Gegevens:

Categorie:
Autobiografisch
Geplaatst:
11 mei 2014, om 20:38 uur
Bekeken:
458 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
198 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Vreemde theologische opvattingen"


In 1976 kwam ik in contact met twee gereformeerde doctoraal studenten van de faculteit kunsthistorie VU te Amsterdam , de Amerikaanse Paul Clowney (de huidige directeur van een strip museum te Londen) en John Vrieze (sinds enige tijd directeur van het COBRA Museum) , die via het CCSC (Christelijk Cultureel Studie Centrum) naar aanleiding van een interview met mij in De Tijd het artikel opgestuurd kregen.

De dominees zoon Clowney en zijn boezemvriend Vrieze studeerden af bij de conservatieve, fundamentalis tische, op art. 31 vrijgemaakt gereformeerde prof. H.R. Rookmaaker die een omstreden boek tegen de moderne kunst had geschreven onder de pretentieuze titel “ Modern Art and the death of a culture”.

Rookmaaker (voor intimi Rookie) hield er vreemde theologische opvattingen op na en zag de zeventiende eeuw als het Duizend jarig rijk, zoals in Openbaringen voorspeld (bron: JoAnn van S.). De professor was oprichter van l’ Abri Neder land, een Stichting die maatschappelijk wrakhout en licht gedrogeerde, ontspoor de, lichtzinnige moeilijk opvoedbare meisjes die niet opgevoed wilden worden maar wel met artistieke neigingen behept, weer op de rails trachtte te zetten op streng christelijke basis onder leiding van de stalen dominee Wim Rietkerk.

Tussen juni en sept. 1976 sprak ik Rookmaaker enkele malen. Zijn assistent drs. Graham Birtwistle (uni versitair docent VU) vertelde mij dat hij nog nooit zo negatief over het beeldende werk van een kunstenaar had gesproken als over mijn

werk. Het resulteerde in een verbod de seminars van Rookmaaker te bezoeken. Paul Clowney had mij voor gedragen als toehoorder.

Drs. Graham Birtwistle nam onze huur woning in de Watergraafsmeer in 1978 over tegen de helft van de verbouwingskosten, zoals afgesproken.

Jaren later hoorde ik van drs. H. v. S. dat de ondankbare hond achter mijn rug om

mij op onheuse wijze betichtte van oplichting. In 1985 trok hij de beschuldiging in toen ik daarover bij hem navraag deed.

Het is kenmerkend voor het achterbakse, lasterlijke, stiekeme, gereformeerde milieu waar Henk Helmantel zich in thuis voelt als een goudvis in een vissenkom. Het werd mij snel duidelijk persona non grata te zijn in de stijl gereformeerde

setting rond Rookmaaker waar Henk Helmantel toe behoorde.

Zomer 1976 nam ik op uitnodiging van Paul Clowney deel aan een conferentie van christelijke (lees: op art. 31 vrij gemaakt gereformeerde) kunstenaars te Zwiggelte Drenthe in de ruime boerderij van de teken leraar Jan van Loon geor ganiseerd door de vrij gemaakt gereformeerde eeuwige student filosofie Hans van Seventer, een gereformeerde corpsbal.

Door de beide organisatoren van de week werd mij de eerste avond duidelijk gemaakt dat de invitatie van mij door Paul Clowney op een vergissing berustte en ik niet welkom was als onkerkelijke. Ik kon de week uitzitten als ik mij onthield van enig commentaar op de lezingen, de Bijbel studies en de opvattingen van de andere deelnmers, bijna zonder uitzondering onbenullige tekenleraren  in oplei

ding. Mijn documentatiemap mocht niet getoond worden, een toelichting op mijn werk geven niet gewenst en deel nemen aan de expositie van de christelijke kunst van de andere conferentiegangers voor mij verbo den. Het waren zonder uitzon dering onbeholpen schilderijen van Jezussen die aan het kruis hingen of af beel dingen van de boom van kennis van goed en kwaad in het paradijs en een groot aantal abstracte knoeiwerken van tekenleraar Jan van Loon.

De organisatoren van de conferentie lieten zich afkeurend uit over mijn deelname sinds 1968 aan de BKR die een bestaansminimum garandeerde. Mijn roomskatholieke echtgenote werd op geloofsgronden niet serieus genomen door het gezelschap van blikken dominees. Urenlange discussies door de deelnmers aan de conferentie die zomer 1976 of je als christen wel naar een LP van Bob Dylan uit 1961 mocht luisteren leidden tot niets, behalve verhitte discussies en venijnige opmerkingen.

Tijdens deze conferentie ontmoette ik de plat Gronings knauwende ex-ULO leerling Henk Helmantel die schilderijtjes op gordijnring formaat van beuke nootjes, walnoten, appeltjes en peertjes toonde. Ik was niet onder de indruk. Hij exposeerde zijn werk bij de commerciële Galerie Mokum te Amsterdam vanaf 1971, een galerie waar ik van 1967-1973 en 1978-1980 als vaste exposant aan verbonden was. Na 1973 werkte de eigenaresse de meer eigentijds werkende realisten en figuratieven de galerie uit, een richting waar ik toe behoorde. Zij koos voor de kunst van het deja vu, imitaties van Magritte, Delvaux, Melle (Pik be stellen? Melle bellen!) en zeventiende eeuse schilders. Een staaltje van een gebrek aan kunsthistorische visie en mismanagment die Galerie Mokum ook onder de slordige opvolgers van Dieuwke Bakker in een isolement in het Neder landse kunstenaarsplantsoen dreef.

Ik streefde een realistische kunst na die niet om keek naar de Oude Meesters, het academisme of de verleden tijd. Het imiteren van 17- e eeuwse schilderijen van stillevens en kerkinterieurs vond ik een verwer pelijke zaak en Helmantel een

sullige onbenul. De Amsterdamse surrealistische schilder Chris van geest noemde Helmantel in mijn bijzijn eens een “simpele gek”.

De stijl gerreformeerde, zwaar behaarde en bebaarde Helmantel weigerde om onduidelijke redenen met mij te praten tijdens de conferentie in Zwiggelte in 1976. Wellicht was de reden dat ik uit Amsterdam kwam, een stad die in stijl gereformeerde kringen beschouwd werd als het Sodom en Gomorrha van het Noorden. De net van zijn vrouw gescheiden gefrustreerde grafisch ontwerper M. d. K., een Joodse beroepsquerulant uit Kampen, deelde mij enkele jaren later mee dat hij er alles aan zou doen om mij buiten de christelijke akademie te houden, samen met drs. Hans van Seventer en tekenleraar van Loon.

Mijn op aanraden van drs. P. Clowney en drs. J. Vrieze van de VU, ingediende sollicitatie trok ik voor de behandeling van de sollicitaties snel schriftelijk terug toen ik hoorde hoe het toe ging bij de benoemingen aan de christelijke kunst

academie.

De eerste directeur van de academie, een ex-timmerman, schreef mij een in fijn christelijke termen gestelde beledigende brief, zijn opvolger, de in Friesland woonachtige geborneerde, gesubisidieerde per centageregelings staatskunstenaar Jan Maaskant verklaarde tegen zijn docent M.d.K. dat hij niets met mij te maken wilde hebben en mijn werk, dat hij overigens nooit gezien heeft, buitengewoon slecht was. Docent M., die in het kader van de Holocaust industrie pretendeert nog steeds last te hebben van de verwerking van de Holocaust die hij nooit persoonlijk aan den lijve ondervond, was zo goed mij te blijven belasteren.

In mijn karate periode schreef ik Maaskant een briefje dat ik wel even langs wilde komen om zijn kop er af te trappen met een Mawashi Geri. Per omgaande kreeg ik een excuusbrief van deze bang geworden kunstartiest, waarin hij op weinig

geloofwaardige wijze zijn uitlating terug trok. Hij zou de eerste niet zijn geweest die ik genadeloos in elkaar sloeg, want dankzij vier maal karate, drie maal fitness, hard lopen en boksles van de ex kampioen Lolle van Houten had ik me een stoot spierkracht in mijn mussels waar een bootwerker jaloers op kon zijn. Wie niet horen wil moet voelen, was altijd mijn devies.

Rikketikketik, daar gaat je kunstgebit.

 

 

 

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.