Gegevens:

Categorie:
Autobiografisch
Geplaatst:
28 mei 2014, om 21:10 uur
Bekeken:
383 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
178 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"De mensen willen vrolijke boeken lezen! zei hij"


“Ik schrijf om mijn wanhoop als anti-maatschappelijke desperado (wanhopige woesteling) nog  enigszins vorm te geven,” zei Frank Forrest onlangs nog plechtig in Nieuwsblad van het Noorden. Dat de lezer wanhopig en ontredderd achterblijft interesseert hem geen zier, want daar is hij niet voor verantwoordelijk, zegt hij.

“Mijn verhalen zijn poly interpretabel. Je kunt er alle kanten mee op. Het is aan de lezer zelf er lering uit te trekken en de geheime boodschappen uit te peuren! Je moet wel tussen de regels door kunnen lezen, weet je!”, zegt hij langzaam.

“Waar de kunst gediend wordt vallen nu eenmaal slachtoffers. Schrijven is oorlog. En ik trek mijn eigen baan, net als Apie Prins. Ik denk dat ik daarom ook niet goed verkoop. Vijfhon derd exemplaren over tien jaar is niet veel. De mensen willen vrolijke boeken lezen. Boeken met rijmpjes van een oppervlakkige clown als Toon Hermans. De lezers die ik heb zijn de echte lezers, de laatsten der Mohikanen, die denken net zoals ik, die voelen zoals ik, die leven zoals ik, daar kan ik mee lezen en schrijven, dat weet ik uit de brieven die ik krijg. Ik ben ei genlijk een cultfiguur. Zoiets als Ian Curtiss, de zanger van Joy Division, die zo’n lol in het leven had dat hij zich heeft opgehangen. Ik schrijf al vanaf dat ik nauwelijks schrijven kon. Toen ik vier was bracht ik al hele odes aan mijn moeder in vijfvoetige jamben als ze aan de was was. Ik heb nu een maal een absoluut gevoel voor klank en ritme. Ik debuteerde in Bie molds Belang, de plaatselijke buurtkrant van Biemold, waar ik vandaan kom. Een dorp van

zeshonderd inowners. Net zoaiets als Haule.

“Artikelen over het midwinter blazen in Drenthe, schreef ik. Nou, ja, nu vind ik het kut met krenten, maar je moet nu eenmaal ergens beginnen. Op mijn zestiende heb ik toen een halve roman geschreven, ik zat toen in de derde klas van de mulo in Heemstede, de Gerrit Barger school, of nee, eigenlijk was het meer een novelle “De Ochtenden” als tegen hanger van “De Avonden”. Eerst had ik het nog “De Middagen” willen noemen, omdat je de dag niet mag prijzen voor de avond valt en je nog alle kanten op kunt tegen het borreluurtje met je bit terballen en je gouden fluit. Ik had mij er zo in geleefd dat ik er niet meer uit kwam. Ze hebben me toen een jaar opgeborgen in de psychiatriese inrichting Vogelenzang waar je de vogeltjes in de tuin van de kliniek maar ook in je hersenpan hoort zingen en voortdurend rond jes lijken te fladderen. De vicieuze cirkel die je moet doorbeken om los te komen van je ego, hè! Een dagboek heb ik nooit bijgehouden, want de paginas zouden van schaamte vergaan. Ik heb van alles uitgevreten met mannen en met vrouwen. Nee, het titel verhaal “Maison Alimen tation” mag dan wel een parafrase zijn op “Gesloten Huis” van Sartre maar de strekking is toch geheel anders. De deur staat namelijk wijd open. Naar wie? Naar de ander! Alleen kun nen de hoofdpersonen de drempel niet over. Eigenlijk is dat een soort dagboekverhaal. Mijn verhalen zijn mijn dagboeken, dat is een existentiële noodzaak, begrijp je wel? Het schrijven van juist die verhalen vind ik belangrijk omdat ik daarmee mijn leven vast leg en greep krijg op de werkelijkheid. Mijn werkelijkheid, jouw werkelijkheid. Je ontdekt de rode lijn in je be staan en je weet dat je nooit over die rode lijn mag gaan. Aan alles wat ik op schrijf zitten her inneringen aan vast, zoveel dat het opschrijven gewoon moet gebeuren. Het is een innerlijke drang. Daarom vind ik het ook zo onuitstaanbaar dat ik al negen maanden heb zitten ver knoeien. Daar heb ik het verschrikkelijk moeilijk mee; ik heb geen vastgelegde getuigenis van die negen maanden, die ben ik dus kwijt. Ze zijn uit mijn geheugen verdwenen, van de harde schijf gewist, gedeleted. Ja, zo voel ik mij ook. Gedeleted door de maatschappij. Afgeschre ven. Gedumpt. Uitgewist. Aangetast door een virus. Alleen heb ik geen toetsen combinatie om mijn biologiese computer opnieuw op te starten. Dat is mijn makkes; ik kan mijn bestaan niet resetten. Mijn besturingssysteem ligt vast, muurvast. De harde schijf is al lang vol. Overvol.

Ik heb er geen document van, het is niet vast gelegd die periode van negen maanden, dus ei genlijk heb ik al die maanden niet bestaan als schrijver. Ik heb alleen maar gevegeteerd als een zombie. Een levende dode. Trechter in je strot, voedsel en sloten drank er van boven in, slikken of stikken, bakken stront en hectoliters pis van onderen er uit. Het is te weinig, altijd te weinig. De perpetuum mobile van het menselijk bestaan. Dat is één van de redenen voor die afschuw van mijzelf en mijn haat tegen de wereld- het gaat om de bestaansreden van mijn auteursschap. Het is een gevecht op leven en dood. De kunstenaar worstelt. Soms ontzwem ik en kom boven. Meestal ga ik kopje onder in het riool vol afvalkikkers en ben in voortdurend gevecht met mij zelf net als Jacob en de Engel des Heren. Ook ik ben in zekere zin kreupel ge slagen door de maatschappij en moet daarom schrijven, om mijn handicap te compenseren. Iets anders kan ik niet, iets anders wil ik niet. Simon Vinkenoog was de dichter van de liefde; ik ben de dichter van de haat. Ik zit op de bodem van een rioolput en kijk omhoog. Het daglicht zie ik door een rond gat met tralies er voor. Zo is mijn leven ook.”

 

“Toen ik mijn laatste boek “Late zomer in Brighton” af  had was ik helemaal kapot. Ik zat he lemaal stuk. Als ik namelijk schrijf doe ik dat vierentwintig uur aan één stuk door en ram de paginas uit mijn schrijfmachine met op de achtergrond de klaterende pianomuziek van Bud Powell of  de melancholies pianoklanken vanThelonious Monk. Ik gebruik geen tekstverwerk er. Ik vind dat je dat altijd merkt aan het proza of  het uit een ouderwetse schijfmachine  ge ramd is. Je ziet het aan ’t gladde, veelvuldig bewerkte, emotieloze, vlakke computerproza. De Beats schreven ook niet met een computer. Daarom leeft mijn proza ook. Het is niet elektro nies, weet je wel. De techniek is de dood in de pot voor de kunstenaars. Om wakker te blijven slik ik uppers, om te gaan slapen downers, Diazepannetjes, overdag Oxazepammetjes om kalm te blijven. Als ik eindelijk ga slapen, droom ik dat ik zit te schrijven, zit ik te schrijven dan denk ik dat het leven een droom is of eigenlijk meer een nachtmerrie. Dat tempo gaat zo door tot ik er bij neer val en in een totale nervous breakdown beland. Dan word ik weer eens door witgejaste broeders afgevoerd onder het spanlaken naar de inrichting en zit daar de eerst tijd meestal in een dwangbuis of lig vast gebonden op bed. Dat is voor mij de ultieme kick. Ik ben dol op bondage. Ik bemin de zweep. Het leven van een onderdanige man is een boeiend le ven, letterlijk en figuurlijk. Daarom ambieer ik ook geen negen tot vijf job op een kantoor. Ik accepteer geen chef boven mij, wel een bovenmeester of meesteres, die de zweep weet te han teren, maar dat doen ze niet op kantoor, dat is een en al inspraak en horizontale overleg plat formen. Concensus. Daar word ik misselijk van. Ik ben compromisloos. Nee, dan de tijd van Nescio, die liet zijn vrouwelijk personeel doorwerken, ook als ze negenendertig graden koorts hadden en anders ontslag. Opzouten. De WW in. Die mentaliteit is zoek. Het is voor mij òf schrijven òf werken. Wie niet werkt zal niet eten zeggen de christenen, maar voor mij is schrijven werken, dat vergeten ze wel eens. Het probleem is dat ik van minder dan duizend gulden alimentatie per maand moet zien rond te komen en dat is het absolute minimum voor iemand met mijn habit. Het is bijna niet te doen. Het is vechten tegen de bierkaai. Maar sinds mijn vriendin bij mij weg is en na die scheiding van mijn eerste vrouw is het nu eenmaal niet anders. En dat alleen zijn is me zo tegen gevallen, daar heb ik het ook al zo moeilijk mee, het valt me zo zwaar af te moeten zien van sex. Hoeren kan ik niet betalen en om een avond in de kroeg te zitten en na uren lang interessant ouwe hoeren de een of andere afgeneukte venerise sloerie mee naar huis te nemen gaat me echt te ver. Ik heb bijzondere wensen op dat gebied waar niet iedere vrouw of man aan tegemoet wil komen. Ik zoek altijd dominante vrouwen of mannen uit, die mij er onder houden, letterlijk en figuurlijk. Straks ga ik weer bij mijn oma en tante in Heemstede eten, zoals iedere avond te genwoordig. Ze bekken me af, ze behandelen me als oud vuil, maar daar ben ik siberies voor, dat is alleen maar koren op mijn molen, dan kan ik er weer even tegen. Ik kan het alleen nog steeds niet opbrengen om alleen voor mijzelf te koken. Een koelkast heb ik niet, dus in de winter hing ik gewoon een emmer boerenkool buiten het raaam als het vroor, dan bleef het heel goed vers, dat had ik ergens gelezen in een eco blad, ik vond dat juist heel economies, maar dat wilde mijn laatste vriendin niet langer, die vond dat ze zo de risée van de buurt was. Ze is nu lerares economie aan een openbare scholen gemeenschap in Zeist. Een moderne school. Iedere leerkracht is er in principe dag en nacht openbaar toegankelijk op puur collegiale wijze, dan weet je wel hoe laat het is. De Kees Boeke gedachte. Ze liggen in de pauzes te neuken van de bezemkast tot op het buro in de di rectiekamer. Ze kennen daar God noch Gebod op die openbare scholen. Ze is omgeschoold van lerares textiele werkvormen tot docente economie door een reïntegratieburo. Daar jagen ze die ontslagen leerkrachten de uitkering uit. Zo gaat dat tegenwoordig met overbodige leer krachten. Ze was laatst met d’r gefrustreerde hoofd in dat programma van “Tussen kunst en kitsch”. Ik herkende haar aan d’r bekakte stem. Ik wist niet wat ik zag. Een kleine, bleke, verbeten, arrogante spinnenkop met een rare, veel te grote Nefertiti toetervormige hoed op d’r hoofd waar ze in leek te verdrinken. Hoed waar ga je met vrouw naar toe. Dat werk. Het zag er niet uit. Ze was net als in de sixties in het zwart gekleed, de post existentialistiese tijd waar in dat nog net kon in een wereld waar flower power en bloemetjes in de lopen van de geweren de dienst uit maakten en naast haar stond een onooglijke fatso, een walvis in een houthakkers blokkenover hemd met een bierbuik en een lange baard, het leek een vol gevreten ingehuurde bijstands Sinterklaas uit een achterbuurt wel. Ik dacht: wat heb ik er ooit in gezien. Ze wilde in 1967 beroemd worden in Parijs als hoedenontwerpster. Niemand draagt meer een hoed be halve de koningin en die loopt er ook mee voor gek. Ik noemde  haar altijd het “aanminnige hoedenmaaksterje uit Utrecht”. Haar broer is gepromoveerd en werkt in het AMC, op staats kosten aidsofielen op lappen. Pappen en nat houden dus. Bruinpaarse Kaposi Sarcoom vlek ken weg poetsen met een zalfje. De verzorgingsstaat, hè. Op kosten van de belastingbetaler is het gul uitdelen van aidsremmers aan die aidsofiele poepstampers. Nee, dat hoort ze niet graag, dat vind ze niet lekker bekken, dat is niet sjiek in haar kringen. Doktoren zijn voor haar de Heiligen van deze tijd. Haar familie is haar even heilig, behalve d’r moeder daar had ze altijd stront mee, dat waren soms vechtpartijen in de keuken, en ze heeft een schizofrene neef in Heemstede die niet aanspreekbaar is. Ik was jaren lang met hem bevriend. Ik trok op school de gekken en gestoorden aan als een magneet ijzervijlsel. Ik heb daar wat afgelachen. Als ik om kwart over zeven in lijn 3 zat en een uur later de school binnen ging had ik al kramp in mijn kaken van het lachen. Het was alsof je met een combinatie van André van Duin, Mister Bean, Toon Hermans, Max Tailleur en Freek de Jonge in de bus zat.

Ik ben gotzijdank van zeer goede komaf, uit het Heemsteedse milieu, dan weet je wat ik be doel. De kouwe kak van de Heemsteedse Dreef. Vlak bij ons om de hoek woonde Mr. O.H. van Wijk, de salonsocialist die voor de PSP in de eerste kamer ging zitten. Zijn zoontje wilde niet deugen. Zijn zus Elly was een mooi donkerharig   meisje die in petticoats rond liep. Ik was verliefd op haar in de late vijftiger jaren, maar was te verlegen om haar aan te spreken. Haar broer zat op een boksclubje dat in de tuin trainde en ik was ook bang dat hij me op mijn bek zou slaan als ik zijn zuster pakte. Ik woonde   vanaf mijn tweede levensjaar bij mijn groot ouders. Mijn ouders, twee beklagenswaardige psychiatriese gevallen, hebben mij, mijn zusje en broertje weg gegeven toen ik nog geen twee jaar oud was, omdat ze te beroerd waren om ons op te voe den. Mijn broer was nog een baby toen ze hem dumpten. Leed aan asthma en is toen bijna ge stikt. Er waren geen boeken in huis waar we opgroeiden. Daar deden ze niet aan. Ze hebben mijn culturele belangstelling niet gestimuleerd. Cultuur vonden ze onzin. Litera tuur, beelden de kunst was allemaal onzin en aanstellerij. “Daar kan je niet van vreten. Ga maar een echt vak leren,” zeiden ze altijd. Ik kon kiezen op mijn zestiende; naar kantoor of naar een kweekschool voor onderwijzers. Vijf jaar lang heb ik elke dag gehaat van dat terreur instituut van de middelmaat. Welke idioot wordt schoolmeester? Als je geen pedofiel bent is er niks aan. Die onbehaarde pikkies en bleke mossels tussen die brekebeentjes, de naar pis ruikende onderbroeken,de kots die je kan opruimen; ik word nog liever homosexueel dan schoolmeester, dan heb ik meer lol in mijn leven. Ik heb zoveel aanbiedingen gehad van homo sexuelen in mijn leven. Een kunstopleiding was uitgesloten. Dat kwam in onze familie niet voor. Je werd boekhouder of schoolmeester, iets anders bestond niet. Nie mand had meer dan een of twee jaar ulo in die familie, dan weet je het wel. Toen ik achttien werd vroeg ik of ik mijn rijbewijs mocht halen. “Een schoolmeester kan geen auto betalen, die rijdt zijn leven lang op een ouwe fiets!” zeiden ze smalend. 

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.