het Woord des Heeren op de bovenste kast legt en daarna in de kolenhaard met de mica ruitjes en dan de briketten er boven op! Eierkolen!

Willen wij dat? Neen, voorwaar, ik zeg u, dat willen wij helemaal niet!

Ligt juist daar niet de oorzaak van het kwijnende bestaan van de christelijke kunst en literatuur waar de duvel vrij spel heeft?


Ik zag hem meewarig glimlachen toen ik verhaalde over de verhaalkunst van de rebbes. De rabbijnen die van generatie op generatie hun verhalen vertelden met de Talmud in het achterhoofd en de keppel op de kalende schedel.

Verhalen als sappige perziken, de natste van de hele wereld. Sappige vruchten maar met een harde pit, waarop de ongelovige zijn ontuchtige tanden stuk zou bijten, doch boterzacht voor de ware gelovige.

Via het kerkblad had ik de belangstellenden voor deze avond op geroepen om als huiswerk de realistische roman “ Met jouw waldhoorn tussen mijn alpen” van Helmut Kletterhorn te lezen en te annoteren.

Over een Zwitser die het op zijn Zwitsers doet tegen de alpen op en als een berggeit tegen de klippen op zijn eveknie bekent terwijl eenvoudige Deernes uit de lager gelegen Konditoreien, kontreien en Bierstubes in het dal de koebel voorgebonden krijgen als ze niet loeien zoals de ouderen piepen en de jongen zongen als vanouds. Tehuizen voor onoppassende meisjes die niet wilden oppassen waren het volgende station.

En hoe ze leven en lief hebben en andermans levens riskeren als ze buiten de piste om een levensgevaarlijke ski tocht maken op de lange latten. Hoe koene reddingswerkers ze uit een lawine redden en een lobbes van een Sint Bernhardshond met een vaatje konjak om zijn nek de hele meute een vrolijke dronk bezorgt onder de kerstboom.

En het na dat drinkgelag niet bepaald van “Stille Nacht Heilige nacht” er aan toe gaat als de kleren uit gaan, maar dat het alemaal vanzelf sprak… Een weergaloos eigentijds meesterwerk in de christelijke vertelkunst. Hoe gereformeerder hoe gekker dus vanaf het begin zit het Eind Goed Al Goed er al in voorgebakken als een zak fabrieksfrieten.

 

Ik was als aanwezige met stomheid geslagen toen ouderling Kwaaitaal zijn stuk problematiek op tafel in de groep gooide, dat hij sinds het lezen van de roman- hij had het realistische werkje werkelijk door geploegd met rode oortjes- de wijze van omgaan onder de Alpen bewoners beter was gaan begrijpen. Dat ze meer voor hem waren geworden dan rond wandelende Zwitserse koekoeksklokken en bittere sjokoladerepen. Dat ze alles behalve een zootje bewoners van een ijsklomp vol met reuzenkeien waren. Dat hij, als meedogenloze, keiharde, gereformeerde houwdegen de hoofdpersoon zelfs in zijn hart gesloten had omdat de algemeen met de mond beleden nasteliefde dat van hem eiste, maar vooral omdat hij zich in de promiscueuze, bisexuele hoofdspersoon Walter von Schnickel-Liebeskartoffel was gaan herkennen. Een betere toelichting op de kracht van dit boek kon ik mij die avond niet wensen. Eindelijk was broeder Kwaaitaal uit de kast gekomen met heel zijn hebben en houwen.

Het was al tegen twaalven toen de mensen druk na pratend de consistoriekamer uit liepen en broeder Kwaaitaal mij hartelijk bedankte voor de fijne avond.

“U ook bedankt voor Uw geweldige inbreng. U heeft deze keer geen wereldse, kwaaie taal gesproken, broeder Kwaaitaal, doch de tale Kanaans die klinkt als een klok! Nee, daar moeten wij het nog eens over heebben met zzijn tweetjes. Laten wij de Heere Heere daarvoor op onze knietjes gaan danken. En laten we nu maar eens samen een flesje pikaan maken voor de kurk er af staat te rotten want daar heeft de Heere de wijndruif niet voor geschapen!” antwoordde ik hem lachend, gaf ‘m een knipoog en stak mijn middelvinger op.

“ Van dattum, kwaaitaal, met de noorderwind naar binnen met je stijve lattum en de rechterbil naar boven, dat doet veel beloven, recht zo die gaat voor de mast! Nou ken ik je weer, ouwe rukker!”

Dat was mannentaal onder mannenbroeders.

Zijn antwoord ging verloren in de muziek van de wekkerradio, die mijn vrouw op riep tot de vroege dienst in het zorghuis om koffie rond te brengen hetgeen een liefdesdienst aan de naaste was. Ik kon nog een paar uur blijven liggen!

 

(wordt vervolgd)

 

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.