Gegevens:

Categorie:
Autobiografisch
Geplaatst:
7 maart 2011, om 09:58 uur
Bekeken:
612 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
376 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Messsage uit m´n artistieke leven"


WAT DIE FRED VAN DER WAL ALLEMAAL IN HET GEHEIM HEEFT UITGEHAALD…

 

We ontmoeten elkaar in de sociëteit Arti et Amicitiae aan het Rokin op een bewolkte herfstmiddag te Amster dam. Frank Forrest, bruinverbrand, lang blond haar, leren jasje, t-shirt, Ray Ban zonnebril, lacht en praat veel. Net terug van Ibiza, het befaamde druipers eiland, waar regelmatig de hele Amsterdamse geslachtszieke artistieke sien met aan- en inhang komt uitpuffen en hun aan een slordige levenswijze te danken inherente ziektekiemen wijd en zijd verspreiden, zoals het de doorsnee internationale artiest van het slappe koord in kunsthistorisch opzicht betaamt. Denk maar aan, de syfiliet Gauguin, de tb lijer Modigliani, die syfilislijder Van Gogh in zijn gekte, De Ongezalfde Heilige Van Het Bloedende Oor, die rooie mafketel met zijn domineesbevliegingen en zijn waanzin. Gotsalmeliefhebbe als je zo moet leven als kunstartiest!

 

“Veel geblondeerde met goud omhangen zonnebankbruine heren met strakke leren broeken gezien, die hand in hand stilzwijgend langs het Ibicenzer strand wandelen met de lange, valse wimpers koket knipperend in de warme avondzon van eind september net een paar Ibicenzer staartloze hondjes, dat vinden mannen die van mannen houden nu eenmaal mooi. Als iets op geilt, breek me de bek niet open, ik heb me toch een verleden, heden en toekomst achter de rug…” deelt de kennelijk bisexuele Frank vrolijk mee aan het gezelschap dat aan de bar zit.

 

Meestal is hij de zwijgzaamheid zelve maar nu gaat hij los op volle toeren. De op het eerste gezicht vriendelijk ogende marathonloper Martin Welman achter de bar luistert aandachtig mee als het volume van de conversatie door het enthousiasme regelmatig boven het geroeze moes van de andere zwaar bebaarde en behaarde kunstzinnige gasten uit stijgt. Hij zou er boeken over vol van kunnen schrijven met hetgeen hij alle maal aan de bar hoort. Zelfs over de in- en inkeurige, beschaafd ABN sprekende Fred van der Wal heeft hij zo zijn scabreuze anecdotes voorhanden. Wat die niet allemaal in het diepste geheim uitgehaald heeft moet voorlopig maar geheim blijven.

 

Twee heren aan de overkant van de bar ver kondigen op luide toon hun voorkeur voor mannen met dikke lippen. Een zeer middelbare vrouw aan de bar, een gezette, blozende bollen wangen hapsnoet met een pa relketting om, lepelt gulzig een kom kippensoep leeg op hoorbare wijze. Het lied van het varkenshok. Wij herkennen in haar de stoege Friezin Mareike, de onbegrepen kunstenares, die altijd alleen aan de bar zit en volgens beeldhouwer Ger Zijlstra nog steeds niet weet of ze voor de lesbische of heteroseksjuwelen wijze van omgaan met de naaste moet kiezen. Waar zit Mareike? In het varkenshok. Je herkent d’r aan d’r wollen muts. Frank Forrest heeft geen moeite met de seksjuwelen keuze; verstandigerwijze neukt hij van huis uit alles wat hij lekker vindt. Man of vrouw, meisje of jongen. Waarom zou je de helft van de bevolking bij voorbaat uit sluiten? Mag een gezonde Hollandse jongen zelf kiezen met wie hij een over en weer democraties besloten wederzijdse wip in bilateraal overleg op het overlegplatform met een man of een vrouw gaat maken? Nou dan!

 

Zo nu en dan komt de aantrekkelijke, Italiaans ogen de, donkerharige, discrete Ria even binnen. Een klassiek ogende schoonheid zonder een zweem van aanstellerij zoals onder de dames en heren artiesten van Arti et Amicitiae bon ton is. Ze spoelt een dozijn bier glazen geroutineerd om of geeft nauwelijks hoorbaar op uiterst beschaafde, welluidende toon instructies aan de bierwacht die net onder de tap bezig is met de koppeling van een koperen bierleiding aan te schroeven omdat er al twee dagen geen druk op de slang staat van het koolzuurvat en wisselt blikken van verstand houding met haar altoos glunderende echtgenoot, die aardig in zijn nopjes lijkt.

Ria is in het zwart gekleed. In elk geval een kleur die haar flatteert. Ik houd van zwarte kleding. Ook Gothic heeft mijn belangstelling. Volgens bepaalde ouderwetse kunstschilders zijn zwart en wit geen kleuren, maar laten ze maar eens naar zichzelf kijk en met hun paarse drankneuzen, bleke bespataderde poten en knalrode hoge bloeddrukdrankkoppen. De schuine Baskische muts of baret op de lange witte meidenlokken, zoals Henk, de joviale, verkalkte kunstkop van de Rietveld akademie. Een haardracht die een gedateerde, slordige en onverzorg de aanblik geeft. Representant van een achter haalde vorm van het kunstenaarschap.

 

Aan het biljart staan vertegenwoordigers van de grijze golf de pommerans met blauw krijt kunstzinnig in te kleuren. Kunstenaarsvreugd. Op de slang van deze heren staat zeker geen druk meer gezien de leeftijd, daar is alleen maar slapte aan de beurs. De overwinning der impotenten. De laatste verloren slag in het gevecht tegen het leven. De AOW gerechtigde prostaat club van gefrustreerde artistieke kankeraars komen hier hun zakcenten op maken. Het genitale spel met de korte keu en de ballen zijn ze al lang vergeten. Niemand let op deze luidruchtige bejaarden die zich met schorre stemmen schier onverstaanbaar alleen verbaal nog enigs zins kunnen laten gelden. De tijd dat ze alles wat los en vast zat aan vrouwelijk schoon op de bar krukken van Arti tussen twee pilsjes door neukten en naai den op de toiletten in de gang, zo heftig dat de stenen uit de vloer los raakten en de toiletpot op artistieke wijze met passie uit de grond werd gerukt, ligt ver achter ze. Bezadigd zijn ze wel. Verzadigd niet. Op zwart zaad zitten ze ook niet omdat ze van Drees trekken. En zien wij niet daar het befaamde kunstenaarsduo Zwakman en Zwedsinga met hun fantastische moyenne over drie banden weer eens een fabelachtige stoot weg geven en tegelijkertijd naar de hartstreek grijpen dankzij de veel te lang doorgekookte zwarte koffie van gisteren en de opwinding om wat niet is en nooit zal worden? In het spel van de korte keu en de twee ballen zullen zij nooit meer een geweldige stoot weg geven. Biljarten is compensatie voor impotentie. Een debiele sport voor gepommadeerde naar Boldoot geurende pensio nados met een overmaat aan vrije tijd. En hangt daar niet de Zwitserse koekoeksklok Paul met zijn wegens veelvuldig gebruik defecte koekoek en een grauwgrijs paf ferig gelaat als een dronken schildpad aan de bar? Een gelaatskleur die volgens mijn goed vriend Karel van W., internist, op nierfalen wijst. Of is het de labiele, doch heel aimabale egotripper Theo Daamen, die nog steeds Peter Vos poogt te imiteren?

 

Het beheerders echtpaar Welman-Stork zijn als tolerante horeca veteranen wel wat gewend van de vrijge vochten, artistieke bezoekers en praatjesmakers, die niet zelden na twee uur ’s nachts op de biljarts onder in vloed van alcohol liggen te neuken in duo, trio of quatro verband en de volgende ochtend weer voor de zo veelste keer nog half bezopen als notoire besmetbakken naar de lullensmid moeten om hun gehavende genitale gereedschap te laten repareren op ziekenfondskosten.

“In de revisie gooien” noemen de ruim denkende artiesten het met als vooruitzicht dat volgend jaar alweer de ziekenfondspremie omhoog gaat dankzij de artistieke inspanningen van onze vaderlandse, zo zorgeloze cultuurdragers op het genitale vlak. Ik ben er altijd zo op tegen geweest om je maar met iedereen genitaal af te geven. Dat kan gewoon weg niet gezond wezen!

 

Hoe meer zielen, hoe meer vreugd is ook het devies van het jonge bestuur als van de sociëteits beheerders, want omzet moet er gedraaid worden om de tent open te houden. Een horeca onderneming is geen liefdewerk oud papier, maar hard werken en veel gelul aan horen van de doorgaans zelf ingenomen kunstenaars die op kosten van de subsidies en de kunstenaarssteun zich het schompes zuipen om ladderzat waggelend naar de sociale huurwoning drie hoog achter in oud west terug te keren.

 

Frank tempert zijn stem als hij merkt dat de aandacht op hem gericht is van bekenden en onbekenden, zoals de altijd verongelijkt kijkende journalist Henk Hofland, de huilerige, pardon, in- en ingevoelige illustrator T. met zijn culturele cous cous kop en slordig bijgepunte bef snor en een onbetrouwbare, nerveuze oogopslag ogend als een Turk se gast arbeider uit de vier ploegendienst en de gemelijk kijkende in de bleekwater gevallen museum directeur Tijmen van Grootheest met zijn grote bleke kop als een te vroeg uit de bakpan gehaalde pannekoek. Nee, een lust voor het oog zullen de habituees van Arti nooit worden

 

Franks stem daalt nu zelfs tot fluisterniveau en hij excuseert zich op gedempte toon: “Ik lul maar raak. Ik weet het. Ik sla vaak nonsens uit. Ik kan niet anders. Ik ben een beroeps ouden hoer. Als kunstenaar dan. Het is mijn makkes. Ik moet mensen schofferen. Soms weet ik niet meer wat ik tegen wie gezegd heb, dan lul ik recht wat krom is en vice versa.. Ik ga in ge sprekken veel te snel met de billen bloot omdat ik  een gedragsgestoorde exhibitionist van het zuiverste water ben, dat schijnt een ernstige afwijking te zijn.

 

Ze zeggen het zo vaak tegen me in de kroeg als André Hazes door de zaak klinkt, dan vragen ze weer: “Kan je nou niet vijf minuten even je bek houwen? Je lijkt wel een oud wijf, kolere lijer! Solliciteer je soms naar een stoot voor je eikel? Kon jij maar zo zingen als André dan had je het heel wat verder geschopt!”

Ik kan er niks aan doen. Ik zou wel willen, maar ik kan niet. Ik ben er voor behandeld. Zonder resultaaat. Ik heb namelijk net een paar pep pillen genomen, dan ga ik helemaal los. Ik blijf maar door ouwe hoeren in het wilde weg. Ik noem die pillen papegaaienpillen. Je lult daardoor aan één stuk door achter elkaar. Ik ben eigenlijk ook een papegaai, maar ben mijn kooi kwijt. Symbolies, hè? Misschien moet je als kunstenaar wel alles kwijt raken. Als ik te ver ga of te intiem word tegen je, moet je het maar zeggen of me een tik op mijn jatten geven. Ik kan mijn handen altijd slecht thuis houden als er een lekker wijf in de buurt is, daar ligt het allemaal aan. Het is een otomatiese refleks.

Ik val op vrouwen die verbaal begaafd zijn en een eigen verhaal hebben. Zoals Isis Nedloni. Daar laat ik mij graag door onderuit lullen. Aan de voeten van de Meesteres is het goed toeven, hè. Niet dat ik mij iets aan trek van commen taar, maar voor het geval dat… meestal neem ik er nog een snuifje over heen, dan heb ik de hele dag een lul als een kanon van hier tot Tokyo, daar zijn mijn vriendinnen Catharina en Yvonne heel blij mee als ik langs kom, als spuitgast van de vrijwillige brandweer om hun vuurtje even te blussen met mijn dikke slang en de hoge druk spuit. Zo houd je de vrouwtjes dik tevreden met zo’n verrassing, want die willen ook wel eens wat. Het is weer eens wat anders dan een bos warme rozen, die ruiken, maar die kunnen ze niet in hun tumtummetje stoppen zonder ze water te geven. En rozen hebben dorens, dat voelt niet goed in de tere weefsels.

 

Heb je dat programma over die stokstaartjes nog ge zien? Ik ken een Groningse schilderes, Hilda, die teken de stok staartjes in Ouwe Hands Dierenpark. Ze is fantas tisch. Ik heb nog nooit iemand een rozentuin beloofd, ook niet in een dierentuin en niet aan Hilda,die in Ouwe Hands stokstaartjes zat te tekenen. Die rozentuin van mij is meer een zandwoestijn. Ik ken een Groninger kunstenaar, ik mag zijn naam niet noemen,maar die is door zijn benauwde geloof zelf net een stokstaart je. Stijf gereformeerd. Stokstijf. Daar heb ik niks mee. Ik wil reuring in de tent. Je moet toch wat in het leven, want dat duurt maar even…Het leven is een eenmalige aanbieding en wordt niet in de uitverkoop gegooid als het aan mij ligt,” zegt hij mistroostig.

 

Hij wijst naar buiten waar lijn negen net voorbij rijdt.

“Hier in de buurt, op vijftien minuten loopafstand van het Rokin heb ik twintig jaar geleden mijn absolute glorietijd gehad. King of the beats, weet je wel en dat is heel wat anders dan King of the beat, want daar zit geen muziek in. Ik was een van de eerste pleiners. Eigenlijk de allereerste pleiner. De Oerpleiner bij uitstek, nog voor er pleiners waren. Ik heb het plein gemaakt. Uitvinder van het Bare Footen was ik.

Het plein heeft mij gemaakt en daarna heb ik het in up tempo zien veranderen maar ik ben niet mee veran derd. Het ging mis toen bekakt pratende, lullige corpsstudenten en akademie leerlingen van de Rijksakademie het plein ontdekten als sexuele speeltuin, toen was voor mij de sjeu er af. Zelfs die van zijn gereformeerde geloof afgevallen luldebehanger Rob de Nijs liep op zaterdagavond op blote voeten Reynders binnen. Barefooting, noemde hij dat, maaar dat had hij vaan mij over genomen. Niet origineel; hij had ’t weer gepikt van een popsong, beweerde hij. Hij dacht dat ’t er bij hoorde om zo nu en dan Jezus sandalen te dragen.

Op zondag mocht hij nooit van de dominee naar de kroeg. Keurige jongeen mmeet dat spleetje tusssen zijn tanden. Ijdel. Zat vaak zijn haar te kammen en spiegelde zich in de spiegelende glazen van mijn zonnebril die ik tot diep in de nacht droeg om interessant te wezen en te kijken of zijn kuif wel recht stond.Het enige dat hij mee had gemaakt als leerling van de gereformeerde driejarige HBS was de regen die zachtjes op zijn zolderraam tikte en daarna zette hij een kaars in de vensterbank. En waarom in Godsnaam? Mijn toenmalige gepassioneerde minnares Els heeft bij hem in de klas gezeten en vond hem een lulletje.

 

Ik woonde naast de altsaxofonist Henk van Es, die op woens dagavond altijd een jamsession had op de eerste etage boven de antiekwinkel van Bartje Bakker in de Nieuwe Spiegelstraat 50. Horen en zien vergingen je als hij met zzijn alt sax harmonieleer aan het oefenen was, dat deed hij met zijn hele lijf. Stampen op de maat op de vloer met zijn schoenmaat 52. Enorme kanos liet hij zich aan zijn poten aangieten bij de schoenenreus met hoefijzers er onder. De schoenen schimmelden onder zijn poten weg omdat hij zweetpoten had. Het was slechte namaak wat hij speelde. Achterhaalde bop clichés. Charle Parker in zak formaat, maar dan zonder talent, zonder formaat en zonder zak. Een Oostenrijks blaaspoepen orkest in vetleren korte broeken was er niks bij. Ik vond Charlie Parker toch altijd van die droefsnoeterige kolere zenuwelijersmuziek voor studenten en die gemankeerde auteur Henk Romijn Meijer, die altijd met hoofdpijn was.

Ik ging meer voor Rock and Roll en Blues, maar ook van Eric Dolphy, Thelonious Monk, Jimmy Yancey. Henk heeft toen nog een half jaar moeten zitten omdat ze een tiende gram marihuana via een miscoscoop in zijn broekzak vonden op het bureau Leidseplein. Hij is verlinkt door de eigenaar van de Vana kruideniers winkel aan de overkant op de hoek Kerk straat Nieuwe Spiegelstraat. Een kleine neringdoende met een NSB verleden en een geel perkamenten huid. Die uitgedroogde Vana man in zijn stofjas nam via een verrekijker aan stoot aan hem , als hij met een plestik gietertje de zes weed plantjes water gaf op het platte dak van de winkel van zijn moeder, Bartje Bakker.

 

“Henk is gek”, zei zijn toen nog heel slanke zuster Ada altijd en nodigde mij daarna uit om mee naar Zuid Frankrijk te gaan om een paar kubieke meter glas werk van Lalique in te slaan. Ik wist niet eens wat Lalique was en Henk was helemaal niet gek, die had net als ik de kweek school voor onderwijzers gevolgd, was naar Parijs gelift en ging voor een paar rotcenten met homos mee om te kunnen vreten. Niks op tegen. Het vreten gaat voor de moraal. Voor een belegde boterham spuugde hij in een liefhebber zijn bek, dat vinden die Franse intellektu welen lekker. Nu is Ada een even vet mormel als haar moeder indertijd.

Als je een meisje leuk vindt, moet je eerst maar eens goed naar haar moeder kijken, dan weet je hoe ze er later uit zal zien. Zei Nietzsche dat niet, die ouwe rukker met zijn syfilis? Nou, dan hoef je niet meer. Gelukkig ben ik gezond van onderen na die spuiten antibiotica tegen een resistente druiper, die ik had opgelopen bij een veneries wijf in Haarlem in 1968, maar ik liet het gelijk repararen.

Ada ging om met een oom van de surrealistische schilder Chris v. G, die volgens Chris samen met de plat pratende patates fritesboer Hans in dameskleding ‘s nachts in het Amsterdamse bos rond liep op zoek naar bronstige soortgenoten met een broek vol liefde en als ze niemand tegen kwamen, werd het de wederzijdse handjive, dan vergrepen ze zich aan elkaar met een hete gulp. Ik begrijp daar niets van; toen ik als tiener lingerie aan trok ging ik van uit Frank rijk echt niet naar het Amsterdamse bos. Hooguit naar het Bois de Boulogne in Parijs waar al die ZuidAmerikaanse travestieten en transseksuelen trachten te scoren, daar was het een dolle boel. Hoeveel mannen dragen geen lingerie of een koket riemenpakje onder hun confectie pak? Hoevelen zitten een directie vergadering niet uit op een butt plug? Zo lang je haar maar goed zit! Ik kende een directielid die een vergadering moest leiden maar zijn oorbellen vergeten was af te doen, die heeft toen nog flink promotie gemaakt.

 

Ik behoorde eind jaren vijfig tot de eerste groepje mensen die onder leiding van akela Simon Vinkenoog stickies rookte toen nog niemand dat deed. Ik ruilde wel eens een blues Elpee uit de Checkers serie om voor een stickie. Eigenlijk zondegeld. Die Elpees zijn nou Collectors’ Items. Of we braken in bij een apotheek.

Ik ging met de Haarlemse Hanneke E. regelmatig op stap stuff halen in Amsterdam bij een stel halve zolen die bij de ABN bank bij het Leidse plein hun jeugdhonk in een portiek hadden. Hanneke. Een mooi, slim Joods meisje met lang zwart haar. Ze ging om met een lullige student psychologie. Hij probeerde als simulant de militaire dienst te ontlopen. Hij zou ze wel even piepelen als psycholoog. Het omgekeerde gebeurde. Ze piepelden hem. Hij heeft de volle achttien maanden uitgediend als soldaat eerste klas. Je moet net zoals Fred van der Wal van goede huize ko men om het op te nemen tegen het militaire kader. Al die knulletjes uit Haarlem zouden er wel even voor zor gen dat ze binnen een dag de dienst uit werden gebonsjoerd. Alleen mij lukte dat moeiteloos, maar die is dan ook een genie en spijkerhard, ondanks dat hij bij voorkeur in een bustehouder, nylons, jarretel gordel, tanga slipje, onderjurk en op pumps door het leven walst. Het was in de tijd dat de bassist van het Pim Jacobs trio door die vreselijke trut Rita Reys de combo uit werd gezet om dat hij een stick rookte in de pauze als ze optraden, dat gaf hem inspiratie, maar dat mocht niet van die dikke stoot Rita Reys die niet kon zingen en zich de Nederlandse Ella Fitzgerald noemde.

 

Ik heb de tijd nog mee gemaakt dat er niet gedeald werd. Je deed het gewoon uit vrienden dienst. Het was een sport. Het had ook iets idealistisch. Je zette je er mee af tegen de burger maatschappij. Avantgarde was het. Je deelde alles wat je had met elkaar, je stuff, je poen, maar ook je lichaam. Dat sprak vanzelf, daar werd niet over geluld. Terra incognita bestond niet in onze ruime opvattingen. Wij kotsten op de hard werkende, bleke kantoorlui, die om vijf uur ’s middags op de Fongers fiets massaal naar huis reden. En kwam er een paar kilo weed aan met een schip uit Verweg gistan ging dat in een Telegraaf krant recht door naar de Cotton Club op de Nieuwmarkt en dan maakten wij dat schoon, samen met Martin Sterman, de eerste beroepsneger van Am sterdam, die toen nog op een woonboot woonde waar half hip Amsterdam rond hing. We stopten het spul in lucifers doosjes en verkochten dat aan een kleine, selecte kring van liefhebbers voor een paar joetjes per stuk, daar verdienden we flink op want voor niets gaat de zon op en treedt een bij stands uitkering in werking.

Simon Vinkenoog was een van onze vaste klanten en de graficus Robbert uit Haarlem, die zijn burgermansbaan had opgezegd om voor kunstenaar te gaan spelen, twee keer in de bajes terecht kwam, al die Haarlemse contraprestatiekunstenaars waren de hele dag zo stoned als een garnaal, die zaten hele zomers op het strand en in het kielzog daar van heel wat leerlingen van de kunstnijverheidsschool, die hadden meestal een rijke pappie en mammie en een flinke toelage, dus die kochten zich ongans aan weed, pep en LSD trips om ook mee te doen. Heel wat van die Haarlemse nep- en namaak kunstenaars waren vaste klant, die hadden toch niets anders omhanden dan de hele dag op het strand te zitten roken, want kunst maken, nee, dat deden ze niet, dat was niet hip. Ze leefden van de riante kunstenaarssteun, zoals dat weke chirurgen zoontje Remco met zijn van oud roest in elkaar geknutselde vullis belt plastiekjes of die halve zool Hannes met zijn debiele kinderen en een hele stoet beroepswerkeloze para sieten die daar omheen hingen.

Hannes noemde zich in navolging van Johnny van Doorn Electric Jesus. Alles in Haarlem in de artistieke sien was imitatie. Ook veel moderne jazz lief hebbers uit Ekestos, een sociëteit in Haarlem vlak bij het station, waren vaste klant bij mij. Die rechercheurs, dat zootje stelde niks voor, die leefden nog in de tijd van Swiebertje en Bromsnor, die deelden bekeuringen uit aan kleine jongetjes die op straat voetbalden of op het gras liepen. Die juten waren gevormd door vijf jaar nazi bezet ting, net als mijn ouders, die slechts zes jaar lagere school hadden genoten, waar ze elf jaar over deden en na de oorlog sterke verzetsver halen ophingen, maar in werke lijkheid stiekeme, achterbakse collaborateurs waren. Die politie agenten werden pas wakker toen ze die film The Man With The Golden Arm hadden gezien, dat sprak tot de verbeel ding van die sufkut ten. Een rolprent over een heroïne verslaafde en daarna hebben ze op het buro met veel moeite en een woordenboek een Ame rikaans boek van Burroughs gelezen over verdovende middelen, die schrokken zich een hoedje en dachten: Hé, dat zou hier gotdomme in Amsterdam ook best eens kunnen gebeuren onder al die artistiek lui van het Plein en als wij daar achter aan gaan maken we in no time promotie bij meneer de commissaris en zitten we een loonschaal hoger als brigadier! Ik geloof dat die meneer Houws ma of Helmantel heette, een Groningse boerenlul, die nog nooit verder gekomen was dan Roodeschool of Wester emden. Uit Groningen en Friesland kan natuurlijk ook niets goeds komen. Je hebt van die kunste naars die mislukken in het westen des lands en gaan dan met hangende pootjes terug naar het Groningse platteland. Een zwaktebod. Dat kan nooit echte kunst opleveren. In het Noorden des lands heerst een laf kunstenaars klimaat. Dat komt door die eeuwige wind die daar waait, daarom hebben ze van die griffer meerde, gemene, vertrokken rukkerskoppen met bef baarden. Sukkels zonder sokkels zijn het.

 

 

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.