Gegevens:

Categorie:
Autobiografisch
Geplaatst:
17 september 2011, om 18:40 uur
Bekeken:
529 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
199 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Nog lang niet uitgeschilderd & uitgeschreven…(deel 4)"


Nog lang niet uitgeschilderd & uitgeschreven…(deel 4)

 

 Hoe is de relatie of eigenlijk de haat-liefde verhouding van Fred van der Wal als realist van het eerste uur met de Nederlandse realistiese schilderkunst en zijn Ins Blaue Hinein verdwenen voor naamste vertegenwoordigers als Teun Nijkamp c.s. waar hij nooit erg hoog over op gaf?

 

 Ik heb de goede strijd gestreden, zoals de grote Schriftsteller Paulus ergens opmerkte, daar heeft U gelijk in, dat wel en verder doe ik het zwijgen er liever aan toe.

Daar heeft U voor een deel groot gelijk in, maar voor een ander deel minder. Maar nu ik er over nadenk, zelfs helemaal niet en dat wil ik U hierbij eens en voor altijd uitleggen. 

Ik heb geen liefdesverhouding met wat dan ook en ook geen haatverhouding met wie dan ook, want voor wie ik lief heb wil ik heten, hè en dan zal je toch eerst hout moet en hakken en de kachel aan moeten maken voor je het heet hebt.

Dat zegt toch wel genoeg.

Als het te lang duurt dan hoef ik al niet meer. En verder wil ik er ook geen enkele verhouding mee hebben.

Indertijd, in 1966, toen ik debuteerde in het ingeslapen Haarlem met drie andere, helaas vol ledig talentloze vrijetijdsschilders in kunst centrum De Ark, waar onbetrouwbaar ogen de, schijbaar zeer vermoeide lieden de ganse dag werkeloos in versleten fauteuils uit hun neus hingen te vreten, provinciale dames en heren die uitmuntten in hoeren en snoeren, slempen en schrokken, doch vooral in het tot zich nemen van clandestiene geest verruimende middelen, die de eens en voor altijd gesloten poort en naar het paradijs zouden openen, omdat ze de apekool van Huxley vraten, maar U raadt het al. Binnen enkele maanden waren zij hun huis uit gezet en was het vrouwtje er van door met de boek houder van twee huizen verder op.

Dan denk ik aan niet echt postzegelfris ruik ende, broodmagere, doorrookte tiepes in kunstig gesneden jasjes gemaakt van mot tige Perziese opoekleedjes, hippe vogels die met verende schreden op de roze wolken van de mariehuana en hasj hun opzienbarende gang zwaaiend door de Grote Houtstraat te Haarlem vervolgden, maar wel nadat zij bij het loket van sociale zaken hun weekgeldje hadden opgehaald, dat onmiddellijk werd omgezet in weer een kilootje van het een of ander verboden spul.

En daar hebben we dan weer de bekende langharige kwartaalzuiper Karel Slinger voet, alom bekend van zijn onzekere tred en lang durige trips naar India en Afrika, maar helaas niet bekend om de kwaliteit van zijn kunstwerken.

Zoals al die Haarlemse kunstartiesten vrijwel zonder uitzondering op de schobberdebonk leefden en nu nog.

En toen ik die winterdag begin februari 1966 had gedebuteerd ben ik natuurlijk gelijk dolenthousiast met opgestoken armen en open gulp het kunstzinnige plantsoen in gewandeld.

Vol verwachting klopte mijn hart. Want daar zou het te vinden zijn.

Wat?

De tolerantie, het wederzijds respect, de hulp vaardigheid en weettikveel wat nog meer wel niet. Nou, dat was het dan. Dàt viel tegen!

Om te beginnen; door wat een rare en enge tiepes werd dat plantsoen bevolkt. En van die verstikkende, verbrande dennebomen geur van de Afghaanse of vettige Rooie Libanon moest ik ook niet veel hebben, daar kreeg ik het al van op mijn longen, nog voor mijn half geopende hartstochtelijk beven de lippen het mondfilter van een stick had den nat gemaakt, dus dat werd ook al niets. De lang harige, mooie Aletta te R. heeft mij in 1966 toen in de wereld van de soft drugs geïntroduceerd, maar het was gewoon mijn wereld niet.

Ik werd er behoorlijk agressief van. “Van de frisse!” zei ik dan en sloeg haar tuchtig op haar billen dan schoot de stick vanzelf uit haar aangename mondje. Daar snakken de hippe vrouwtjes naar. Ik ben toen maar jarenlang karate gaan doen tot 1997, om flink uit te delen, daar ga je gezond van denken.

Mijn relatie tot de vaderlandse kunst, in het bij zonder ‘t realisme, is miniem.

Ik onderhoud alleen contact met de Peetmoeder van het realisme, de prettig uitziende, blonde Janna van Zon, die lang niet dom is, net als ik dus en een heel persoonlijke, sympatieke schrijfstijl heeft. Daarom waarderen wij elkaar ook zo. En dat zal ik niet zo gauw zeggen in kunstenaarsland, want van complimenten kan de kachel niet roken. Toch zal ik de ander nooit om niet met emoties bespatten en besmeuren. Er moet een reden voor zijn. En verder onderhoud ik met personen uit het realistiese veld in de kunst geen relatie, zeker geen intieme met al die ziektes tegenwoordig. Ik ben trouwens- en dat vind ik toch wel heel belangrijk- geen modern beeldend kunstenaar- maar een kunst schilder.

Het ambacht dus. En dat behoort tot een geheel ander tiepe. Want je kunt toch zonder gerede twijfel stellen dat de Moderne Beel dende Kunst tot stand komt om louter therapeutiese redenen. Kijk maar naar de resultaten die in het museum of de galeries hangen, dan denk je toch al gauw; ziek zijn beter worden, om met dokter van Swol te spreken. De twintigste eeuw is in de kunst historie een betreurenswaardig terminaal ziektegeval.

Maar één oplossing : Ausradieren Ik ben die Friese gepensioneerde tekenleraar Jan van L. niet.

Je merkt het gelijk. Als een doorsneemens in therapie gaat, dan wordt zijn ganse horizon in beslag genomen door zijn of haar thera peut. Een zwaktebod. Ga maar eens te rade bij de aangenaam ogende psychologe mevr. drs. Lodderoog te Oenkerk. Een echte vak vrouw. Geen wilsbeslissing van de patiënt is meer mogelijk zonder eerst een consult te hebben afgelegd bij dat leuke, aanminnige blondje waar ik wel een ochtendbeschuitje mee wil knappen als ze tenminste aan mijn exclusieve seksjuwelen SM habits tegmoet wil komen want in recht op en neer zie ik toevallig niets meer, voor zover ik nog iets zie tussen de klamme lappen. Treurnis alom meestal. Ik zie ‘t aan mijn geestelijk gehan dicapte zuster. Ik heb er diepe compassie mee.

Ik kan ook nooit zeggen tegen iemand die in therapie loopt; “Gut, meid, wat ben jij d’r toch van opgeknapt!” Eerder het tegen deel. Nu zijn therapeuten minsten zo geschift als hun patiënten. Ze weten waar ze het over hebben. Waar je mee om gaat word je door besmet. Het is een symbiose. Dat is net zo iets. En wanneer je met een beeldend kunste naar praat wordt zijn ganse horizon in beslag genomen door het eigen, onbenullige egootje en de beeldende kunst beoefening. Hij leeft voor de kunstbeoefening, terwijl ik gewoon tussen twee lachbuien door een schilderij maak of een stuk schrijf. Ik schilder en schrijf omdat ik leef, dat is ook héél iets anders.

Ik sta zo anders in het volle leven. Het is voor mij geen doel, maar een middel om mijn overmaat aan vrije tijd zin vol te vullen. Linkse cultuurliefhebbers zoals dat warhoofd drs. H. v. S. te A. nemen mij dat hoogst kwalijk, maar wat presteert deze meneer zelf eigenlijk op cultureel gebied met zijn vrijblij vend baantje bij de E.O. waar hij ruzie kreeg met het bestuur en er uit getrapt is? Ik heb toen ik een jaar of tweeën twintig was, eind 1964, van uit mijn ooghoeken eens goed krities gekeken naar mijn toenmalige streng griffermeerde vriendin, die geil als boter was en daarna naar de wereld, die in de sixties steeds vrolijker werd en toen weer naar mijn vriendin schrok ik mij een ongeluk, riep Gotsalmetruttenbollen en dacht toen: “Gotsalmeliefhebbe! Om daar de eeuwigheid mee door te moeten brengen, nou nee, mag deze beker aan mij voorbij gaan?” En dat smeekgebed is verhoord, gotzijdank, want ik moet er niet aan denken mijn leven lang te slijten voor de klas ener randdebielenschool met den Bijbel te Schubbenkutten-Nijeveen in Drenthe. Daar zeg ik met krachtige stem op: Kut met krenten! Ik heb toen gezegd in 1964; dat schilderen lijkt mij nog eens een fatsoenlijke broodwinning en je stond toen ook hoog in aanzien bij leden van de vrouwe lijke kunne als je jezelf een artistieke uit straling aan mat. En dan bedoel ik natuurlijk niet zo’n lange bef baard zoals die Sinter klaas uit Westeremden Hank Duvelsjas. Dat was me een zware tijd in het begin, want ik had geen cent te makken en geen nagel om mijn gat te krabben. Ondanks mijn zeer vermogene familie! Het plestik boterham menzakje was dan wel net uit gevonden, maar die droeg ik niet over mijn sokken omdat mijn soldatenschoenen lekten. Ik kon de reparatie van mijn halve zolen niet eens betalen en ook geen boterhammenzakjes bij de Vana. Ik liep gewoon monomaan mompelend door. Hele einden door het Vondelpark. Het regende toen constant. Dat is toen mei 1968 veranderd na de eerste grote aankoop door het Rijk der Neder landen, toen pas werd het alle dagen feest en thee met chocolade kransjes. Ik was toen vijf en twintig. Ik kocht gelijk een paar fijne Ibizalaarzen, een strakke, roze broek, die mijn geslachtsdeel extra prononceerde, een overhemd met Paisley motieven en een viersporen bandrecorder waar ik constant Blonde on Blonde en Subterranean Homesick Blues van Bob Dylan op draaide. Dat is nu bijna veertig jaar geleden. Ik spring nog steeds uit de band omdat ik nog steed The Freewheelin’ Fred van der Wal ben. Forever Young and beautifull. En lekker ruiken dat ik doe na een Spritz uit mijn dure fles parfum van het merk Opium op mijn zeven heilige plaatsen. Dat wil je gewoon niet weten ! je valt nog bewusteloos waar je zelf bij staat!

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.