Gegevens:

Categorie:
Autobiografisch
Geplaatst:
25 augustus 2011, om 23:21 uur
Bekeken:
751 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
270 [ download ]

Score: 1

(1 stem)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"De onontdekte ontdekkingstocht"


De onontdekte ontdekkingstocht van ontdekker/ontdekkingsreiziger annex Friese Keunstner Johan Hanepik

 

Johan is sinds de oprichting een trouw Fria-lid die als blinde geleide hond veel voor de vereniging heeft betekend, meer dan menig ander die heel wat meer lawaai produceerde zoals de zogenaamde Garijper “kunstenaar” Fred van der Wal, de onruststoker, nazi, sadomasochist, occultist en fascist die nooit erkend werd door ons en zelfs geroyeerd werd uit de vereniging door de stichters van onze kunstclub t.w. Chrispijn Fokmaer, Frits Hakvoort en Ger van Neuzel, allen partij van de arbeidleden en lid van de NVSH, dus politiek correct in hun gulp. 

Het uiterst serieuze  verhaal van de oprechte Fries Johan (verscheidene keren afgewezen voor akademie Minerva), die werkelijk geleden, gebeden en gestreden heeft voor de kunst echter brengt niet alleen de ontwikkeling van zijn tekeningen en schilderijen in beeld, maar ook de roerige tijd waarin Fria is ontstaan en ontwikkeld door de leden, stuk voor stuk behorende tot de aller allereerste garnituur kunstenaars die wij in Friesland voorradig hebben. 

Johan, een man van weinig woorden en slechts drie jaar lagere school vanwege zzijn autisme en dyslexie, die onder het genot van Friese Beerenburg nog al eens gewelddadig wil worden met zijn eeltige knuisten en meerdere veroordelingen achter de kiezen van zijn kunstgebit heeft vertelt uit zich zelf niet snel waar aan hij werkt. 

Hij is bescheiden en vaag, wat dromerig, initiatiefloos en afwachtend, in tegenstelling tot sommige andere kunstenaars, die mees tal niet Friezen zijn, hoog over zichzelf opgeven en zichzelf soms genie noemen en zoals de misselijk makende Fred van der Wal beweren in Frankrijk te wonen terwijl iedereen weet dat zo een fijne meneer in Leeuwarden gewoon als AOW-er  in een rijtjeshuis woont in een arbeidersbuurt en voor de show een Franse kentekenplaat over zijn Nederlandse heeft geplakt om voor ons Friezen interessant te wezen. 

Laat zo’n gast nou gauw naar Groningen gaan, daar trappen ze d’r misschien nog in!

Hoe geheel anders onze Johan Hanepik, een echte oprechte Fries! Hulpeloos, hopeloos, reddeloos, raadeloos en redeloos

Meestal kijkt hij wat wereldvreemd en vriendelijk met zzijn waterige ogen in het rond van achter zijn ronde brillen glazen en wacht reacties af, zoals ook tijdens de presentatie op de Fryske strjitte Boppe in AHOY in 2002, het hoogtepunt van Fria toen wij exposeerden in Rotterdam en grote successen oogsten bij het publiek met een houten kist waarin wij haver hadden gedaan. 

De toepasselijke titel van het kunstwerk was De bok op de haverkist, want wij zitten als Fryske Keunstners ook allemaal als bokken op de haverkist maar krijgen nooit de haver die wij verdienen daar die lui uit het Westen altijd voor gaan bij subsidies en beurzen.

Ononderbroken vertelt de anders zo stille en bescheiden Johan door en stopt daarmee ook niet als hij zijn werk pakt en doorgeeft aan zijn weinig opzichtige, bescheiden vrouw die het voorzichtig koestert als een kostbaar kleinood en in de aftandse bestelauto zet die betere tijden heeft gekend.

Tekenend is, dat hij na het beëindigen van zijn verhaal niet eens vraagt of iemand nog iets wil weten, maar gelijk weer gaat in pakken.

Uitpakken en inpakken, maar vooral afpakken en doorpakken; dat is zijn leven als kunstenaar, zegt hij want het is een ware martelgang geweest.

Verkopen doet hij bijna nooit iets.

Erkenning heeft hij buiten zijn vrienden van Fria nooit gekregen, galeries zien zijn werk niet zitten. Zijn vrouw verdient de kost in de schoonmaak branche. Hij spreekt liever over haar als milieu ambtneneresse dan als vullisman.

Hij voelt zich zwaar miskend als kunstenaar en vergelijk zichzelf graag met de grote van Gogh en vooral Rembrandt die volgens hem ook maar een eenvoudige klootzak was net als hij.

Soms noemt zijn vrouw hem een miskend genie als hij wweigert dee vullisbak buiten tee zetten driee trappen af.

Ondanks deze voor Johan en menig ander Fries artiest zo kenmerkende, schuwe, afwachtende, bescheiden, schutterige houding staan er na afloop van zijn verhaal meerdere mensen op die applaudisseren voor de onvervaarde artiest om daarna en petit comité onder glazen jenever met hem van gedachten wisselen en begrip voor de in het westen miskende kunstenaar tonen.

Met dezelfde droeve glimlach op zijn brede, bebaarde kaken en zijn lage voorhoofd, waarmee hij zijn verhaal begint, luistert hij naar de reacties en beantwoordt hij geduldig de vele  vragen. Degenen die zo geboeid luisterden dat zij on voldoende tijd kregen om naar het werk te kijken, krijg en ook de kans nog eens te kijken.

 

Het begon allemaal met een tekenleraar die rook alsof hij een kattenbak in zijn onderbroek met zich mee droeg

 

"Bij mij begon het eigenlijk allemaal in 1959," zegt Johan en kijkt dan vriendelijk op voordat hij aan zijn 'levensverhaal' begint. Zijn lagere school maakate hij na privélessen van Meester Droogbrood met veel moeite af. In dat jaar zat ik voor de derde keer in de vierde klas van de Ulo, zo heette dat toen, nu is dat de mavo zeg maar. 

In totaal heb ik acht jaar over de Ulo gedaan omdat ik leerproblemen had, daarom ben ik kunstenaar geworden want daar hoef je helemaal niks voor te kunnen, kijk maar naar Karel Appel en die tekenleraar Henk Pietersma of Rienk Kruiderink. Ik was toen nog een echte rocker met een grote vetkuif, een stiletto, een fietsketting en een buik schuiver (bromfiets, onder nozems gewoon, red.) In die vierde klas kregen wij voor het eerst een teken leraar-Meneer Heeresma uit Harkema- die had net de lager akte tekenen behaald en dat was al heel wat voor Friesland dat altijd al achter gesteld is bij het Westen waar alles kon en alles mocht op kunstgebied. Hij had lang gewoond in het dorpje Doodstil in Groningen. ook een man van weinig woorden die veel naar de horizon tuurde en tegen de wind in fietste waardoor hij zo’n doorgroefde tiepies Noordelijke Ouwe Rukkers kop had gekregen van de natuur. Misschien trok hij zichzelf wel veel af want hij was nooit getrouwd geraakt. Hij rook nogal uit zijn gulp. Het leek wel alsof hij een kattenbak in zijn onderbroek met zich mee droeg, maar dat mocht de pret niet drukken. Hij had een fiets met een leren gezondheidszadel, je weet wel, met zo’n gleuf er in voor de doortochtigheid. Het leer was groen en geel van de schimmel uit geslagen. Daarvoor hadden we nooit eerder op school tekenles of gimmestiek ge had. Je kreeg ineens echte moeilijke opdrachten die je moest gaan maken. Het scheen dat ik toen ook al een beetje opviel als kunstenaar in de dop omdat ik wat afwijkend deed, ze noemden me de gek van de klas, of in elk geval was het dat die tekeningen van mij min of meer herkenbaar waren. Ik ruilde met andere jongens namelijk wel eens een tekening voor huiswerk omdat ik moeite had met de exacte vakken maar ook de talen, geschiede nis, gymnastiek, biologie en aardrijkskunde. Er was nog sprake van dat ik naar een bijzondere school zou gaan voor moeilijk lerenden en andere kwaad willenden. Dan maakten zij bijvoorbeeld wiskunde of zoiets en ik tekende liever de tekenopdrachten, dat schudde ik zo uit mijn mouw, net als de Grote Rembrandt die wij allen wel kennen van De Nachtwacht. Als die jongen dan zo'n tekening van mij inleverde, met zijn naam erop dan zei de tekenleraar er altijd wat van, dan werd ie vreselijk pissig en ging tegen de hoek van de tafel aanrijden met zijn kruis dat wwond hem zeker op. Meestal zei hij direct: "Dat is een Johan Haantjes. Mij verneuk je niet, kleine klootzak!" Daarop riep zo'n jongen natuur lijk: "nee dat is een echte Fred van Beek meneer".

Zo ging dat dan even door: "Maar het ziet er toch echt uit als een echte Johan Haantjes, dat neukt niet zo lang je mij maar niet verneukt” en dan kreeg je een rotschop van hem onder je hol. Dat had die leraar dus wel goed gezien, lacht Johan, die zag mijn ongeëvenaarde beeldend talenten al vroeg. Na dat jaar op school tekende ik niet zoveel meer. Je ging werken op kantoor, bij de boer of in de bouw, dat deden we allemaal en dan kwam het er niet van. Je moest geld verdienen om naar de kroeg en de hoeren op de Weaze te kunnen want wie geen spikers heeft ken geen huis bouwen. Maar dat zou veranderen. Ik werd na zes maanden afgekeurd voor militaire dienst en dat zei al genoeg. Ik was zo gek als een draaideur, dacht  elfs nog even dat ik van de flikkerij was, dat was toen erg in onder artiesten. Wat geeft het: een gat is een gat. Of je ‘m nou in een wijf in de hooiberg stopt of in een kerel, als je maar klaar komt. Zo rond 1961 ging ik eens naar de kermis in Joure, dronk natuurlijk weer eens veel te veel en daar liep ik een vage kennis van me tegen het lijf. Het werd bijna knokken, maar we verbroederden al snel toen ik mijn Herder (knipmes, onder Friese boeren veelvuldig op de kermis gebruikt om twisten voor eens en voor altijd te beslechten, red.) liet zien en open knipte en gingen samen de kroeg in met de armen om elkaar schouders. 

Nee, dat had niks met de flikkerij te maken, gewoon met kameraadschap, mannen onder elkaar en staan voor hetzelfde doel, net als bij voetballen, dan springen ze elkaar toch ook in het kruis als ze een goaltje hebben gezet.

Ik liep na dertig pilsjes  spontaan daarna even wankelend maar luidkeels het Friese Volkslied zingend met hem op naar de bus en eer ik er erg in had, was ik opgenomen in een groepje echte Friese kunstenaars, die allemaal de hemel wilden bestormen, net als ik.

We liepen daar ineens met vier jongens en een van die vier jongens was Jan Tette Stroosma de neef van de bekende Leeuwarder kunstenaar Tsjibbe Strotsma.

Jan Tette zei: "Ik teken ook wel eens wat", ach, zei ik daarop, " Goeiemidje, ik teken verdulst ook nog wel eens wat." En toen, we waren weer terug gegaan, kijken naar de wijven en zo, de achtbaan in met een lekker stuk, je kent dat wel van de kermis, we waren na die achtbaan nog steeds rondjes op die kermis aan het rond lopen omdat ons geld al lang op was, en toen zei hij: "Laten we maar eens wat gaan doen met zijn tweeën dan komt het allemaal best goed, maar eerst naar de hoer’n voor de artistieke inspriratie, net als us Klaas Storteboom uut Garyp, die ouwe lul met die witte kop. 

Zo is van Gogh ook begonnen, die heeft zijn lul ook stevig kermis laten vieren in de Camarque, die stopte ‘m in elke Franse kaas die hij tegen kwam en anders roste hij wel een stokbrood een Frans kutje naar binnen, hahaha."

Zo is het eigenlijk gaan rollen, we zijn erover blijven praten en we besloten om met ons vieren ook anderen uit te nodigen zoals Janus Tetter, Stokker Strootsma, Jantsje Horzel, Tets van Ossewaerden, Rein Vellingast, Klaske Kinderman, Durk Overal, Sake Sakelijk, Sytze Sietsma, Wybren Oppedyk, Tietje Stoelinga, Boet van Dulst, Grytje Koopmansz, Oene Wiedzinga, Sjut Jalstra, Meindert Talsma, Oedze van der Veen, Wobbe Walstra, Sjut en beppe sizzer Jul Uttema, ArendJan Tuin, Gryt van Dulmen-Krumpelmann, Minne Minnertsga, Noni Nummedal, Doet Boersma, Miene Modderman, Tuths von Rooijen   en ik dus een atelier te huren aan de Oude Bildtdijk, dat kostte toen nog niks en hard aan het werk te gaan met teer, menie en zilververf op oude deuren smijten net als in Ik Jan Cremer dat had ik toen net gelezen en maar na deden omdat we dachten dat het zo hoorde als je beroemd wilde worden en vooral omdat we geen geld hadden voor linnen en verf, dat was voor de rijkeluis zoontjes of zogenaamde kunstenaars met een rijk wijf en een baan aan de Noordelijke Hogeschool, een eigen galerie en een groot huis, zoals die verschrikkelijke Fred van der Wal, maar we hadden toevallig nog wel geld voor kratten pils, ouwe klare, hete hoeren en zware sjek, dat hoorde nu eenmaal bij het kunstenaarsbestaan in die tijd. Je versleet je lul niet met pissen alleen. En anders haalden we de breekijzers uit het vet om de nachtelijke inklimming met wederrechtelijke ontvreemding en beroving weer op te pakken.

 

(wordt vervolgd)

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.