Gegevens:

Categorie:
Autobiografisch
Geplaatst:
19 mei 2014, om 08:14 uur
Bekeken:
409 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
279 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Ik was een klasgenoot van Tommie"


Ik was een klasgenoot van Tommie Gerrard"
M

IK WAS EEN KLASGENOOT VAN TOMMIE GERRARD (VRIENDJE VAN GERARD REVE & GRAFICUS JAN MONTYN) 

Een week geleden kwam ik op een fotopagina van een niet nader te noemen website waar heel wat schoolfotos uit het verleden zijn te bewonderen een foto van Tommie Gerrard tegen op een groepsfoto als leerling van het Vossius gymnasium waar hij een klas hoger zat dan ik in de klas waar Kiek Bigot mede leerling was.  

Een jaar later, 1956 zaten Tommy en ik in de eerste klas van het Christelijk Lyceum in de Moreelsestraat. 

Tommy bewoog zich al vanaf 1956 in het vage pseudo-artistieke Leidseplein milieu van schrijvers die nooit een boek zouden schrijven en schilders die nooit verder met hun werk zouden komen dan de buurtkroeg. Hij zou op jonge leeftijd zelfmoord plegen. 

In de eerste klas van het christelijk lyceum was ik een klasgenoot van Tommie Gerards, die al op veertienjarige leeftijd in het los geslagen gedrogeerde Leidseplein milieu verzeild raakte en aan de hand van een graficus ten onder ging in de wereld van de half mislukte contraprestatie zolderkamer- en kelder artiesten. 

Tommy was een olijk jongetje met vanaf den beginne al een grote homo phiele aanleg, dat was mij al snel duidelijk uit zijn reakties op de naakte lijven van de klasgenootjes in de kleedkamer voor en na de gymnastiekles. Hij hield van rock ’n roll platen en kwam uit een zwaar door de oorlog geteisterd Joods gezin waar hij niet te handhaven was en onder voogdijschap werd gesteld. 

Hij kreeg semi artistieke vrienden, nietsnutten uit het leidseplein milieu, on aantrekkelijke randfiguren die aan de verdovende middelen zaten. 

In die eerste klas van het christelijk lyceum kreeg hij een vriendinnetje waar mee hij de poffertjestent bezocht, toen een berucht tref centrum van de opstandige Leidsepleinjeugd, weg gelopen meisjes uit inrichtingen en halve en hele psychopaten. 

Het meisje Elsje S., jeugdvriendin van Thommy, die begin jaren zestig nog in de krant kwam als twist danseres bij Jazz festivals en naar Parijs ging als fotomodel werd de latere vriendin in 1972 van de surrealistiese schilder C. v. G. en verdween vervolgens met een talentloze beeldhouwer naar de Ruigoord commune, waar een normaal mens nog niet dood gevonden wil worden. 

Ik kwam Tommie in 1956 nog een keer tegen in het gezelschap van de toen nog relatief onbekende Gerard van het Reve, die ons gesprek onderbrak met de opmerking: Ik praat niet met kinderen!" 

Een andere keer was ik er bij dat Tommie een hard pornoboekje kreeg van een vriend die aan de kunstnijverheidsschool studeerde. 
We bekeken de fotos met rode oortjes. 
Na juni 1957 verloor ik Tommie G. uit het oog en pas begin jaren zestig hoorde ik iets van hem toen hij half-abstrakte tekeningen ging exposeren, in 1962 bij Galerie Mokum die toen nog niet een keuze voor het realisme en het surrealisme had gemaakt . 

In 1966 kwam bij uitgeverij G.A. van Oorschot te Amsterdam het boek “Nader tot U” van Gerard Kornelis van het Reve uit en tot mijn verrassing las ik op pagina 69 tot 72 het verhaal over het bezoek dat Tommie G. met zijn map tekeningen aan van het Reve bracht en hoe het onvermijdelijk verliep in een waas van marihuana en homo erotiek. 

Het volgende fragment uit “Nader tot U”met betrekking tot Tommie G. volgt hieronder : 

“Portfolios had ik heel wat gezien, peinsde ik, die men maar al te dikwijls, wegens het grote formaat, door botsingen in de bochten van donkere trappen, tot dwarrelende uit-zaaiing van de kolleksie, uit zijn poten moest laten vallen, als men al niet zelf een doodsmak maakte. Ik schudde het hoofd en dacht, heel stil zittend, opeens aan Tommie G., die nog maar een paar maanden dood was, en die de laatste keer dat hij in Amsterdam bij mij langs was geweest, ook een portfolio bij zich had gehad en had open-gemaakt om mij zijn met zwarte inkt gemaakte pentekenin-gen te laten zien, opeenhopingen van snel uitgevoerde, lus-achtige figuurtjes, die wellicht mensen uitbeeldden, zodat de tekeningen misschien menigtes moesten voorstellen (‘mas-saatjes,’ zei Teigetje later) die soms stilstaand, soms naar links of naar rechts in beweging zijnd, moesten worden begrepen. Toen hij er een paar op de vloer had gelegd, was ik er, zittend op het bed, naar begonnen te staren, maar ik kon er niks in zien (…) Mijn gepieker was echter niet nodig, want de jonge kunstenaar had al een sigaret gerold van iets geweldig krachtigs, ‘weed’ met nog iets wittigs erdoorheen, zodat hij al na de eerste paar trekken om alles giechelde en één of twee, weinig belangwekkende mede-delingen een groot aantal keien met vrijwel gelijkluidende woordkeus herhaalde en een paar maal opmerkte, dat hij alles ‘hardstikke fijn vond’. 

‘Hebben ze namen? Ik bedoel: heb je ze titels gegeven?’ vroeg ik. 

Nee, namen hadden zijn tekeningen niet. 

‘Maar dat moet wel,’ betoogde ik. 

‘Laten we maar eens kijken.’ 

Tommie begon met potlood, in goed leesbaar schrift, op een blok-nootje, in opeenvolgende nummering, de benamingen op te schrijven, die ik, telkens als hij een nieuwe tekening te voorschijn had getrokken, voorstelde. 

‘Je nummert de tekeningen zelf toch ook wel?’ had ik hem nog gevraagd. 

‘Anders weet je bij wijze van spreken straks niet meer wat voor naam op wat voor tekening slaat.’ 

Nee, dat onthield hij zo ook wel. 

‘Het is je eigen werk, en dat ken je natuurlijk,’ had ik beaamd. Terwijl ik hem, nadat hij naast mij op het bed was komen zitten, telkens streelde en even aanhaalde, verzon ik de benaming en, waarvan ik me niet één meer kan herinneren, al weet ik nog wel dat ze alle in de trant waren van ‘Structureel Doorzicht’, ‘Entrissen sind wir dem Tageslicht’, ‘Impasse 1964’, en dergelijke, alle met woest, geestdriftig gegier door Tommie begroet en genoteerd. Toch was ik nog steeds blijven piekeren, want, zo geil als ik van hem was, had ik er toch tegen opgezien om hem in al te vast verkeer over de vloer te krijgen, want hij kon, dat wist ik, in wat voor kamer ook, en net zo goed in een bed als op een divan, zonder bezwaar twintig uur aan één stuk door slapen, stond zelden vóór smiddags half één op, ging in geen geval ooit voor een uur of drie snachts naar bed, en had me al een paar keer tegen middernacht uit een of andere leuke kroeg opgebeld, ‘dat ze nog even wat zaten te praten’, maar dat hij ‘beslist vóór enen’ nog bij me was, en dat het zeker wel goed was als hij ‘Leopardo’ of ‘Vitessa’, of beiden, meebracht, onveranderlijk een slome haarboer respektievelijk een brochessmedende kunst nijverheidstrut die, nog nauwelijks binnen en nog nooit van het begrip burengerucht gehoord hebbend, begonnen zeuren over het ontbreken van muziek, meestal gevolgd door vage klachten dat ze wel ‘trek’ hadden - als ze al niet zelf je ijskast openrukten, eigenlijk niets dus, dit alles,voor de ‘burgerschrijver’, want al durf ik niet te zweren dat ik elke dag vóór zevenen uit en vóór midder nacht weer in ben, het hoort wel zo te zijn, dat weet u trouwens even goed als ik. Maar Tommie was dus dood, met gas, in de nieuwe flat woning in H., van weer een geheel andere kunstnijveraar ster of misschien sociologe, op de zondagmorgen na Nieuwjaar toen hij alleen in de woning was geweest en de slang van het fornuis had losgetrokken, met opzet of niet, daar kwamen ze zo gauw niet uit, want hij kon ook, wankelend van de ‘weed’ waarmee hij zich weer had volgeblazen, vóór het fornuis gestruikeld zijn en de slang daarbij hebben losgemaaid en daarop hadden de autoriteiten het tenslotte maar gehouden, ook al omdat het er verder weinig vakkundig uit had gezien, niet met kop in de oven bijvoorbeeld, en ook niet met alles potdicht, want er had waarempel nog een bovenlicht opengestaan. Toen dat alles was uitgezocht, hoefden we alleen nog naar de kremaatsie in Den Haag toe, op een vrijdag, Teigetje en ik, samen met kandidaat-katoliek A., die wel een jaar of zes lang met Tommie ‘had opgetrokken’ en hem zelfs al gekend had in de tijd dat Tommie, omdat het ‘thuis niet meer ging’ in een of ander tehuis of jeugdhaven had gezeten, en die, van het doodsbericht af, aan allerdiepste neer slachtigheid ten prooi was geraakt. 
We gingen, wegens nutteloosheid van een automobiel tijdens de spitsuren, met de trein.In het begin was ik, gesterkt door een flinke ochtendronk,heel monter geweest, want ik houd eigenlijk wel van begrafenissen en dergelijke, maar van lieverlede was het lelijk gaan tegenvallen, en was het me in de etablissementen van die merkwaardige, lijkverwerkende industrie, in de aula te machtig geworden, zodat, toen er na alle gegoochel met harmonika deuren en de plotselinge aanblik van een lichtbak als in een bioskoop, die STILTE UITVAART vermeldde, nog een dominee bij gehaald bleek te zijn ook die al begon te bladeren en zijn keel schraapte, ik na een malle opmerking wild jankend naar buiten was gelopen, en bij het hek snikkend was blijven wachten, waar zich spoedig twee jongedames bij me hadden gevoegd die ook, maar iets later, tijdens de dominee zijn toespraak, waren weggelopen, en van wie de ene vertelde dat ze voor de oorlog vlak bij mij in de buurt had gewoond, in de Smaragdstraat of op het Smaragdplein en in de oorlog als jodin naar Engeland was ontkomen en na de oorlog met een niet-joodse Duitser, een chemicus, was getrouwd, om zichzelf ‘nog meer te straffen’ of wegens een soortgelijke teorie, wat ik allemaal natuurlijk niet meteen hoorde, maar pas veel later; de andere jongedame, met misschien een witte trui aan, en blond, die iets panterachtigs en ook wel iets lesbies over zich had, vond ik meteen geil, op een bepaalde manier, als dat bijna lichtgevend roze snoepgoed dat het gehemelte stuk etst. (…) De blonde en geile had in het centrum van Amsterdam in hetzelfde krot als Tommie een of ander atelier gehad, of had dit nog steeds, maar wat ze precies deed is mij niet bijgebleven, en ik geloof ook niet, dat ik het haar gevraagd of van haar gehoord heb -misschien had ze iets met handel of mode te maken, zoiets, denk ik. We stonden elkaar bij het hek een hele tijd gelijk te geven. 

‘Moet je horen,” zei ik toen. 

‘Ik moet hier blijven staan, want ik moet wachten op mijn vriend, en op nog iemand’ -waar haalde ik de woorden vandaan? - ‘en ik zie hier vlak bij niks dat op een drankzaak lijkt.’ 

(Uit: Nader Tot U, Brief In De Nacht Geschreven; fragment.) 

De brief die Reve verstuurde aan de moeder van (Tommie, Thommy) Thom Gerrard na zijn zelfmoord: "Eigenlijk had dit het einde van de geschiedenis van Thommy zijn dood moeten zijn, maar een week of wat later had zijn moeder me nog een brief geschreven: of ik een idee had hoe het gekomen was, en wat er volgens mij precies gebeurd kon zijn, en of er misschien kwaad opzet van anderen bij te pas kon zijn gekomen; waarop ik, naar diepste geweten en beste verstand, had geantwoord in een brief (....)" 

Brief van Simon Vinkenoog aan Reve van 29 juli 1965: 

In deze brief laat het gedrogeerde Leidseplein orakel Vinkenoog weten dat Reve Thommy Gerrard na diens dood in de steek had gelaten, door over hem te schrijven, zonder enig begrip voor zijn kunst. 

Volgens Reve had het Leidsepleingepeupel ten onrechte de indruk gekregen dat hij in de reisbrief Gerrard had willen ridiculiseren. 

Bronnen over het korte leven van Thom Gerrard(s): 

Hans van Straten, “Jong gestorven Thom Gerrards herdacht met expositie” in Het Vrije Volk”van 16 jan. 1965 

Esteban Lopez, “Dood van een Ephebe” in “Als broer en zuster” 1970 

Dirk Ayelt Kooiman, “Montyn”. Amsterdam 1982. 

Fred van der Wal: Vanochtend (zaterdag 21 mei) raadpleegde ik om 11 uur des ochtends in de bibliotheek van Leeuwarden de biografie van Montyn, die merkwaardig onder de kasten met romans was gerangschikt, terwijl het werk thuis hoort bij de biogra fieën van 20-e eeuwse kunstenaars. Het kostte mij dus een kwartier om het werk te vinden.
Duidelijk is in het boek beschreven hoe Montyn met de zeer jonge Thommy een sexuele relatie aan gaat die enkele jaren duurt.  
In de documentatie van Galerie Mokum kwam ik in 1967 in artikelen over het eerste jaar van het bestaan van Galerie Mokum de naam van Thommy G. tegen. Hij had geëxposeerd op een groepstentoonstelling in de galerie toen eigenaresse Dieuwke Bakker nog niet voor het realisme had gekozen. 
Dieuwke Bakker haatte homosexuelen en beweerde dat Montyn Thommy tot homo had gemaakt. Hetgeen ontkend wordt door zijn jeugdvriendin Elsje S. die mij toe vertrouwde dat Thom altijd al homo was geweest.  

(De myhe dat Galerie Mokum is opgericht om tegen de abstracte post-Cobra kunst te strijden is een achteraf verhaal, geconstrueerd ter meerdere eer en glorie van de galeriehoudster om haar een profetische allure te geven. 
Dieuwke Bakker had een liaison met een Belgische surrealistische schilder rond 1962-1963 die haar op het spoor van de post-surrealisten zette. In 1964 formeerde Dieuwke Bakker en Michael Podulke, vennoten van Galerie Mokum pas een figuratieve groep die de naam Nieuwe Figuratieven zou krijgen en een nieuwe peeriode inluidd ein de na oorlogse kunst. Ik maakte deel uit van deze groep van 1967-1973.) 

Uit het boek "Montyn" nav een groot feest in het atelier gebouw aan de Kolk: 

"Een van de aanwezigen was een jongen, niet ouder dan een jaar of achttien, die binnen gekomen was in het gezelschap van twee mannen die ik niet kende. Hij fascineerde me, terwijl ik hem van een afstand gade sloeg. Hij was uitgelaten, een charmeur, hij palmde iedereen, man of vrouw, voor zich in en intussen voeld eik dat hij langs de rand van een afgrond balanceerde. Ik hoord ehem alchen, het hoofd in de nek en ik wist dta het lachen elk ogenblik kon omslaan in een bodemloos verdriet. Ik kwam te weten dat hij Thom heette en weg gelopen uit een opvoedingsgesticht. Hij sprak me aan, Thom. Woorden die me altjd na zouden blijven klinken in mijn oren: 
"Zijn dat jouw schilderijen?" 

Thom blijft op de avond van het Oudejaarsfeest 1960 bij Jan Montyn en barst onmiddellijk in tranen uit. Fysiek was hij in slechte staat. broodmager, lijkbleek, bevend.
Thom was Joods, zijn ouders waren in de dertiger jaren naar Nederland gevlucht. Hij was in 1942 geboren en als baby ondergebracht bij zijn latere voogd, een Haagse advocaat. 
De ouders waren geestelijke en fysiek geknakt uit het concentratiekamp terug gekomen. Jaren later pas namen zijn ouders de opvoeding ter hand en vertelden hem zijn afkomst. 
Het gevolg was dat hij steeds onhandelbaarder werd, onder voogdij geplaatst en in een gesticht opgesloten. Diverse malen was hij er weg gelopen.

Hij dreigde voortdurend met zelfmoord. Hij voelde zich misplaatst en miskend. 

Weken lang zit hij onder gedoken in De Kolk omdat hij op de politie telex stond als gezocht. Montyn leert hem etsen. 
Onder druk van Montyn besluit de voogdijraad om de 18 jarige Thom bij de 36 jarige bisexuele ex-psychiatrische patiënt Montyn te laten. Geen goede beslissing. 
Montyn noemt Thom briljant en uitdagend. 

Montyn: 
Op een oudejaarsfeest was Thom in mijn leven gekomen, op net zo'n oude jaarsfeest, drie jaar later, zou ik hem voor het laatst zien. (...) 
Hij stoof op me af. 
"We hebben het gemaakt, Jan!" 
(...) Hij had net een overheidsbeurs gekregn om een jaar te gaan werken in Parijs en New York. Binnen een paar dagen zou hij vertrekken. 
Hij was eenentwintig. Twee dagen later was hij dood. 
Ze hadden hem aangetroffen. Het gas stond open. Thom was dood.Maar de vragen blijven, tot op de huidige dag omdat er nooit een antwoord komt. En alter zou het tergende vermoeden volgen dat hij het gered zou hebben wan neer hij het een paar jaar langer volgehouden had. (...) 

Het atelier aan de Kolk werd opgedoekt. Weg uit Amsterdam, dat opeens door een sinistere golf van zelfmoorden werd overspoeld. 

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.