Gegevens:

Auteur:
Categorie:
Fantasy
Geplaatst:
6 februari 2017, om 00:16 uur
Bekeken:
446 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
188 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Piraterij"


Hij stond achter het roer. Waar hij het liefste stond. Wind joeg om hem heen en bolde de zeilen. Eenzaam stond hij aan het roer en keek uit over de ruige zee. Op het dek waren de mannen druk bezig met de nodige voorbereidingen. Hij dacht na over wat komen ging. De onvermijdelijke slag. Het onvermijdelijke gevecht tussen de twee grootmachten, én tussen…
Maar geen van de bemanningsleden wist dit. Zelfs zijn trouwste vriend en rechterhand Klauwhamer niet, degene die zijn leven had gered. En zo zou hij het houden. Zou de bemanning erachter komen wie deze tegenstander was in tegenstelling tot hem, dan zou er onrust ontstaan. Misschien zelfs muiterij. Nee, het was het beste dit voor zichzelf te houden.
Zo was hij altijd geweest. Van kinds af aan. Vastberaden. Standvastig en zo koppig als een ezel. Als enig kind opgegroeid in Amsterdam. Alleen opgevoed door zijn moeder. Zijn vader had hij nooit gekend. Hij was ontstaan uit een foutje op het werk van zijn moeder. Want ze was hoer geweest. Ja, ze was hoer geweest en ze had gewerkt op de Wallen. Maar ondanks haar beroep en de woonplek had hij het nooit slecht gehad. Ze was een lief mens geweest, en zorgzaam, en net zo standvastig als hij. Hij was nooit naar school geweest, maar had ook nooit behoefte gevoeld ernaar toe te gaan. Zijn moeder leerde hem de belangrijkste wetenswaardigheden en voor de rest zorgde hij voor zichzelf. Hij zwierf over straat en sloot zich aan bij verschillende jeugdbendes. Hier leerde hij voor zichzelf op te komen, en zijn vuisten te gebruiken. Maar bovenal zijn hoofd. Want dat was iets wat zijn moeder hem van huis uit altijd had meegegeven. ‘Je moet je hoofd gebruiken Marten.’ Zei ze. ‘De andere jongens gebruiken hun vuisten wel, gebruik jij die slimme kop van jou maar.’

 

Van zijn 13e tot zijn 15e werkte hij als koerier, daarna ging hij werken bij de plaatselijke bakker. Zijn leven was rustig tot de plotselinge dood van zijn moeder. Ze werd dood gevonden in het magazijn van de Dolle Stier, een ruig café in een van de krottenwijken. Er zat een touw om haar nek. Hij was door het dolle heen, en zwoer de moordenaar de nek om te draaien. Diezelfde avond stilde hij zijn honger naar wraak op een rijke Engelse handelsman. Toen de politie hem op het spoor kwam, vluchtte hij naar de haven en melde hij zich als bemanningslid aan bij een van de vrachtschepen naar Indië. Dat was zijn redding. Sindsdien was hij eraan gehecht geraakt: het schommelende schip, de stank in het ruim, het dek opgeschopt te worden bij een hevige storm, en bovenal de opstootjes. Muiterijen zelfs. Geen zekerheid. Nooit. Altijd op je hoede zijn. Maar hij had onthouden wat zijn moeder hem had meegegeven. Altijd je kop gebruiken. Dan kwam je er wel. En al gauw ging hij zijn eigen weg. Hij sloot zich aan bij piraten en voer vrij over de zeven zeeën.

 

En hier stond hij nu. Kapitein Vlamoog, baas van zijn eigen piratenschip, de ‘Bloedkuip’, en zijn andere twee schepen in zijn kielzog. Misschien wel zijn laatste keer aan het roer, de laatste keer dat hij met schorre stem de bemanning toe kon schreeuwen. Want vanavond zou het gebeuren. Zijn lot zou beslecht worden. Ze zaten achter hem aan. Oorlogsschepen van Spanje, Frankrijk én Engeland zaten achter hem aan. Een hele vloot was op hem afgestuurd. Jaren had hij weten te ontkomen. Hij had honderden schepen geplunderd. Tientallen tot zinken gebracht. Kustplaatsen bestookt. Hij werd de ‘Schrik der Zeven Zeeën’ genoemd. Men rilde bij het horen van zijn naam. Menig moedig kapitein had het tegen hem opgenomen, maar allen hadden gefaald. Mede door hetgeen waar hij nog altijd goed gebruik van maakte. Zijn kop. Het had hem meermalen gered.

Maar deze keer niet. Deze keer was alles anders. Hij stond tegenover een te grote overmacht. Ontlopen was al niet meer mogelijk. De schepen van de vijand waren sneller, hadden grotere zeilen. En ook al voer hij van ze weg, bang was hij niet. Nooit was hij bang geweest, en hij vertikte het om nu nog bang te worden. Nee, hij keek zelfs uit naar het komende gevecht. Eindelijk zou hij zich kunnen meten met hém, zijn tegenpool. Leider van de vloot, en berucht kapitein. Want waren hijzelf en andere piraten de kwajongens die de buurt, de zee, onveilig maakten, dan was ‘hij’ de agent die ze een voor een oppakte. En binnenkort zou de grootste bullebak tegenover de agent komen te staan.

En de bullebak was de zoon en de agent de vader. Zo zat het. En geen van de bemanningsleden wist het. Hij betwijfelde of er ergens wel iemand was die het wist. Behalve hij en zijn vader, Kapitein de la Costa. Híj was degene die lang geleden met een schip aanmeerde in Amsterdam. Híj was degene die in een dronken bui, in een klein Amsterdams steegje een hoertje, zijn moeder, tegen het lijf liep en van haar diensten gebruik maakte. En hij was dus zijn vader. Zijn vijand. En zijn moordenaar, of zijn slachtoffer. Het lot moest nog beslissen. Maar een ding stond vast.

‘Ik zal hoe dan ook dood gaan’ sprak Vlamoog in zichzelf. ‘Óf  ik ga daar dood, tijdens het gevecht, óf ik wordt terechtgesteld. Het maakt me allemaal ook niet uit.’ Mompelde hij. ‘Als ik straks dood ga neem ik hém mee. En als ik terechtgesteld wordt, en hij leeft nog, mag hij God op zijn blote knieën danken.’

 

Plots klonk een kreet. Hoog uit het kraaiennest hoorde hij Mijters schreeuwen: ‘Rode vlaggen zuidoost!’. Hij draaide zich om. Verrek. Hij zag al 4 witte zeilen aan de horizon. En hoewel hij wist dat dit zijn tegenstanders waren, pakte hij toch zijn kijker. Inderdaad, rode vlaggen, bloedvlaggen. Ze waren op oorlogspad.

‘Overstag!’ brulde hij. ‘Kanonnen naar de luiken, wapens klaar! Klauwhamer! Kom hier! Benoist, roer!’ Hij wees naar het roer om de Fransman duidelijk te maken het roer over te nemen. Haastig kwam die het trapje opgestommeld. ‘Recht houden!’ beval hij de Fransman. De Fransman kon niet veel, maar kwam altijd van pas wanneer hijzelf belangrijkere zaken te regelen had. Hij begaf zich naar het dek. Klauwhamer vergezelde hem. Hij zag dat hij zich al goed voorbereid had. Aan elke zij hing een sabel, tussen een band om zijn been zat een dolk gestoken en op zijn rug hing een geweer. ‘Hoeveel munitie is er nog voor de geweren?’ vroeg hij aan Klauwhamer. ‘Genoeg. Ik schat 100 kogels per geweer.’ Antwoorde Klauwhamer. Dat was meer dan genoeg. Aan boord bevonden zich in de 330 man, waarvan er zo’n 200 de beschikking hadden over een geweer. Dit was te danken aan een overval niet zo lang geleden, op een vrachtvloot van het Engelse leger. En 100 kogels per geweer waren meer dan genoeg. Meestal verspilden zijn mannen niet meer dan 30 kogels, al snel gingen ze over tot de man tot man gevechten. ‘Lagen er nog meer kanonskogels in het magazijn?’ vroeg hij aan Klauwhamer. ‘Nee, twee man hebben gezocht maar niks gevonden.’ Antwoordde die met een afwachtende blik. Zijn eigen gezicht vertrok. Hij had dit niet verwacht. Petrus zou de verrader moeten zijn, hij had de opdracht gekregen ze daar te leggen. ‘Verdomme. Petrus loog. De verrader. Wie weet wat hij met die kogels heeft gedaan. Heb hem nooit gemogen. Knal hem af en in de zee ermee.’ Snauwde hij. Zo rekenden ze af met verraders. Meestal was hij er zelf bij, maar in de voorbereiding op de belangrijkste slag van zijn leven, was het nu onmogelijk. ‘Zeker weten?’ vroeg Klauwhamer. ‘Hij zou nog van pas kunnen komen als…’ ‘Nee. Zodra we zouden enteren zou hij hun helpen. De verrader. Knal hem af.’ En zo was het. Het had hem een keer bijna de kop gekost. Een van de meest sluwe mensen die op deze aardkloot rondliep had hem een keer verraden. Van der Luwte was zijn naam. Hij had jaren bij hem op het schip gezeten en zich voor gedaan als een van de trouwste bemanningsleden. Niemand wist dat van der Luwte spion was geweest van het Franse leger. Dit kwam pas aan het licht toen ze vlakbij de straat van Gibraltar in gevecht kwamen met een Frans oorlogsschip. Tijdens het enteren stond van der Luwte opeens achter hem met een dolk in zijn hand. Vlamoog had niks door gehad, tot een kogel vlak langs zijn hoofd suisde en van der Luwte tussen zijn ogen trof. Het was toen dat Klauwhamer zijn leven had gered, en sindsdien waren ze de beste vrienden.

 

Klauwhamer ging hem voor een deur door en ze kwamen in een klein gangetje met een vijftal deuren. Nu liet Klauwhamer hem voorgaan en hij opende de deur recht tegenover de deur waardoor ze binnen waren gekomen. Hij stapte de kapiteinshut binnen op de voet gevolgd door zijn vriend. Hij vroeg of die licht kon maken en liep zelf naar een kist naast zijn bureau. Nu zou hij ze eindelijk gebruiken. Souvenirs van hun tijd in de Caribische Zee. Klauwhamer zou versteld staan. Bij de kist haalde hij een sleutel uit zijn zak en opende hem. Hij overhandigde Klauwhamer een met goud beslagen geweer. Hij kreeg kippenvel toen zijn vingers het koude edelmetaal aanraakten. ‘Deze is voor jou. Je hoeft hem niet meer te laden, hij is klaar voor gebruik. Geef deze twee aan Baumann en Brees, onze beste schutters. Speciale dingen, deze. Schieten drie keer voordat je moet laden. Schiet op!’ Hij zag Klauwhamers ogen glinsteren bij de aanblik van de gouden geweren. Ja, menig piraat zou er een moord voor doen, zulke geweren in handen te krijgen. Daarom was hij ook de enige die hiervan wist. Op een paar dode matrozen na dan. Hij haalde nog twee geweren uit de kist, hing de ene om zijn schouder en legde de ander op tafel. ‘Waar lagen nou mijn dolken?’ mompelde hij. Plots herinnerde hij zich het. Hij opende een kastdeur pakte twee, met diamanten beslagen dolken, en plaatste ze tussen zijn riemen en zijn buik. Hij pakte nog twee pistolen van de tafel en deed die in de zakken van zijn jas. Toen pakte hij zijn geweer en begaf zich naar het dek. Laat ze nu maar komen, dacht hij. Hij liep weer naar boven en nam het roer over van de fransman.

 

Waterweg en Stormschelp moesten langszij komen. Ze zouden de vijand moeten imponeren. Hij schreeuwde naar het dek de zeilen wat te laten vieren en meteen minderde het schip vaart. Het zou moeilijk worden. Ze zouden door een spervuur van kanonnen moeten varen op zoek naar het ene schip. Het schip van de la Costa. Ongetwijfeld zat het schip van zijn vader in de voorhoede van de vloot, maar niettemin werd het lastig.  Dat schip zouden ze enteren. Waterweg en Stormschelp zouden hem flanken ter bescherming. Ze zouden genoeg bescherming bieden voor zijn eigen schip. Het was wreed maar het moest. Niet alleen zodat hij het op kon nemen tegen de la Costa zelf, maar ten behoeve van iedereen. Hij had het al vaker meegemaakt. Wanneer je de leider uitschakelt worden andere kapiteins onzekerder en wordt de kans op een overwinning, hoe gering ook, toch groter.

 

Daar stoomde de machtige vloot op. Stuk voor stuk tot de tanden bewapende oorlogsschepen. Hij telde er 15. Vijf schepen voor één schip van hem. Twee, misschien drie schepen tegen een van hem was nog te doen geweest, maar 15 was te veel. Hij zou moeten vertrouwen op de vuurkracht en snelheid van zijn schepen. Zijn mannen hadden jaren ervaring. Ze konden sneller herladen dan menig soldaat en richten als de besten. Zijn schepen hadden ook meer kanonnen dan de meeste oorlogsschepen. Maar dit alles was alleen bedoeld voor de eerste aanvalsgolf. Zijn schepen zouden het niet lang uithouden tegen een zo’n overmacht. Daarom concentreerde hij de aanval ook op het enteren. Ze zouden zo snel mogelijk schepen moeten proberen te enteren om chaos te veroorzaken op die schepen, zodat de schade beperkt zou blijven. Met een beetje geluk zouden zijn schepen het lang genoeg uithouden om drie vijandelijke schepen te enteren. Deze schepen overnemen zou het doel worden.

 

Hij keek beter. Hij kon nu de soldaten op de dekken onderscheiden. En toen… daar. Op een schip omringd door vier andere schepen. Stond ferm aan het roer degene met wie hij zich al zolang had willen meten. En hij wist dat die gedachte wederzijds was. Nu zou het gaan gebeuren. Waterweg en Stormschelp voeren nu beiden aan een flank. Hij stak zijn hand in de lucht en zwaaide hem naar beneden. Hij gooide het roer om en alledrie de schepen gingen overstag. Hij keek naar het dek dat vol stond met tot de tanden toe bewapende mannen. Hij keek naar de lucht, waar een enkel wolkje rustig zijn weg, hoog boven zijn hoofd, vervolgde. Onbewust van de hel die over enkele momenten onder hem zou losbarsten. Toen keek hij naar zijn tegenstanders. 15 witte zeilen. Tegenover 3 zwarte.

 

Hij pakte een dolk uit zijn riem en wierp hem met ferme kracht in de mast waar hij trillend bleef staan. Op het dek werd het stil. Alle blikken waren op hem gericht. Toen bulderde hij: ‘BLOED!’ En onder oorverdovend gejuich en gebrul, en onder een regen van kanonskogels, voeren zijn schepen de eerste schepen van de vijand voorbij. Om het lot te laten beslissen.

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.