Gegevens:

Categorie:
Autobiografisch
Geplaatst:
22 mei 2013, om 23:53 uur
Bekeken:
440 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
563 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Ik kan mij met recht Amsterdammer noemen"


IK KAN MIJ MET RECHT AMSTERDAMMER NOEMEN’

Van 1944-1957 en 1967-1978 heb ik in Amsterdam gewoond dus ik kan mij met recht Amsterdammer noemen. Dat nemen sommige Haarlemse kennissen, ex-klasgenoten of provinciale collegas mij ernstig kwalijk, maar daar is niets aan te doen. Ik heb helemaal niets met Haarlem. Ik associeer die stad met clowns als Godfried Bomans, Harry Mulisch en die nu al lang weer in lompen geklede totaal vergeten etser Heyboer met zijn vijf in jutezakken gehulde on gewassen kaal geschoren ongewassen halluvve gare vrouwen. 

De enige beeldend kunstenaar die ik in de zestiger jaren wel goed vond in die stad was Hannes Postma.

Van 1957-1967 heb ik in Heemstede gewoond en volgde in Bloemendaal de kweek school voor onderwijzers waar ik bevriend was met mijn gereformeerde klasgenote Els D. die in Amsterdam woonde en elke dag met de trein van de hoofdstad naar Bloemendaal kwam.

Het was op die nogal provinciale kweekschool heel bijzonder om een Amsterdamse vriendin te hebben, dat namen de andere vrouwelijke klasgenoten mij hoogst kwalijk, maar ja, dat waren van die onooglijke duinkonijnen die aan mixomatose leken te lijden met hun voortdurend ontstoken, rooie etterende ogen, bloemkooloren, zwem permanent en snottebellen ter grootte van kruisbessen aan hun rode, schilferige winter neuzen uit Beverwijk, Santpoort en Velzen, meiden met dikke fietskuiten, Schots geruite plooirokken, Basedowse uitpuil ogen en gebreide kniekousen met omgeslagen boorden, daar zag ik niets in.

Tiepe Jo met de banjo en Mien met de mandolien.

Sommigen zijn later na het doorlopen van ellenlange trajecten via een christelijk huwelijksburo toch nog aan de een of andere zoveelsterangs kneus blijven hangen als huwelijkspartner.

De enige ex-klasgenote die er nog goed uit ziet en een eigen verhaal heeft is Meta G., die ik voor het laatst in 1996 tegen kwam tijdens een reunie en nog wel eens terug zou willen zien, maar de rest…huilen met de lamp op.

Een en al treurnis !

Alles wat goed was op beeldend gebied in Haarlem (zoals filmer Hans en Marlou Klap) e.o. vertrok net als ik zo snel mogelijk naar Amsterdam.

Het drabbige residu bleef hangen.

Tekenleraren in spijkerpakken met kettingen om de hals en leren pols banden die voor de klas de kunstenaar speelde en onder kunstenaars in de morsige kunstkroeg De Ark de pedagoog uithingen.

Daar heb ik schijt aan. Ik ben niet zo gevoelig voor aanstellerij.

 

Waarom bent U indertijd eigenlijk naar Frankrijk gegaan?

 

(Zo goed en zo kwaad als het gaat veert de bejaarde, nog steeds krasse, bebaarde kunstschilder even op en begint kakelend te lachen om vervolgens over te gaan op een nauwelijks verstaanbaar gemonkel) 

 

‘Dát is een goede vraag! Proficiat! Je bent de eerste die ‘m stelt! Dat getuigt nog eens van visie! Wat een originele insteek !’ roept hij verbaasd uit en wil mij terstond al weer de hand schudden en ongegeneerd vier keer op de wang kussen.

‘Want dat is inderdaad heel raadselachtig of eigenlijk ook weer niet. Ik zal het U uitleggen, als U daar ten minste even de tijd voor kunt nemen en goed zult luisteren want ik praat natuurlijk niet voor de kat zijn kut. Het begon er mee dat ik facultatief Frans deed, dat kon je toen nog doen in de vierde, vijfde en zesde klas van de lagere school in Amsterdam zuid.

Ik was begin vijftiger jaren voor het gymnasium voorbestemd en dan was Frans uiter aard een pre, dat sprak eigenlijk vanzelf.

We kregen les van een blozende, kale man die duidelijk aan een te hoge bloed druk leed, die waarschijnlijk ook haast geen Frans kende, hij had met moeite de lágere akte Frans gehaald, hè, en om zijn schamele verdiensten als schoolmeester aan te vullen gaf hij buitenschoolse taallessen zoals zo veel van die schoolmeesters in die tijd deden, dus dat ging met een Amsterdams accent zo van: papa fume une pipe' waar je weinig aan hebt als je grootouders of jijzelf niet rookt. Nou, dan weet je het wel. La va che qui rit, maar dat was dan ook de enige.

Een aantal leerlingen van verschillende scholen volgde na schooltijd van af de vierde tot en met de zesde klas in een gecombineerde klas in een lokaal van de Nicolaes Maasschool in Amsterdam zuid van vier tot vijf uur die les sen.

Ik was het knapste jongetje van de klas met de hoogste cijfers dus ik kreeg in de zesde klas een vrijstelling voor het toelatings examen tot het Vossiusgymnasium. In die lagere schoolklas Frans zaten onder andere een jongen en een meisje die uit zuid Frankrijk kwamen. Hun achternaam was Delahaye en het waren twee verschrikkelijk vervelende, geborneerde kinderen, bruin verbrande, nerveuze medi terrane tiepjes, achterbakse welstandsmormels, die zich verveelden bij die lesjes en dan op een stiekeme manier gingen zitten klieren en de leraar achter hun hand uit lachen, dat sprak vanzelf, want zij spraken heel wat beter Frans dan de leraar zelf. Dat zijn dingen die mee werkten dat ik al heel vroeg vreselijk de pest kreeg aan alles wat Frans en Frankrijk was.

Daar heeft vooral een bij mijn grootouders in wonende verzuurde en verbitterde onge huwde tante aan mee gewerkt. Ze had met heel veel moeite de ULO gevolgd en met vijven en zessen af gemaakt, zoals de meeste van mijn familieleden niet verder kwamen. Toch bracht die tante als ze een week op vakantie was gegaan, on danks haar haat tegen mij, wel eens een potloodpuntenslijper in de vorm van een Eiffeltoren tje mee of een na de treinreis niet meer zo krokant dubbelgevouwen Parijs stok brood, een ballpoint waar op een in een badpak afgebeelde juffrouw stond of een Figaro met fotos van wulpse Francaises, toen ik een jaar of tien, elf was. Dat fascineerde mij wel, die laag uitgesneden, strakke bloesjes waardoor heen de jam potdekselgrote tepels schemerden, van die mediterrane donkerbruine schijven met dikke, brutale knoppen er op.

Het was na tuurlijk allemaal bedoeld als Franse indoctrinatie, dat wel, maar ook heel goed voor mijn vroege sexuele ontwikkeling, want veel verder dan wederzijds piemel kijken of er op zuigen kwamen de meeste lagere schoolleerlingen niet en dat leidt gemakkelijk tot vroegtijdige homoseksualiteit, daar is niet iedereen van gechar meerd in domineesland.

Niet dat ik daar iets op tegen heb, maar toch… Toen ik vier jaar was hoorde ik vlak na de oorlog volwassenen vol bewondering praten over Parijs, de mensen waren na vijf jaar onderdrukking door de Duitsers eindelijk vrij, waren bloedgeil dankzij al dat Zweedse brood en de ingedronken grote vrijheid, maakten zich bepaalde overspan nen voorstellingen over De Franse Vrouw en ik dacht toen al; Parijs, daar ga ik later vast en zeker ook maar eens kijken, want wat ik nou allemaal hoor als kleuter is geen kattepis.

Ik nam toen aan dat die stad een klein stukje achter de bomen lag van de gracht entuinen die ik via het achterraam van de Utrechtsestraat te Amsterdam kon zien. Mijn waarnemingshorizon was toen nog iets beperkter dan nu. Vijftig jaar later, in 1996, heb ik op diezelfde plek gestaan en fotos genomen met mijn Minolta Motor drive kleinbeeld camera, maar de bouwkundige situatie was er totaal veranderd. In het huis waar ik als kleuter korte tijd (juni 1945 –maart 1946) rond dribbelde was toen al jaren de bekende boekhandel De Verbeelding gevestigd.

Nu is er een reisburo. Er viel weinig meer te zien van het verleden.

Door een achterraam van het pand is toen in 1946 nog een kogel vlak boven mijn hoofd geschoten door een ex-S.S.-er als waarschuwing aan mijn vader dat het de volgende keer raak zou zijn.

Tien centimeter lager en ik was in mijn voorhoofd getroffen. Heel wat Friese colle gaatjes zou dat goed zijn uit gekomen. Dat is toen nog een politiezaak geworden. Binnen tien minuten na de aanslag wemelde het op de eerste etage van de Utrecht sestraat van de agenten en de recherche.

Mijn vader deed het waarschijnlijk gelijk al in zijn broek, want hij speelde wel graag de held, maar dat was hij niet.

Mijn grootmoeder van vaders kant was van Franse afkomst, uit Beauvais, een stad in noord Frankrijk (na D-Day door de dappere bevrij ders totaal in puin geschoten), haar familieleden waren gevluchte wevers, industrielen en hoge belasting ambtena ren die zich als royalisten niet gewenst voelden tijdens de Franse revolutie.

Een van mijn voorvaderen is nog onder de guillotine gekomen, daar zijn papieren over te vinden in het Louvre en ik heb zelf ook heel veel genealogische gege vens over die Franse tak.

Als je dat vertelt aan Friese collegaatjes geloven ze je niet, omdat zij nooit iets hebben mee gemaakt, behalve appels gestolen uit de tuin van de dominee toen ze tien jaar waren of elkaar afgetrokken in de koeienstal.

Het was in mijn familie de gewoonte dat een familielid van de Franse Bigot tak niet met familieleden van de van der Wals spraken.

De van der Wals, telgen van een zwijgzame, stoere, stoege schippersfamilie (poten tiële figuranten voor een pakkende E.O. story vol Godt vrezende reddingsboot bemanningsleden die met veel enthousiasme vrouwelijke schipbreukdrenkelingen in hun lurven pakten en heel hardhandig onder het zingen van dat prachtgezang ‘ ‘De Dorre Vlakte Der Woestijnen’ aan boord hijsen, ook als ze liever willen door zwem men) kwamen uit Kollum en vertrokken naar Amsterdam in 1860.

Mijn overgrootvader voer nog als matroos op de laatste teaclipper, maar dronk liever jenever dan thee, dat was me wel een feestneus. Hij kon niet zwemmen en stapte stomdronken in de Keizersgracht waar hij verdronk.

Op straat groette een Bigot een van der Wal niet na 1935, dat heb ik niet alleen gehoord van een Bigot, maar zelf nog mee gemaakt een paar jaar geleden, 1998, toen ik een achternichtje (Winnifred ‘Kiek’ Bigot, die met een notaris gehuwd is en zich bij gebrek aan serieuze werkzaamheden zorgen maakt over de vogelstand en het weidebeheer van een lapje grond, dat ze gekocht heeft), tegen kwam met de tweede vrouw van haar vader (de papiergroothandelaar C. Bigot), op de Prinsen gracht.

In die familie was iedereen met iedereen gebrouilleerd en zo hoort het ook. Dat zijn nog de beste families!

Voor mijn grootmoeder en tante was Frankrijk de Heilstaat bij uitstek en de Franse taal superieur aan alle andere talen. Ik vond dat al heel vroeg totale nonsens, want hoe kan de ene taal superieur zijn aan de andere?

Enfin ; in mijn familie –vooral de Bigot tak- was het burgerlijkheid troef, hier verkoopt men toverballen.

Ik heb zodoende tien jaar lang tegen mijn zin Franse les gehad, eerst drie jaar op die lagere school, daar na een jaar op het Vossius gymnasium van een strenge zwartharige jufforuw met een bril op van het tiepe dat figureert in Amerikaanse strips waarin een strenge, zwaar bebrilde dame met paardenstaart onderdanige dames en heren met de riem afrost.

Het Vossiusgymnasium, waar van ik net als de auteurs Gerard van het Reve en Arnon Grunberg ben weg gestuurd kreeg je Frans, daarna een jaar op het Christelijk lyceum te Amsterdam met een Franse leraar die een hekel aan mij had omdat ik erg timide was en vervolgens drie jaar op de Gerrit Bargerschool te Heemstede van een onderwijzer met een lager akte die weg gestuurd werd omdat hij zich aan jonge meisjes vergreep en daarna nog twee jaar Frans op de Da Costa kweekschool te Bloemendaal van leraar C.P. Hoek, weliswaar een vreselijke droogkloot met een uitgestreken smoel en een stiff upper lip, hij leek veel meer op een Engelsman dan op een Fransman.

Je leerde bij hem bijvoorbeeld aan de hand van de kaart van Parijs een wandeling maken van de Place de l’ Etoile naar het Louvre of zoiets, dat was grote onzin, want als je er nooit geweest bent leer je op die manier daar nooit de weg vinden. Hij woonde twee of drie hoog op de Nassaukade in Amsterdam (als ik van 1972-1978 mijn atelier in de Tweede Nassaustraat te Amsterdam naar de Bilderdijkkade liep kwam ik langs zijn huis, mijn atelier lag op een paar honderd meter van zijn woning, maar voelde er weinig voor aan te bellen.

Ik voelde intuitief dat we elkaar niets te vertellen hadden en wilde niet door mijn verleden worden achtervolgd), maar verder niets op aan te merken, hoor, een uitstekende docent, waarbij we Sartre en Guy de Maupassant in het Frans lazen. Ik vond de Maupassant heel wat boeiender dan het uitzichtsloze gefilosofeer van som bermans Sartre.

Trouwens: All Philosophers Are Phonies, daar is geen woord Frans bij. Ik was heel wat beter in Engels omdat ik van af mijn dertiende al regelmatig de Popular Electro nics kocht en die met behulp van een woordenboek zat uit te spellen. Ik zat in de klas met twintig leerlingen tijdens die Da Costa kweekschool periode van 1960-1966.

Een leerlinge, Anneke Junge, kreeg een prijs voor d’r Frans van het maison Descartes in de tweede klas. Een dik meisje met een zware bril, een blozende bollewangenhapsnoet en een paar biljartpoten, dat weet ik nog wel. Twee leerlingen uit die klas zijn uit onvrede met Nederland naar Frankrijk vertrokken. Tien procent is geemigreerd. Uit een parallelklas vertrokken twee leerlingen naar Nieuw Zeeland, die dachten dat op korte termijn een regen van atoombommen heel Europa met de grond gelijk zou maken. Angst als drijfveer om te emigreren heb ik nooit gekend. Walging wel.’ Daarmee heeft U nog steeds geen antwoord op mijn vraag gegeven. ‘In 1978 verhuisden ik met mijn echtgenote van uit Amsterdam naar Friesland, in feite een ongelukkige Move, dat heeft eigenlijk onmid dellijk het einde van mijn tot dan toe zeer voorspoedige carriere als gearriveerd beeldend kunstenaar betekend en daar is in die achterlijke provincie mijn werk in de vierentwintig jaar dat wij daar woonden mijn werk genegeerd en gediscrimineerd door de per ongeluk bij gebrek aan gewicht omhoog gevallen boeren van de Friese Pers en het Friese Kunstinstituut, maar ook door Groningse instellingen en hun vertegenwoordigers als die in zijn vrije tijd schilderende tekenleraar, de zwaar brillende kikkerkop Diederick Kraaijpoel en drs. Hans van Seventer uit Aduard, alleen omdat ik ex-Amsterdammer was, dat konden ze niet hebben. Wat stellen Friese kunstenaars eigenlijk voor ? Het stro komt ze van onder de pet vandaan. In Leeuwarden kocht de vrouw van een raadslid kunst aan voor de gemeente, een kogelronde boerin met bloemkool permanent, Moeke Faber heette dat mens, ze liep rond met een boerenzakdoek met vier knopen op d’r hoofd vastge speld op die vette varkenskop, een op het hoofd geplette parasol tegen de zon, langs bloedarmoedige kunstmarkten. De Friese kunstenaars , die schijthuizen, deden het (behalve Fred van der Wal) voor haar in hun broek. Ik ben dus nooit aangekocht. Het kwam in feite in Fries land neer op een Berufsverbot. Ik heb er dus tussen 1978 en 2003 ook nauwelijks kunnen tentoonstellen, behalve twee keer bij de TEM in Leeuwarden, daar regelt een joviale, toffe ex-Amsterdammer (Harald Klinkenberg) de tentoonstellingen en dan nog weigerden de provin ciale kunstredacties mijn werk te recenseren. Gelukkig begrijpen Amsterdammers elkaar met een half woord, zodat met Harald in elk ge val geen Babylonische spraakverwarring ontstond zoals met die Friese klei aardappelen constant het geval was. Tegenstanders van mijn werk in Friesland waren o.a. recensenten Sikke Doele, Huub Mous, Johanna Schuurman en de hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant Rimmer (Rimmer; Amerikaans slang voor reetlikker) Mulder of ik kreeg commentaar in het Leeuwarder Sufferdje van een puisterige, zwaar brillende student kunsthistorie die de kunstrubriek er bij deed naast zijn studie, dat mijn werk geschikt was om naast de vullisbak neer te zetten en dat werd nagekwaakt door die duizenden non valeurs die van de contraprestatie vraten, staatskunstenaars als Jan Maas kant die vette percentage opdrachtjes kregen of lid waren van de provinciale artiesten vereniging Fria en nooit iets klaar speelden behalve het communistiese jargon na praten en met hun lul in hun klamme jat andermans wijf verhit achterna liepen, wat de grote mode was onder beeldende kunstenaars van 1945-1990 in Nederland. Ik heb daar nooit aan mee gedaan omdat ik niet graag in andermans kwakkie roer met mijn schuimspaan, dan word je de volgende ochtend wakker met een lul als een rood stoplicht, daar bedank ik voor, alhoewel ik een paar gehuwde dames ken in Frankrijk en Nederland, nou, nou, nou…in een woord adembenemende tiepes waarvoor ik mijn stelregel even voor opzij zou zetten. We moeten nou ook weer niet al te konsekwent zijn. Hoofdredacteur Rimmer Mulder van het Leeuwarder Sufferdje, maar ook provinciale collegaatjes als Eja Siepman van de Berg, Lode Pemmelaar, Henk Helmantel, Rein Pol en Co Cordel, tevens de fijngristelijke tekenleraar Henk Pietersma en het geachte PVDA lid, de te kenleraar Rienk K. en de tekenleraar J.S. verketterden mijn werk achter mijn rug om. In Groningen had ik fervente tegenstanders als de te kenleraar/amateurschilder Diederick Kraaijpoel, de streng gereformeerde kunstschilder Henk Helmantel, de kunstschilderende pantoffel held Fokko Rijkens, de abstracte knoeier Martin Tissing, de stijlgriffermeerde tekenleraar/waterverver Jan van Loon (hij kneep stiekem het akademiemodel van Minerva in d’r kut in de bezemkast) en de even stijl gereformeerde E.O. producer van gezapige kunstprogram mas drs. Hans van Seventer. Ik kon bijvoorbeeld geen lid worden van de Noordelijke Realisten of de Noordelijke aquarellisten en ook niet van de Friesche Kunstenaarsvereniging Fria die ik n.b. zelf heb opgericht in 1985. Ik ben dus eigenlijk uit Friesland/Groningen weg gepest. Nu is het leven in Frankrijk heel wat beter dan in Nederland, dus wie het laatst lacht …Zelfs een gereformeerde Friesche tekenle raar/ vrijetijdsschilder (Jan van Loon, voorzitter Drentse Kunstenaars Vereniging), die me in het verleden twee maal heeft besodemieterd met tentoonstellingen kwam hier in Frankrijk met de pet in zijn hand bij ons landgoed aan bellen en gooide een briefje in de bus met een tekst dat we in een heel erg mooi huis woonden, of iets van dien aard. Ik gooi dat soort slijmerige briefjes natuurlijk gelijk weg want ik ben niet geinteresseerd in wat tekenleraren vinden in het algemeen en in mededelingen over ons huis van overbetaalde gepensioneerde leerkrachten in het bijzonder al helemaal niet, want het is me een kast van een huis waar we in leven en werken. En dat hebben we cash be taald, want voor afbetaling of hypotheken hebben we van nature een grote minachting. Hij kwam trouwens net uit Auxerre waar hij in een boerderij had overnacht van een onduidelijke Amerikaanse kunsthistoricus, de fijn christelijke wazig uit zijn ogen kijkende drs. Paul Clow ney, een Amerikaans domineeszoontje die in die jaren zeventig aardig van ons heeft geprofiteerd in Amsterdam. Ik stelde mijn atelier kos teloos ter beschikking van die droplul, dat had ik beter niet kunnen doen. Hij is gehuwd is met een schatrijke Engelse en dat is maar goed ook, want zelf bereikt hij niets. Zijn enige talent zat in zijn lange haar en zijn christelijke smoesjes. In Londen werd hij ouderling van een fundamen talistische christelijke kerk en directeur van een griffermeerd kunstcentrum en schijnt in Auxerre een optrek je te hebben. Hij draagt zwarte pakken met hoge stijve boorden, net als de Amish. Op de een of andere manier ben ik via een enorme omweg toch met het Frans in aanraking gekomen terwijl ik mij er altijd op had voor be reid om in zuid Engeland of Ierland te gaan wonen waar ik heel wat minder problemen met de communicatie zou hebben ondervonden. 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.