Gegevens:

Categorie:
Autobiografisch
Geplaatst:
28 mei 2014, om 21:20 uur
Bekeken:
463 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
183 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Ik klom in de kertoren van Meppel"


Nou ben ik ook zo’n zes jaar, van mijn drieentwintigste tot mijn negenentwintigste  ziek geweest, zwaar manies depressief, als ik dan in een manie zat dan klom ik in de kerktoren van Meppel met een pot gluton en een pak kranten om in mijn paranowiede wanen de horizon aan de hemel vast te plakken en dan stond dominee Dingemanse uit Meppel en de hele SOW kerkeraad onder leiding van de gezette Mevrouw Snellemans, zangleidster van De kwelnootjes beneden te razen, te tieren en te vloeken dat ik naar beneden moest komen, een half uur voor de eerste zondagochtenddienst, maar dat deed ik dan niet en kwam de brandweer me voor de zoveelste keer met een ladderwagen uit mijn benarde positie halen, dat kwam dan weer in het wijkblaadje. Ik zat dan schrijlings op het haantje van de toren opgetogen een gezang te zingen “Als ik Hem maar kenne, Hem de mijne weet…” dat clublied van het COC.

Als het even mee zat en de onbezoldigde, zwaar brillende amateur organist meneer Harry Snellemans, zo’n bestoft tiepe in een blauwe overall, van beroep christelijk gereformeerd schoolmeester van een school met den Bijbel, zat te oefenen achter ’t orgel voor de komende dienst in de chris telijk gereformeerde kerk, begeleidde hij mij heel kundig. Op de maat van de Brandenburger concerten zat ik dan te janken, dat geeft zo’n geestelijke diepte aan die barok muziek, dan zat ik tegen dat orgel op te schreeuwen, dat ging door merg en been.

Twee stemmig. Bij Bach is het goed mijmeren. Nog beter dan bij de Vuurvogel. Dat waren succes nummers, daar sprak de hele congregatie zondagen lang over na de urenlange kerkdienst bij de slappe koffie ochtenden met Oranjekoek.

Ze zeggen dat Bordewijk de man van de korte zinnetjes was, maar ik heb ontdekt dat ’t helemaal niet waar is, daar heb ik toen een artikel over geschreven voor Somnabule, maar het is geweigerd. Toen werd ik weer depressief.

Maniese depressiviteit, dat is een de totale verwoesting van je persoonlijkheid en de ontwrichting van je geestelijke biotoop, een aardschok die door je ziel heen gaat, je hele bestaan davert op zijn grondvesten, het is kortsluiting in een hoogspanningsstation, tienduizenden volts bliksemen door je voetzolen via de koude tegels heen de grond in. Het lijkt alsof je een trechter in je kop hebt waarin het hele universum zich uit stort.

Kosmies, dat is het. Je kunt het niet be vatten. Je weet niet wat je over komt. Je voelt je een bliksemafleider. Daardoor is mijn hele wetenschappelijke carrière naar de kloten gegaan. Tijdens het eerste jaar psychologie aan de UVA stortte ik drie maal per week ape stoned van de hasj uit de collegebanken en viel daar in slaap. Toch haalde ik de hoogste cijfers. Ik was bevriend met Elisabeth, die ook pyschologie studeerde. Toen was daar ineens die maniese depressie. Lithium hielp geen bal. Ik leek niet te genezen. Ik leek een medies wonder, maar dan de verkeerde kant op. Aan het einde van die ziekte ben ik op aanraden van mijn psychiater toen gaan schrijven. Ik schreef het alleen niet van mij af, maar juist naar mij toe, zodat ik er erger aan toe was dan tevoren. De absolute per versie en waanzin trokken voor mijn geestesoog voorbij. Dat werd toen een punk dichtbundel “Braken in de Breekstad”.

Waar het over ging? Kotsen, Jimi Hendrix, hoeren, homos, hel levuur, sterren, cirkels, bellen en herowiene spuiten. In “Het wil maar niet zomeren in Quetzalcoatl” gaat het over een teenager die de slangengod aanbidt en de ingeving krijgt zijn hele familie dood te schieten om daarna op de vlucht te gaan en bij een homosexuele vriend die lid van de Satanskerk is in te trekken waar hij een verhouding mee krijgt en daar schrijft hij dan een boek over, maar voor het af is hangt hij zich op in het trapportaal van zijn vrien din die een verdieping heeft aan de Martelaarsgracht in Amsterdam. Die vriendin bestaat echt, Lila Ha., alleen woont zij aan de Lijnbaansgracht en heeft zich inderdaad een vriendje van haar daar opgehangen. Nog steeds heb ik heel veel materiaal uit die tijd omdat ik toen een paar jaar de Satanskerk bezocht en daar heb ik ook om gekeerde kruisigingen meegemaakt van mannen en vrouwen die aan Satan werden geofferd, dat was heel boeiend om mee te maken, want er werd tegelijkertijd een woeste orgie bij gehouden waar de honden geen brood van lustten. Daar heb ik toen maar een boek over geschreven. Dat boek heeft jaren lang in de ramsj gelegen maar nu is het een bijna onbetaalbaar collectors item geworden. het is zo’n beetje de  Bijbel van de Satanskerk geworden.

De bekende kunstschilder Fred van der Wal heeft een genummerd exemplaar in een glazen vitrinekast liggen in zijn atelier te Coulou tre en dat is heel bijzonder, want hij verzamelt eigenlijk alleen eerste drukken of gesigneerde auteurs exemplaren, hetzij genummerde exemplaren van Hermans uitgaven. De eerste druk heeft jaren lang bij de Slegte gelegen maar dan ben ik in goed gezelschap. Hermans en Borde wijk liggen daar ook. De verhalen “Spaanse kraag”en “Baskiese Muts” stamt ook uit die tijd. Eigenlijk de eerste verzetsroman over de Basken. Op de cover staat een schilderij af gebeeld van Basquiat, maar dat heeft niks met de Basken te maken, dat wilde de uitgever nu eenmaal zo, die mijn boek niet eens gelezen heeft. Hij wilde een cover die de jeugd aan zou spreken.

Zomer 1968 heb ik in Haarlem op een expositie mijn eerste vrouw Debora leren kennen. Ik was op slag genezen. Niks geen psychoses meer en die hobby van naar Kung Fu films kijken was over.  Ik schrik nergens voor terug. We zijn toen heel snel getrouwd. Voor een zaak die lampenkappen verkocht ben ik toen naar Italië gegaan. Naar Turijn. Ik handelde dan in grote partijen lampen en lampenkappen, goedkoop en goed.

Per miljoen verkocht ik ze dan tegelijk, dat was roversgoed. Containers vol. Ik verkocht aan de belangrijke grote importeurs. Het liep als een tiet op wonder olie. Ik stond aan de top, abso luut aan de top. De Lamborghini waar ik in reed toen ik nog een rijbewijs had, daar waren er een paar van in Nederland en België op de weg. We woonden in een villa van zeshonderd vier kante meter met een overdekt zwembad, veertien kamers, drie bad kamers, een massagesalon, een sauna, een bibliotheek vol in leer gebonden folianten en een biljartkamer, een tuin van zes duizend vierkante meter. Acht jaar heeft dat geduurd, geweldig was het. Ik zoop me een breuk, want ze konen er geen genoeg van krijgen. Heel exuberant, altijd lachen, veel drank, tuin feesten van hier tot Tokyo, veel poen ook, zaten diep in de partner wisselsien, bezochten clubs en Jazz kelders, dus het was elke nacht een vrolijke bende.Ik stond elke dag lachend op. Ik omhelste het leven. Bij bakken kwam het geld binnen, bij bakken ging het er weer uit. Ik leek we een geldwisselkantoor. Je had me niet herkend. Niemand zou me herkend hebben. Ik was een to taal ander iemand. Driedelig pak, glad geschoren, herenparfummetje, van Bommels aan mijn voeten in plaats van nu die afgesleten Nikies of de goedkope Jezussandalen die in de zomermaanden  al gauw naar tenenkaas ruiken. En die tuin die kwam uit op de Adriatiese zee, dus ik begon de ochtend met pootje baaien tot ik een verdwaalde barracuda aan mijn teen had hangen, die later geamputeerd is door de gangreen die zich begon te ontwikkelen. Nog even en mijn hele voet was naaar de kloten geweest. In dezelfde tijd kwam Jef Geeraerts langs, de Belgiese auteur, die was toen nog autoverkoper en keek er zo eens naar en mompelde wat, zo iets van: Gangreen!

Wat een goed idee, daar ga ik een boek over schrijven, nou, dat is later die beroemde Gangreen serie van hem geworden, waarin ie wat afkankert over zijn eerste wijf en over hoe lekker het is om met negerinnen op stap te gaan, allemaal viespeukerij dus, dat werd een internationaal succes, want al die kerels herkenden zich daar in, die hadden het allemaal gezien met hun wijf na een paar jaar, die wilden ook wel eens wat anders.

 

Maar ja, het kan toch raar lopen in het leven. Na zes jaar wilde mijn vrouw terug naar België, ze miste de petattekes en de kasseien van Antwerpen. Ze was Belgiese van oorsprong. Een gezelligheidsmens, die opgevoed was met de radioquizz Alles of Niets. Wat mijzelf betreft was het eerst alles en werd het uiteindelijk dus niets. Toen ben ik pas echt manies geworden, want dat zag ik helemaal niet zitten. Alleen dat vreselijke klimaat al. Een benauwde flat in het cen trum. Dag en nacht autoverkeer voor de deur. De vogeltjesmarkt. Ik ken maar twee soorten vogels: schijtlijsters, die hangen in de lucht en doen het met opzet op je kop en drijfsijssies, die zwemmen in de stinkende stadsgrachten. Die toestanden met Dutroux gingen toen spelen en dat vond ze echt heel interessant, dat wilde ze van dichtbij mee maken. Ze heeft een hele correspondentie met hem gevoerd. Toen ben ik pas echt  door een diep dal gegaan, want daar kon ik niet achter gaan staan. Jonge meisjes dood hongeren, nee.

Ik kon het niet meer aan en gooide het roer om. Vrienden hadden al vaker gezegd dat ik het he lemaal over een andere boeg moest gooien, dat heb ik toen ook gedaan. Ik heb in drie maan den er toen vijfhonderduizend gulden door heen gejaagd. Ik wilde een groot rock ’n roll festival organiseren en contracteerde de grootsten ter wereld zoals The Velvet Underground, Lou Reed, Bob Dylan, The Rolling Stones, allemaal sixties groepen en blues zangers die plotse ling verschrikkelijk duur waren, want ze roken geld. Ik zat dag en nacht te brassen in luxe ho tels, overal ter wereld. In New York huurde ik een hele etage van het befaamde Chelseahotel af. Daar zaten al die popschilders. Ik leefde op coke anders had ik het niet vol gehouden, al leen als je daar te veel van neemt word je zo gek als een deur, volkomen paranowiede. En het kostte niet niks want de hele crew was ook stevig aan de coke, er ging per dag met gemak zes, zevenduizend gulden alleen aan coke door heen, dat betaalde ik allemaal omdat ik dacht dat het in de pop sien zo hoorde. Ik sloeg soms hele suites van dure hotels in puin en dan lag daar de volgende dag de rekening. Nee, hoor, het management vond het echt geen bezwaar, zo lang ik maar betaalde. Ik bleef een welkome gast tot de geldzak leeg was. Ik haalde popgroepen op met luxe- touringcars, compleet met televisieschermen en een bar vol flessen van de duurste champagne, dan waren ze met zijn twintigen en zopen alles achter elkaar op. Daarna logeer den ze  in het duurste hotel van Antwerpen, twee honderd gulden per persoon per nacht, nou, dat telt behoorlijk aan, dat is nogal begrotelijk. Alleen was ik vergeten publiciteit te maken dank zij al die ingedronken en opgesnoven pret.

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.