Gegevens:

Categorie:
Autobiografisch
Geplaatst:
28 maart 2012, om 13:53 uur
Bekeken:
544 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
299 [ download ]

Score: 1

(1 stem)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Artistieke herinneringen en ander ongenoegen (deel 11)"


ARTISTIEKE HERINNERINGEN EN ANDER ONGENOEGEN (DEEL 12)

 

Mareike Geys kwam wel eens om raad vragen als ze een schilderkunstig probleem had bij Theo Daamen?

 

Dan kwam ze binnen met een ingewikkeld verhaal over een boot die ze in plakjes wilde schilderen en hoe de houtnerf dan moest lopen. Ze realiseerde zich niet dat een houtnerf in de lengte van een boom loopt en niet in de breedte. Als je een boom in de breedte doorsnijdt dan zie je jaarringen. Ze vertrok dan een beetje gefrustreerd met zo’n vuurrode hoge bloeddrukkop. Ik vroeg aan Theo hoe dat kwam die rooie kop. Hij dacht dat ze een ziekte had doordat ze teveel vrat en zoop. 

 

In 1976 bracht U een eenmalig bezoek aan de boven buurman van Theo Daamen de gedrongen, koboldachtige, licht kwaadaardige kunstschilder William Lindhout.

 

Lindhout is het standaardvoorbeeld van de kunstenaar die kunstenaar wordt om een fysiek of psychies gebrek te kompenseren. Ik geloof niet dat zo’n uitgangspunt resultaten kan opleveren. Ik herinner me nog goed de licht uitpuilende ogen van zijn niet onappetijtelijke gade die er een paar ver baasde basedowse ogen op na hield.

Ogen als schoteltjes zo groot las je vroeger in sprookjesboeken en daar zat ik maar steeds aan te denken.

Het klikte niet bepaald met de partij kommunist Lindhout, dus hebben we na een beleefdheidsbezoekje bij ons toen maar van verdere kennis making afgezien, vooral nadat ik van hem hoorde dat hij de aankoop van één van mijn ingezonden schilderijen had gedwarsboomd, ondanks dat hij het een goed schilderij vond.

Hij was opgestookt door het Bennebroeker slijmerdje die vol hield dat ik een fascist, een boef, een stoute jongen en een nazi was.

Die ouwehoerverhalen gaan er bij een partijkommunist bij voorbaat al in als Gods woord in een ouderling.

Zonder die laster te checken heeft hij toen mijn aankoop gecanceld in een tijd dat we het geld hard nodig hadden. Voor mij was toen een verdere relatie met zo’n miesjmacher uitgesloten.

Theo Daamen was zo goed geweest Lindhout en zijn echtgenote voor een schijntje de helft van zijn prachtige huis aan de Herenmarkt te verhuren en dat heeft hij geweten. Toen Lindhout er eenmaal zat begon hij met zijn echtgenote verschrikkelijk veel overlast te ver oorzaken en dat heeft vijftien jaar geduurd.

Het behoorde bij die tiepiese chantagestreken van kommunistiese kunstenaars is mijn ervaring.

Ik vond het al tijd al een zootje opportunistiese linkse fascisten.

Die Lindhout leek me nogal een sukkel. Hij kwam een keer op Arti met zijn arm in een mitella, dus ik vroeg aan hem of hij bonje had met zijn vrouwtje, maar hij was die ochtend voor het eerst op een race fiets met zeventien versnellingen geklommen en er gelijk weer van af gevallen, zoals het een trapeze artiest van het ongerijmde betaamt. Hij had toen zijn sleutelbeen gebroken op een aantal plaatsen. Het zijn heel vaak stijve harken die kunstenaars. Zo'n Teun Nijkamp kon op gymnastiek geen bal vangen een nog niet over een touwtje op 20 centimeter hoogte springeen, daar was ie vreselijk trots op. 

 

William Lindhout heeft in de jaren zeventig  een akwarel prijs gewonnen dankzij voorspraak van Hans Engelman.

 

U weet dat ondank ’s werelds loon is, want als dank heeft Lindhout een aankoop van een schilderij van Engelman verhinderd door de jury om te praten en daar was Engelman behoorlijk pissig om.

 

U vroeg een keer aan Mareike Geys toen ze in Uw atelier op bezoek was wat ze vond van Uw schilderij “Badkamer” uit 1974.

 

Eerst vond ze er niets van en toen zei ze schouder ophalend schamper: ”Ach, weet je, ik houd niet zo van die blauwe schilderijen,dat is voor mij al lang vieux jeu die blauwe schilderijen, weet je.”

 

 En wat zei U toen terug?

 

Dat ik weer niet zo van die groene schilderijen hield. Ze schilderde namelijk alles groen. Veel van haar schilderijen leken sprekend op die expressionistiese breiwerkjes van die Amsterdamse ex-kappersbediende Alphons Freymuth.

 

Toch vond U haar eigenlijk geen erg slechte schilderes?

 

Nee, helemaal niet, maar ook niet bepaald, schilder technies gezien, een erg goede. Het was modieus werk, dat wel. Ik vind het nog steeds middelmaat, ondanks dat ze vier of vijf maal een koninklijke subsidie kreeg toegekend. Ze streefde een soort modieuze, conceptuele, schijnbaar cerebrale schilderkunst na en ik vond het wel leuk zo nu en dan haar schilderijen te zien, daar niet van. Het bleef wel meisjeskunst, dat wel. Toen ze Arti lid werd wilde ze mij niet kennen als ik haar tegen kwam in de sociëteit. IK rangschik dat onder het hoofdstuk artiesten streken.

 

Hoe is het mogelijk dat ze zo vaak in de koninklijke prijzen viel?

 

Dat heb ik haar toen ook gevraagd en ze bekende ruiterlijk dat het kwam omdat haar leraar schilderen Pierre van Soest die haar op Akademie ’63 les gaf en haar een “lekkere meid”  vond in de jury zat.

 

Daarin was ze nogal eerlijk, vind U niet?

 

Ja, dat pleit voor haar. Ik heb ook helemaal geen hekel aan haar. Ik wist alleen nooit wat ik tegen haar moest zeggen. Vooral omdat ze zich nogal superieur en arrogant opstelde, dan klapte ik gelijk dicht.

 

U vroeg toen aan haar hoe de omgang met van Soest aan de akademie was.

 

Mareike zei toen:”Een sfeer van ouwe jongens krentenbrood”.

Ik vroeg haar toen om dat nader toe te lichten, want die sfeer van ouwe jongens met hun krentenbrood gaat meestal als tijdverdrif via het onderlijf, naar men zegt. Ze wilde geen antwoordd geven en keek wat mistig voor zich uit. Nou,dan niet.

 

Eén van de andere ateliers artiesten van de twee de Nassaustraat het Bennebroekertje D. had het  er altijd over dat hij  “eventjes Mareike Geys ging neuken.”

 

Volgens hem wilde iedere vrouw binnen vijf minuten met hem neuken. U begrijpt: het waarheidsgehalte van zo’n bewering is niet erg hoog. Persoonlijk kijk ik niet op die manier tegen leden van het vrouwelijk geslacht aan, maar die meneer was nogal onder de indruk van die vrese lijke boeken van de erotiese opsnijer Jan Cremer en die D. praatte die gore patsers taal van dat patjepejertje graag na. Het was in Haarlem de mode onder kunstartiesten om met een spijkeerbroek vol verfvlekken en een verfomfaaid leren jasje aan rond te lopen door de Grote Houtstraat om op te vallen.

Het is wel zo dat toen zijn echtgenote (van het Bennebroeker slijmerd je) in verwachting was dat een jong, ongehuwd moedertje uit de tweede Nassaustraat steeds ’s avonds op zijn atelier zat. Misschien heeft hij één keer succes gehad.

Ik leerde hem in Haarlem kennen toen hij Peter Struycken naschilderde, daarna imiteerde hij die plestik objekten van Pieter Engels, vervolgens de objekten van Jeroen Henneman, een twee jaar later de onzin van de moderne beeldhouwer Rückriem en daartussen door maakte hij enkele fundamentele schilderkunst imitaties. Hij kwam in 1974 mijn atelier binnen met een heel slecht geschilderd pseudo realisties werk en hij vroeg mijn mening er over. Ik hem hem toen hartelijk uitgelachen en aangeraden een leuke baan te zoeken als schrijver tweede klas bij een gemeentesecrtarie, daar zou hij goed op zijn plaats zijn met zijn tien jarige "carrière" als HBS -a leerling die elk jaar doubleerde.

 

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.