Gegevens:

Auteur:
Categorie:
Fantasy
Geplaatst:
10 mei 2017, om 22:29 uur
Bekeken:
460 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
191 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Requiem - hoofdstuk 1 (2)"


Er was niet veel volk in de herberg toen de reiziger plaats nam aan het enige tafeltje waarop een kaars brandde. Terwijl hij op het avondmaal wachtte, haalde hij het bericht dat hij de voorbije weken obsessief had herlezen uit zijn mantel. Hij bekeek de drie regels een laatste keer.

                Licht aan de horizon
                De slang met de tiara is gezien
                Midzomer aan de tweeling

Daarna hield hij het papiertje aan de vlam van de kaars. De boodschap werd verteerd door het vuur. De assen blies hij van de tafel op het moment dat de waard het avondmaal bracht. ‘Hopelijk bevalt het voedsel u beter dan de woorden van uw correspondenten,’ zei de waard terwijl hij het metalen bord, gevuld met rijst en kip, voor de vreemdeling zette. ‘Het zijn nooit de woorden maar de zinnen die schaden,’ zei hij, ‘maar niet alles wat geheim moet blijven is slecht nieuws.’ De vreemdeling sprak met een sterk accent, wat weggaf dat hij van de Avondlanden kwam, maar werd duidelijk begrepen door de waard. ‘In dat geval,’ zei de waard met een geheimzinnige grijns, ‘heb ik nog iets dat u misschien gaat interesseren.’ Hij liep terug naar het aanrecht en rommelde even in een van de schuiflades en kwam daarna terug met een pakketje dat hij overhandigde.
‘Hoe kan u iets voor mij hebben. Niemand weet dat ik hier ben.’ Het was een dikkere enveloppe met een koordje rond. Tussen het koortje en de enveloppe stak een losse nota.

Te overhandigen aan de verwaande reiziger van het westen die twee maandagen na midzomer zal opdagen zonder besef van de waarde van het leven.

‘Voor het tientje dat je betaalde had je de hele herberg kunnen kopen,’ lachte de waard en hij liet de vreemdeling alleen met de briefomslag. Opnieuw brak hij het blauwe zegel met de tweekoppige hond. Terwijl hij de boodschap las krabde hij regelmatig in zijn dik geworden baard. Nadat hij klaar was met lezen legde hij het document op de tafel en wreef er willekeurig over met zijn vingers. Zijn nagels waren zwart en zijn handen onverzorgd van het lange reizen. Toen hij zich hiervan weer bewust werd, voelde hij zich overal vuil en besloot hij zich terug te trekken op zijn kamer. Hij beval de herbergier hem naar de kamer te leiden en warm water te bezorgen zodat hij zich kon wassen vooraleer te gaan slapen. De waard deed graag wat hem gevraagd werd en toonde de reiziger de kamer. Deze was nog soberder dan de rest van de herberg. Er stond een bed – niet meer dan een houten kader waartussen koorden waren gespannen waarop een dunne matras rustte - tegen de ene muur en tegen de overstaande muur stond een kleine tafel met kruk en een wastafel die uitgerust was met een spoelbak en een kwikspiegel. Al heel zijn leven keken dezelfde blauwe ogen hem aan in de spiegel maar nog nooit had hij een vreemde gezien in zijn reflectie. Nog even, dacht hij, nog even en alles wordt terug normaal. Dat zou het echter niet meer worden. De wereld zou veranderen en hij zou er zelf middenin komen te zitten.
Er werd geklopt op de deur en toen de deur geopend werd zag hij een meisje, ze kon niet ouder zijn dan twaalf, in de deuropening. ‘Uw water, heer,’ zei ze bedeesd. Hij gebaarde dat ze de tob, die wellicht zoveel woog als het meisje zelf, mocht neerzetten voor de wasbak. Terwijl ze aan het gevaarte sleurde, bekeek hij haar bewegingen. Ze was jong en hij was ver ,en lang, van huis. ‘Kan ik nog iets doen voor u, heer?’ Hij zocht in de mantel wat kleingeld voor het meisje, maar vond alleen een kleine gulden. Daarvoor zou ze veel doen, dacht hij. ‘Moet ik u wassen, zoals de andere heren dat wensen?’ Haar stem trilde. De vreemdeling vermoedde toen dat ze de dochter van de waard was en dat hij haar gebruikte om wat geld naast de kant te verdienen. Hij nam haar hand, legde het muntstuk in haar palm, en klemde met zijn andere hand haar vingers tot een vuistje. ‘Vertrek,’ zei hij beheerst.

Nadat hij zich gewassen en geschoren had was hij in bed gekropen. Sinds zijn vertrek uit de Aran Igur had hij geen deftige slaapplaats meer gehad en had hij uitgekeken naar een goede nachtrust. Die had hij, tot de terugkerende nachtmerrie hem werkte. Schokkend en bezweet werd hij wakker en stapte hij uit bed. Hij nam plaats op de kruk aan het bureautje en stak de olielamp aan met behulp van het vuurdoosje dat hij overal bij had. Daarna stopte hij zijn pijp en begon hij te roken. Bij het schijnsel van de maan en de warme gloed van de lamp herlas hij de boodschap opnieuw. Deze keer waren het meer dan drie regels.



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.