Gegevens:

Categorie:
Autobiografisch
Geplaatst:
22 augustus 2011, om 21:44 uur
Bekeken:
527 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
216 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Helena's onjuiste, simpele visie op het verzet WO II"


HELENA HEEFT EEN ONJUISTE, SIMPELE ZWART WIT VISIE OP HET VERZET WO II  (DEEL 2)

 

Enkele citaten uit het Historisch Nieuwsblad 2011 over de knullige , soms zelfs misdadige “heldendaden” van het verzet WOII in Nederland, een land waar iedereen na de oorlog verzetsdaden claimd, zelfs al hadden zij niet meer dan een eigenteelt sigaretje gerookt of stiekum naar Radio Londen geluisterd. Een zo’n verzetsheldin wees Duitsers in de jaren zestig van de vorige eeuw nog de verkeerde weg in Haarlem als posthume verzetsdaad.

 

Hoe zinvol was het verzet in de Tweede Wereldoorlog?

Het Nederlandse verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog was niet altijd zinvol. Sabotage, liquidaties en stakingen hadden zelden het gewenste effect. Bovendien lokten ze represailles uit, die onschuldige burgers het leven kostten. Verzetsgroepen kregen tijdens de bezetting kritiek van de bevolking, maar die werd na de bevrijding onder het tapijt geveegd.

 

(…) Bereikten verzetsgroepen met hun acties de gestelde concrete doelen: mensenlevens redden, het bezettingsregime verlichten of de vijandelijke oorlogvoering saboteren? Zo bezien is het beeld veel minder rooskleurig.

 

(…)‘Het lijkt voorstelbaar dat de verzetsnetwerken de aandacht trokken van de Duitse politie die deze bestreed en dat als gevolg hiervan ondergedoken Joden werden gearresteerd,’ zo schrijven Croes en Tammes.

 

(…)En er waren drie categorieën verzetsdaden waar van het effect niet alleen vaak twijfelachtig was, maar zelfs averechts kon zijn. Dat waren sabotageacties, liquidaties en stakingen.

 

Sabotage bleef in de eerste bezettingsjaren beperkt tot incidenten. Soms sneden verzets strijders telefoonkabels door of vernielden ze spoorrails, maar de hinder die ze hiermee veroorzaakten was snel verholpen. De NS-directie sprak dan ook van ‘sabotagegevallen welke alle een dilettantisch karakter droegen’.

 

Pleegden communisten op 7 augustus 1942 een bom aanslag op een spoorbrug in Rotterdam. Hun doelwit was een trein vol Duitse soldaten, maar zij doodden slechts een Nederlandse spoorwegbeambte. De volgende dag liet Christiansen bekendmaken dat, als de daders zich niet binnen een week hadden gemeld of met hulp van de Rotterdamse bevolking waren geïdentificeerd, een aantal gijzelaars in Beekvliet zou worden doodgeschoten.

 

Het bericht veroorzaakte grote onrust onder de Rotterdammers. Hun woede richtte zich tegen de verantwoordelijke verzetsstrijders. Een groep van 32 politiek onverdachte notabelen plaatste in de Nieuwe Rotterdamse Courant een oproep aan de burgerij om duidelijk uit te spreken dat zij de aanslag beschouwde ‘als een onverantwoorde daad die geheel onschuldige medeburgers in levensgevaar brengt’. Ook de gezamen lijke kerkenraden veroordeelden de aanslag, en in verschillende wijken werden handtekeningen verzameld om de verzetsactie af te keuren.

 

Najaar 1943. Communisten die zichzelf de Nederlandse Volksmilitie (NVM) noemden, staken op 13 oktober in Den Haag een opslagplaats voor hooi en stro van de Wehrmacht in brand. Een paar dagen later liep hun leider bij een politiecontrole tegen de lamp, waarna de verzetsgroep werd opgerold. Als represaille sloten de Duitsers ongeveer zeshonderd, grotendeels communis tische Nederlanders op in concentratiekampen.

 

(…)werden bovendien tweehonderd Joodse arbeiders met hun familieleden – in totaal meer dan achthonderd personen – opgepakt en naar Westerbork gevoerd. Een gigantische prijs voor een paar kuub vernietigd paardenvoer.

 

In de praktijk zijn de BS (Binnenlandse Strijdkrachten, een zzootje ongergeld dat nauwelijks met wapens om kon gaan)  amper aan vechten toegekomen. De politieke verschillen binnen het verzet bleken vaak onoverbrugbaar. Veel commandanten hadden het drukker met ruziemaken en eigen legertjes vormen dan met de werkelijke strijd. Dat had deels te maken met een nijpend tekort aan wapens, deels met een gebrek aan ervaring. De weinige guerrilla-acties die zijn uitgevoerd, maakten een amateuristische indruk. Zij droegen nauwelijks bij aan de geallieerde oorlogsinspanning, maar brachten wel onschuldige omstanders in gevaar.

 

De bezetter nam wraak op de bevolking van Putten. Op 1 en 2 oktober 1944 werden 661 mannen opgepakt en naar concentratiekampen gebracht; 522 haalden de bevrijding niet. Hetzelfde gold voor de twintig kampgevangenen die de kogel kregen na een aanslag op een seinhuisje bij station Amersfoort op 3 februari 1945. En voor de 263 gevangenen die hetzelfde lot ondergingen na een aanslag op 6 maart 1945 bij de Veluwse uitspanning De Woeste Hoeve op een Duitse auto. De overvallers wisten niet dat deze SS-chef Hanns Albin Rauter vervoerde.

 

Liquidaties. Net als sabotage leidden deze vaak tot wraakacties van de Duitse bezetter tegen weerloze burgers. Verzetsgroepen kenden de risico’s, maar gingen er lang niet altijd verantwoord mee om. Soms was een persoon zo gevaarlijk – voor de verzetsstrijders zelf of voor degenen aan wie zij onderduikadressen verschaften – dat liquidatie de enige oplossing was. Er waren echter ook groepen en individuen die onbesuisd mensen doodschoten en daarmee anderen in gevaar brachten.

 

Op 5 februari 1943 pleegden leden van de communistische verzetsgroep CS-6 een geslaagde aanslag op het leven van generaal Hendrik Seyffardt, de nominaal commandant van het Nederlandse vrijwilligerslegioen dat met de Duitsers vocht tegen de Sovjet-Unie.

De illegale krant Trouw keurde de aanslag af en sprak van ‘politieke moord’.

 

De mannen en vrouwen van CS-6 trokken zich hier niets van aan, en in de volgende maanden liquideerden zij meerdere hoge NSB’ers. De Duitsers reageerden met contraterreur.

 

De bevolking had dan ook weinig sympathie voor dit soort liquidaties, (…)

Toch gingen aanslagen op personen door tot en met de bevrijding – en zelfs daarna.

 

Zo zijn honderden onschuldige Nederlanders indirect het slachtoffer geworden van liquidaties. Daarnaast werden door sommige verzetsgroepen aanslagen uitgevoerd op onschuldige of ongevaarlijke burgers, bij vergissing of omdat er dubieuze motieven zoals persoonlijk gewin in het spel waren.

 

De acties die Willem Kicken, alias de Schrik van Vaals, uitvoerde in Den Haag leken bijvoorbeeld meer op roofovervallen dan op nobele verzetsdaden. Kicken en zijn adjudant Mullenders drongen ‘foute’ huizen binnen om geld en goederen te stellen. Wie zich verzette werd gedood.

 

Soms werden personen gedood die ten onrechte als vijanden werden aangemerkt, terwijl ze ongevaarlijk of zelfs ‘goed’ waren. Op 6 februari 1945 werd in Muntendam een man geliquideerd die hand- en spandiensten verleende aan een verzetsgroep die onderdeel was van de zogenoemde Landelijke Knokploegen. Het slachtoffer had zijn motorfiets uitgeleend aan een van de verzetsstrijders, die het voertuig vervolgens verpatste en het geld in eigen zak stak. Toen de eigenaar dreigde naar de politie te gaan, besloot de knokploeg hem te doden. Bij de liquidatie raakte ook een onderduiker in het huis van het slachtoffer zwaar gewond.

 

In Vleuten liquideerden onbekenden op 10 oktober 1944 een NSB’er die goede contacten onderhield met lokale verzetslieden en deze waarschuwde voor razzia’s. En op 5 april 1945 werd in Koog aan de Zaan een verzetsman door eigen mensen omgebracht, omdat ongefundeerde geruchten hem aanwezen als verrader. De daders werden na de oorlog veroordeeld.

 

Volgens de recente studie Recht op wraak. Liquidaties in Nederland 1940-1945 van Jack Kooistra en Albert Oosthoek hebben verzetslieden in totaal minstens vijfhonderd geslaagde liquidaties gepleegd. Eenvijfde daarvan viel in de categorie ‘bedrijfsongevallen, dubieuze aanslagen en misverstanden’. Zo werden boven op de indirecte slachtoffers nog eens honderd onschuldige mensenlevens verspild.

 

Volgens historicus en oud-directeur van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) Hans Blom heeft de Februaristaking er zelfs indirect toe bijgedragen dat de Joden vervolging in Nederland voor de Duitsers verder gesmeerd verliep.

 

Ronduit contraproductief was de laatste van de drie grote stakingen in Nederland: de Spoorwegstaking. In tegenstelling tot de andere twee was deze staking op 17 september 1944 uitgeroepen door de regering in Londen. Doel was het Duitse leger vleugellam te maken en zo de geallieerde aanval over de grote rivieren te ondersteunen.

 

Die aanval mislukte, maar de staking ging door. De Duitsers ondervonden er slechts een week lang hinder van. Met personeel van de Reichsbahn kregen ze de militaire transporten al snel weer aan het rollen. Wat echter stil bleef staan waren de treinen met voedsel en brandstof voor de Nederlandse bevolking. Daarmee was de Spoorwegstaking een van de oorzaken van de Hongerwinter.

 

HET VERZET ALS OORZAAK VAN DE HONGERWINTER

 

Vragen stellen naar de zin van verzet was na de Tweede Wereldoorlog lang taboe. Verzetsdaden tegen de Duitse bezetter golden per definitie als heldhaftig en zinvol. Tot de jaren zestig droeg de herinneringscultuur een nationalistisch stempel en concentreerde zij zich op de vermeende weerbaarheid en vrijheidszin van het Nederlandse volk.

 

Daarbij speelde een rol dat de herinnering aan de oorlog vooral levend werd gehouden door het voormalige verzet zelf. Comités van oud-verzetsstrijders waren verdeeld langs politieke lijnen, waarbij vooral de communisten een aparte groep vormden. Meer dan andere richtingen waren zij betrokken geweest bij sabotage, liquidaties en stakingen.

 

Over sommige – ongelukkige acties – zwegen de communisten na de oorlog liever. Zo weigerden zij verantwoording af te leggen voor de desastreus verlopen actie bij Putten. Toen het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD) onderzoeker Wildschut in 1947 naar het Veluwse dorp stuurde, stuitte deze bij de bevolking op boosheid richting het verzet. In zijn eindrapport schreef Wildschut: ‘Men concludeert derhalve: “De schuld van de ramp, die Putten getroffen heeft, berust bij de illegalen. Deze laatsten hadden zich moeten melden, dan was er niets gebeurd.”’ De betrokken oud-verzetsstrijders zwegen als het graf over de mislukte overval, ‘daar het leven te Putten voor hen anders ondragelijk zou zijn, zo niet onmogelijk’.

 

Dit leidde al in 1949 tot kritiek van de zionist Jo Melkman, die er in het Nieuw Israëlitisch Weekblad op wees dat de Februaristaking niet één Jood van de ondergang had gered. Bovendien hadden de Amsterdamse Joden daarna weinig hulp en bescherming gekregen van hun stadsgenoten.

 

Toch wordt het tijd een genuanceerde balans van het Nederlandse verzet op te maken. Daarbij moet allereerst worden erkend dat ‘het’ verzet niet bestond.

 

 

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.