Gegevens:

Categorie:
Autobiografisch
Geplaatst:
6 augustus 2012, om 13:38 uur
Bekeken:
516 keer
Aantal reacties:
2
Aantal downloads:
212 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Met enige regelmaat krijg ik verwijten..."


Met enige regelmaat krijg ik van academische “kunstliefhebbers” verwijten over mijn polemische stukken betreffende de culturele collegaatjes…(Deel 1)

 

Met enige regelmaat krijg ik van zelf verklaarde, soms hoog geschoolde of academische “kunstliefhebbers” verwijten over polemische stukken die ik schreef over de beeldende kunst, de literatuur of de fotografie en hun beoefenaren.

Deze o-zo-kritische kunstminnaars zijn over het algemeen niet of  fragmentarisch geïnformeerd en  doorgaans aanhangers van het Rembandt-Vermeer-Van Gogh syndroom.

Kort samen gevat: Slechts uit leed wordt kunst geboren. Bij mij gaat de fun voor de kunst en speelt Prosecco en aangenaam vrouwelijk gezelschap een grote rol en dan bij voorkeur een jeugdige romantische dichteres die verstaanbare poëzie schrijft, een schilderes met een verleden of een musicienne uit een barok orkest en dan géén trombone speelster of slagwerkster. Eventueel een blues slide gitariste. 

Liever het verstilde, romantische tiep om thee mee te drinken in een door rozen omzoomd prieel.

 

Het Rembandt-Vermeer-Van Gogh syndroom wat verstaat auteur dezes daar nu were onder, zal de lezer zich afvragen.

 

Nou lezer en -es, daar gaat ie. 

Het Rembrandt-Vermeer-Van Gogh syndroom is een historisch-sociolo gische afwijking, bedacht door romantische kunsthistorici, goed gesalarieerde museumdirecteuren, half geïnformeerde journalisten, zolderkamerkunstenaars en gevoed door teksten van het door ‘t fonds der letteren onderhouden staatssubsidie schrijvers en pers recensenten die zich naar omhoog willen schrijven.

Zoals wij al bij voorbaat kunnen bedenken niet de meest betrouwbare, onafhankelijke bronnen.

 

In de literatuur vanaf de tachtigers met van Deyssel als  belangrijk voorman wat betreft het schrijven van ironische en scherpe (scheld) kritieken  was de trend van polemiseren over literatuur en aanverwanten voor goed gezet, met als waardige erfgenamen het illustere duo Ter Braak/DuPerron en na de oorlog de nihilist W F Hermans met vele jaren later als guitige offspring de neuzelende decadent Gerrit Komrij.

Merkwaardig genoeg is polemiek grotendeels beperkt gebleven tot  de literatuur en menen kunstminnaars en – minnaressen dat het verboden zou moeten worden om krities over beeldende kunst èn kunstenaars te schrijven door een kunstenaar als Fred van der Wal, aldus menen een aantal hem vijandig gezinde ex-Vkbloggers, zoals wij weten niet het meest vredelievende, tolerante soort dat op de aarde rond loopt.

Een provinciale opvatting om niet over kunst te mogen schrijven gooit hoge ogen in ddie progressieve kringen. 

Het dictaat van de academisch geschoolde museum directies is hier mogelijk debet aan.

De Friese kunsthistoricus drs. Huub Mous, die nooit heeft kunnen promoveren, meent zelfs dat een beeldend kunstenaar een randdebiele, doofstomme, half- of ongeschoolde dient te zijn, omdat de partieel gestoorde beeldende kunstenaar slechts in beelden zou kunnen denken, net als de Neanderthaler.

Mous weet als half automaat waar hij over praat: menig halfgeschoolde randdebiele talentloze kunstenaar en kunstenares heeft op aanvraag een lovend stukje van onze Friese kunst historicus mogen ontvangen.

Nu zagen veel beeldende kunstenaars in de jaren zestig en zeventig er uit als zelden gedouchte analfabete holbewoners van de ijstijd in hun haveloze hippie outfits, met de verplichte haardracht van ongewassen baarden en haren tot op de billen, dus de veronderstelling ligt voor de hand.

De idee dat een kunstenaar als edele wilde en onbegrepen ongeschoolde moet worden gezien is een achterhaalde misvatting, alhoewel de Limburgse kunstartiest K. "Buikie" Bokito een rond wandelend bewijs lijkt voor deze opvatting. 

 

Vanaf 1968 sprak ik regelmatig museumdirecteuren, conservatoren, hoogleraren kunsthistorie, afgestudeerde kunsthistorici van de VU en de UVA, studenten kunsthistorie, dus enige ervaring met het academisch gevormde kunstvolkje heb ik wel. In een van onze voormalige huizen uit de vrije sector te Amsterdam woont nu de gepensioneerde kunsthis toricus Dr. G. Birtwistle, Jorn kenner, die tenminste één stuk grafiek van laatst genoemde in huis heeft hangen dat hoogstwaarschijnlijk een vervalsing van de hand van GeertJanJansen is.

Moderne kunst zit technisch-ambachtelijk zo beroerd in elkaar dat het gemakkelijk te falsificeren is. 

 

Uit het informatieve boekje “De gijzeling van de beeldende kunst” van kunstcritica Riki Simons wil ik graag even citeren: 

 

De kunstwetenschapper (kunsthistoricus) en de conservator hebben zichzelf laten uit roepen tot profeet onder de profeten. Zo werd de wetenschapper ten slotte zelf een nieuw soort kunstenaar.

 

Fred van der Wal: Jhr. Sandberg met zijn abstracte scheur, knip en plakwerkjes die een kleuter niet misstaan zouden hebben is daar een aaardig voorbeeld van.

 

Riki Simons: Nu is de komst van een nieuwe museum directeur  al genoeg. De run op de nieuwste  stromingen, die iedere nieuw directeur onderneemt om zijn eigen naam en ambtsperiode te kunnen verbinden aan eigen “ontdekkingen”, leidt tot en haaastig “vlag planten”bij kunstenaars die nauwelijks nog de academie hebben verlaten. (En tot het naar de kelders verbannen van de oogst van zijn voorganger).

 

In 1968 sprak ik conservator drs. de Groot van het Arnhems Gemeente museum in Galerie Mokum Amstel 186 over het beleid van het museum. De schilders van Galerie Mokum tentoonstelden hun werken begin 1969 in het museum.

Het was de eerst naoorlogse overzichtstentoonstelling van Jonge Nederlandse realisten.

Een belangrijke mijlpaal waar ook mijn werk prachtig werd gepresenteerd op aparte dieprood gekleurde schotten, tot grote woede van de schilder Teun Nijkamp, die een prominente plaats eiste tijdens de opening van de tentoonstelling. Hij begon een rel te trappen. Ik hield mij afzijdig. 

Hij zou “wraak” op mij nemen, verkondigde hij. 

"Wraak voor wat", vroeg ik ironisch. 

 

Conservator dde Groot, volgens schilder Chris van Geest een rond wandelende roze varkenskop, vertelde hoe na de realisten tentoonstelling, als museum directeur Mekkink met pensioen ging, alle “rotsooi naar de kelders van het museum zou verdwijnen”.

Onder “rotsooi” verstond de conservator schilderijen van de Magisch realisten Willink, Koch , Schuhmacher, Ket en Hynckes. Schilderijen die nu tegen het miljoen op brengen, maar ook in de jaren zestig goede prijzen opbrachten. De laagste prijs voor een Pyke Koch was in 1967 15000 gulden in Galerie Mokum. Voor een vroege Willink hetzelfde bedrag.

 

(wordt vervolgd)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.


Reacties:

Dag Alida
Als ik vantevoren had geweten wat ik nu weet was ik nooit er aan begonnen. Nooit.

Geplaatst op: 2012-08-06 18:50:55 uur

reuze gezellig in de kunstwereld, begrijp ik.

Geplaatst op: 2012-08-06 14:32:57 uur