Gegevens:

Categorie:
Geschiedenis
Geplaatst:
20 augustus 2019, om 14:43 uur
Bekeken:
16 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Gerontion"


Hier ben ik dan, een oude man van drie-en-tachtig, die wordt voorgelezen door een jongen. Met haperende stem, dat wel, maar Hans doet zijn best. Soms kan ik mijn gedachten er niet bij houden als hij weer eens in zo’n lastig woord blijft steken: contreien of catechisatie. Alsof er een visgraat in z’n keel zit. De sketch voor het studentencabaret die hij samen met Ronald had opgevoerd. Nou ja, Hans hoefde alleen maar op de bühne te staan en de monoloog van Ronald aan te horen. Dat hadden ze van Toon Hermans afgekeken, die ook zoiets deed met een man waar hij tegenaan lulde terwijl de ander maar wat stond te knikken. Hans had dus niets hoeven te zeggen. Dat was maar goed ook; dat had hij ook niet gekund met z’n gestotter en z’n gestamel. Net als die twee halfnaakte, heupwiegende meiden op de achtergrond die hoertjes moesten voorstellen, hoefde Hans er alleen maar te staan.

Ronald, de veel bewonderde, toekomstige cabaretier, moest het in zijn eentje maken met zijn leugenachtige monoloog. Die had hij helemaal van buiten geleerd. Het stuk was als laatste sketch opgevoerd in het buurthuis, dat de studenten speciaal voor die avond gehuurd hadden.

Monoloog

O, ook goedendag, uh, meneer Akkerman. Ik had u niet zo gauw herkend. Ik dacht al, wie groet mij daar. Ja, je verwacht het niet he, een bekende tegen te komen in deze contreien. Ik bedoel... dit gedeelte van de binnenstad waar de, uh, prostitutie welig tiert. O, u heeft uw kantoor om de hoek! Dat wist ik niet. U zult wel denken, wat doet dominee Bijlsma hier in hemelsnaam. Net bij een van deze dames vandaan. Nou, het is allemaal wel heel anders dan het er op het eerste gezicht uitziet, hoor. Het zit namelijk zo... Nee, nee, ik wil het u echt even uitleggen, alle misstanden uit de wereld helpen, ik bedoel misverstanden. Het zit zo... Ik ben al tijden op zoek naar een zekere jongedame, een kennisje van vroeger die nog op catechisatie is geweest bij me, de Heidelbergse, weet u wel, en die nu tragischer wijze het verkeerde pad in het leven heeft gekozen. Deze, uh, Monique nu, zo is mij onlangs via ter ore gekomen, is recentelijk in deze buurt gesignaleerd, achter een van die ramen gezeten. Nu probeer ik haar hier te vinden om haar over te halen met Gods hulp op haar schreden terug te keren. Naar haar ouderlijk huis, op het platteland. Ja, inderdaad, net wat u zegt, een intrieste zaak. Ik kende haar ouders heel goed. Uit het dorp waar ik destijds als hulppredikant ben begonnen. Een veelbelovende meid die theologie wilde studeren aan de universiteit. Maar ze kon het leven eenvoudig niet aan. Eeuwig zonde. Maar zo’n jong iemand laat je toch niet stikken? Zo iemand steek je toch als het enigszins kan een helpende, en met Gods hulp wellicht reddende hand toe? U zag mij daarnet uit dat pand komen waar ik navraag heb gedaan omtrent, uh, Annemiek Nee, nee, u heeft er als ouderling van onze kerkgemeenschap alle recht toe te weten wat voor vlees er in de kuip... te weten dat de kersverse dominee geen man is van vreselijke... uh, vleselijke lusten. Ik bedoel maar, ik doe gewoon mijn pastoraal werk als ik soms tracht een der verloren schapen terug te brengen naar de veiligheid van de kudde... de kudde Gods... Wat zegt u? Mijn gulp nog open? Inderdaad. Dan zal ik me even moeten, uh, fatsoeneren. Dat is ook toevallig. Heb ik vanmorgen zeker verzuimd. Tja, daar let je als man niet altijd op, he. Mijn vrouw, toen die nog leefde, lette daar altijd speciaal op. ‘Hendrik,’ riep ze dan als ik op het punt stond het huis te verlaten op weg naar mijn parochieleden of op ziekenbezoek, ‘zit je das recht, is je rits dicht, heb je een schone zakdoek bij je?’ Enfin, u kent dat wel. Maar ik mag u niet langer ophouden. U gaat die kant op? Ik moet deze kant op. De openbare bibliotheek. Ik wou nog wat opzoeken in verband met de preek voor zondag. O, en als ik nog zo vrij mag zijn een, uh, beroep op u te doen... Zou ik u mogen vragen de overige leden van het kerkbestuur niet in te lichten over, uh, onze toevallige ontmoeting hier? Het zou aanleiding kunnen geven tot valse geruchten omtrent mijn persoon. Nog niet iedereen in de gemeenschap kent mij even goed, daarvoor is het nog te kort sinds mijn benoeming. Tot zondag dan, De groeten aan uw vrouw. En, uh, zou u haar er ook buiten kunnen laten? Zij en de overige dames zouden het waarschijnlijk niet begrijpen... Welnu, ik geloof dat ik mijn zoektocht naar, uh, Annelies voor vandaag maar opgeef. Tot ziens.


Na afloop werd er enthousiast geklapt en geroepen. Naast me scandeerden jongelui: ‘We want more, we want more!’ Ik had het niet goed verstaan en had ook maar op z’n Gronings meegeroepen: ‘Wie vond’nt mooi, wie vond’nt mooi!’ Daar heb ik mezelf eigenlijk wel een beetje belachelijk mee gemaakt; de studenten om me heen begonnen om me te lachen toen ze me hoorden roepen: ‘Wie vond’nt mooi!’ Maar ja, wat wil je, Engels heb ik nooit geleerd en m’n gehoor is ook niet meer wat het was.
Tja, ik riep altijd maar mee, ook al begreep ik zelf niet altijd waar het om ging. Bij stakingen bijvoorbeeld, in de crisistijd voor de oorlog. Dat gaf niets, dat was niet zo erg. Maar in de jaren daarna toen het er wel op aan kwam, toen anderen ‘Heil Hitler!’ riepen, toen heb ik m’n mond gehouden. Je kon toen op je klompen aanvoelen dat er iets mis was.
Bij de bevrijding heb ik weer kunnen schreeuwen en juichen, toen de Canadezen in hun jeeps zegevierend de stad binnen reden. Toen heb ik m’n longen leeg geschreeuwd, daar in de juichende menigte op de hoek van de Ubbo Emmiussingel en het Hereplein.
Maar toen ik verderop tussen de mensen een paar van die meelopers van de moffen herkende die nu om het hardst meeschreeuwden, werd ik bijna ziek van woede. Ik ben toen maar naar huis gelopen, naar de straat die een paar weken tevoren nog de D. De Vrieslamstraat heette, maar die nu weer gewoon de Jozef Israelsstraat genoemd werd, hoewel het oude naambordje nog niet teruggevonden was. Ook de Rosensteinlaan had nu weer zijn oorspronkelijke naam terug, de nare collaborateursnaam die hij een paar jaar had gehad, ben ik nu alweer vergeten.
Hans heeft het cabaretstukje thuis nogmaals aan me voorgelezen. Hij gaat vooruit. Een jaar geleden zou hem dat niet zo goed zijn gelukt. Oefening baart kunst. Net als vele stotteraars wil hij eens van zich laten horen, liefst op de bühne, net als Ronald, een stukje kunnen voordragen of een toespraak houden. Het is zo’n aardige jongen. Wat vroeg hij me laatst ook weer? O ja, welk levend wezen loopt `s morgens op vier benen, `s middags op twee benen en `s avonds op drie? Hij liet me daarbij een reproductie van een oude man zien die met een stok loopt. En ik wist het! ‘Dat ben ik,’ zei ik. Ik had mezelf in de afbeelding van de oude man herkend. Zo zie ik er nu zelf ook uit, van de rug af gezien. Met stok. De naam van de kunstenaar sprak me ook aan: Werkman. Ik ben zelf ook altijd werkman geweest, timmerman. Dit zijn echte werkmansknuisten. Als ik zo’n studentje de hand schud, voel ik altijd een week handje dat ik zo zou kunnen verbrijzelen. Zelfs als oude kerel van drie-en-tachtig.
Ja, opa heeft heel wat meegemaakt, daar vertel ik ze wel eens over. De crisisjaren, toen je soms niet wist waar je je volgende maaltijd vandaan moest halen. Als de arbeiders protesteerden stuurden de hoge heren de politie erop af. De oorlog. De bevrijding. De wederopbouw. Dat was een goede tijd voor timmerlieden, de jaren vijftig. De hele noordkant en oostkant van de Grote Markt was in puin geschoten. De winkelkant, van Burmann tot V & D, allemaal weg. En op de plek waar nu de studentensoos Vindicat staat, daar heb ik ook nog gewerkt. Daar is toen nog die spijker tegen m’n oog gevlogen waardoor ik nu nog maar een goed oog heb. Het beruchte Scholtenshuis had er gestaan, een nare plaats. Toen we daar toen als bouwvakker werkten, was het of we het leed van degenen die daar gemarteld waren nog konden voelen, of we hun gekerm konden horen.
Ook nu nog is het of daar de geest van het fascisme nog rondwaart. Als ik soms die arrogante koppen van die corpsballen zie, zie ik nog steeds de heerszuchtige moffentronies van de Übermenschen die op die onheilsplek vijf jaar lang hebben huisgehouden. Volgens mij is het daar geestelijk verontreinigd. De giftdampen van ‘40 - ‘45 stijgen als moerasgassen naar boven en in de hoofden van de kleinzonen en achterkleinzonen van foute winkeliers en bunkerbouwers die zich nu in het pand bevinden. Dat geeft hen waarschijnlijk dat typische arrogante moffenuiterlijk en superioriteitsgevoel.
Hans is ook een tijdje lid geweest van die club, toen hij een blauwe maandag rechten studeerde. Hij ging toen nog heviger stotteren en is er gauw weer van afgegaan. Je hoeft het fotoboek van Vindicat maar te bekijken om te begrijpen waarom.
Uit de jaren vijftig en zestig herinner ik me de kale koppen van de ontgroenden en hun misselijkmakende bezigheden. Maar de jaren dertig waren nog erger. Mijn neef was kelner en toen de heren studenten eens in de zaak waar hij werkte met glazen begonnen te smijten en hij daar wat van zei, bedreigde een van het gezelschap hem met de woorden: `Zeg kerel, weet jij wel dat een woord van mij ervoor kan zorgen dat jij hier ontslagen wordt?’ Hij heeft toen maar verder zijn mond gehouden, hij mocht immers blij zijn in die dagen dat hij dat baantje had.
Maar de studenten, jongens en meisjes, in het grote huis aan de Jozef Israelsstraat, waar ik op de benedenverdieping woon, daar kan ik goed mee opschieten. Ik ben hun aller opa, zeggen ze. Gerontion, heeft een van hen me genoemd, hoewel ik Gerardus heet. Gerardus Schaafsma. Gerontion, een vreemde koosnaam. Het schijnt de naam van een gedicht te zijn. Hans heeft beloofd het gedicht aan me voor te lezen zo gauw hij er een Nederlandse vertaling van gevonden heeft in de bibliotheek.

  

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.