Gegevens:

Auteur:
Categorie:
Fantasy
Geplaatst:
24 januari 2017, om 10:38 uur
Bekeken:
383 keer
Aantal reacties:
1
Aantal downloads:
187 [ download ]

Score: 1

(1 stem)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Zij die de zon draagt 8"


Mirah ontwaakte uit een heerlijk diepe slaap, zelfs ondanks haar eerste ervaring van het slapen aan een kampvuur, en zag tot haar verbazing dat ze de hele nacht tegen Ozars schouder had geslapen.  Dit beseffend, bloosde ze.  Ze maakte aanstalten om recht te komen, zijn arm hield haar tegen.  Verlegen opkijkend, zag ze een warme gloed in zijn ogen toen hij in de hare keek. 
‘Nog even,’ zei hij zacht. 
De zon kwam net boven de vlakte uit.  Voor het eerst in drie weken genoot ze van de aanblik van de opkomende zon, die iets meer kleur gaf aan het grauwe landschap, op de enige plek op deze wereld waar ze zich geborgen voelde. 
Na enkele ogenblikken voegde Sid zich weer bij hen.  Hij begon het ontbijt in gereedheid te brengen.  Met lichte tegenzin stond ze op om Sid te helpen.  Ze wist niet wat te denken, maar de afgelopen nacht zou ze koesteren. 
Toen de zon aan haar lange reis aan de hemel begon braken ze het kamp op en hesen de Jurarch hun zware bepakking weer op hun rug.  Gesterkt door de diepe slaap, de warmte van Ozar en het vuur popelde ze bijna om verder te kunnen trekken.  Nadat Ozar het vuur had gedoofd met verse sneeuw en hun sporen had uitgewist vertrokken ze weer.  Ozar nam zijn intussen toegeeigende plek aan haar linkerzijde weer in.  Han vormde de achterhoede.
Aan het landschap kwam nog geen verandering.  De zuidvlakte van Era strekte zich als een immens lappendeken rechts van hen uit.  Het woud volgde de vlakte trouw.  De bergen kwamen dichterbij, maar waren nog te ver om er meer details van te kunnen zien.  Toen ze de vlakte wat beter begon te bekijken zag ze er oneffenheden in, die ze eerder niet had opgemerkt.  Ze besefte dat hier ook riviertjes zouden moeten kabbelen, maar alles was bevroren en lag bedolven onder de sneeuw. 
‘Ozar?’ vroeg ze ‘Kan je me meer vertellen over jullie wereld en of er naast de Jurarch, Elfen en Ezahr nog andere wezens leven?’ Naar zijn vertrouwde stem luisteren hielp haar om haar eigen angsten te vergeten. 
Hij knikte en begon ‘Onze wereld is al vele eeuwen oud.  Mythen vertellen dat er in de eerste eeuwen heel wat magische wezens aanwezig waren op deze wereld.  Je kon het zo gek niet bedenken of het bestond.  Zo waren er de Elfen, Dwergen, Reuzen, Draken en de Grote Paarden. 
De wereld kende vrede in die tijd.  De Elfen verzorgden de Grote Paarden, de Dwergen verbleven in het oosten, verborgen door het hoogste gebergte van de wereld, het Wurtergebergte.  Dat was ook de broedplaats van de draken die talrijk waren en vreedzaam samenleefden met de dwergen.  De reuzen dan leefden voorbij de Middenzee op een groot eiland en bekwaamden zich als geniën in het bouwen van stevige burchten.’
Hij pauzeerde even.
‘Leven hier ook mensen zoals ik?’
‘Daar kom ik zo aan toe,’ zei hij en vervolgde zijn verhaal ‘Na de eerste eeuwen kwamen de eerste mensen in contact met de reuzen.  Toen zij zagen hoe goed zij konden bouwen, wilden zij graag dat de reuzen voor hen kwamen bouwen, want zo een stevige burcht, dat zou hen goed van pas komen.  De reuzen deden graag wat de mensen van hen vroegen en bouwden een prachtige burcht die onverwoestbaar was. 
De koning die destijds aan de macht was vond echter dat het tijd was om op oorlogspad te gaan, want hij wilde meer.  Hij was zo gulzig, dat hij alle volkeren die zich in dorpen hadden gevestigd genadeloos vermoorde als ze weigerden zich aan hem te onderwerpen.  De reuzen hoorden hiervan en deden de belofte om zich nooit meer in de mensenwereld lieten zien.  Dat kon de koning niet schelen, hij had wat hij wilde hebben en was blind voor al het andere. 
De Elfen echter kon het wel schelen, want zij voelden zich verantwoorddelijk voor de vreedzame samenleving van de wereld.  Maar toen de Eerste Elf aan de koning vroeg of hij met het zinloze geweld wilde stoppen in ruil voor een verbond met de Elfen weigerde hij.  Hij wilde immers geen verbonden met iemand.  Hij wilde enkel heersen.  Deze koning had vele vrouwen die hem aanbaden om zijn macht en er werden vele kinderen geboren uit hem.  Toen hij oud was en stierf vochten deze kinderen onderling weer om de macht.  Geen enkele generatie die volgde was vredelievend.‘ 
‘Is het mogelijk dat de zwarte koning een van die kinderen is?’ onderbrak Mirah hem. 
‘Dat zou best kunnen, maar wie hij ook is, hij bezit de kennis van duistere magie.  Daarover is er geen twijfel, hoe verklaar je anders dat het sneeuwt in de zomer?  Beetje bij beetje verzwakt hij zijn mogelijke tegenstanders.’ 
‘Dat leger dat ik zag in mijn droom is ook gecrëerd met magie vermoed ik.’ 
‘Daarin kan je gelijk hebben ja.’ 
‘Zijn er ook andere koninkrijken?’ . 
‘Ja,’ zei Ozar.  ‘Er zijn er verschillende.  Eentje ervan zullen we wellicht tegenkomen op onze weg naar het noorden, maar dat koninkrijk ligt voorbij deze en de volgende bergketen.’ 
‘Wie is er koning?’ vroeg ze hem. 
‘Dat is koning Stouthart.  Er wordt beweerd dat hij niet helemaal bij zijn verstand is.  Meer weet ik niet over hem.’
‘Is hij ook een van de afstammelingen van die slechte koning?’
‘Dat is al heel lang geleden, het zou kunnen van wel.  Ik ben niet van alles op de hoogte.  Maar ik heb al wel verhalen gehoord van mensen die in opstand kwamen tegen hun heersers.  Dus ik vermoed dat de kans klein zal zijn.’ 
Ze onderdrukte een huivering.
Toen de zon halverwege zijn weg was stopte het gezelschap weer om even te rusten en iets te eten.  Ondanks ze niet moe was, was ze toch dankbaar dat ze even kon gaan zitten.  De dag was goed gevorderd nu ze niet overgelaten was aan haar eigen gedachten.  Toen ze iets gegeten hadden kwam Sid naar hen toe en nam Ozar even apart.  Ze hoorde Ozar antwoordden en korte aanwijzingen geven.  Iets aan zijn houding was anders.  Een vleugje angst binnenin haar stak de kop op.  Ze zag de spanning op zijn gezicht toen hij de omgeving afspeurde. 
Toen Sid weer vooraan het gezelschap plaats had genomen en Ozar weer naast haar liep, vroeg ze ‘Wat is er?’. 
‘Gewoon iets om voor op onze hoede te zijn,’ antwoordde hij.
‘Er zijn enkele sporen van wolven gevonden, maar die zijn al enkele dagen oud.  Het is wel iets waar we rekening mee moeten houden.’  ‘Maar normaal vallen wolven toch geen mensen aan?’ vroeg ze verbaasd.
Ze voelde hem verstarren.
Hij moest even slikken voor hij zei ‘De lange winter doet vreemde dingen met de natuur.  Ik vertrouw ze niet meer en het is mijn taak je te beschermen.’
Zijn vreemde gedrag en met zijn verhaal van een paar dagen geleden in haar achterhoofd voelde ze zich ineens niet helemaal op haar gemak.  Dapperheid veinzend liep ze verder, Sid en Rave achterna. 
‘Wanneer denk je dat we de bergen zullen bereiken?’ vroeg ze Ozar na een poosje.   
‘Als we dit tempo aanhouden binnen een drietal dagen.’
Tot dan hadden ze enkel de beschutting van het bos waar de wolven gemakkelijk hun prooi konden besluipen.  Terwijl ze dieper wegdook in haar reismantel ging ze nog dichter achter Rave aanlopen.  Ze hoopte maar dat er de volgende dagen niets zou gebeuren. 
Toen de zon achter de horizon verdween en de schemering viel begonnen ze opnieuw naar een geschikte kampplaats te zoeken.  Ze vonden geen betere plaats om hun kamp op te slaan dan een soortgelijke kampplaats als de dag ervoor.  Sid en Rave begonnen met het maken van een kampvuur.  Toen ze daarmee klaar waren nam Mirah de taak op zich om voor het avondeten te zorgen.  Sid en Rave gingen op zoek naar sprokkelhout voor de nacht.  Intussen bleven Han en Ozar de wacht houden over het kamp. 
‘Mirah,’ zei Ozar nadat hij iets uit zijn bepakking haalde, ‘ik wil je dit geven, zodat je jezelf ook kan verdedigen mocht dat ooit nodig zijn.’  Hij hield een lang mes in zijn handen. 
Angstig keek ze hem aan. 
‘Neem het alsjeblieft aan, dan voel ik me wat geruster.’ 
Hij doelde op de wolven begreep ze.  Maar iets doden was niets voor haar.  In haar wereld kon ze nog geen vlieg kwaad doen.  Met licht bevende handen nam ze het mes van hem aan.  Ze schoof het even uit zijn schede.  Het zag er venijnig scherp uit.  Ze besefte maar al te goed dat hij gelijk had.  Nadat ze het mes terug in zijn schede had geschoven, bevestigde ze het onder zijn goedkeurende blik, aan haar riem onder haar reismantel.  Daarop ging hij naar Sid en Rave, die net terugkeerden met armen vol hout.  Ze hoorde hem druk praten met hen maar ze sloot haar gedachten ervoor af en concentreerde zich op de eenvoudige taak van het maken van het avondeten.  Ook tijdens het eten hield Sid de wacht over het kamp. 
De nacht viel langzaam en zo bekroop haar ook een onrustig gevoel.  Terwijl ze haar slaapzak over zich heentrok sloot ze wel de koude, maar niet haar onrustige gevoel buiten.  Zowel Sid als Han stonden het kamp te bewaken en zouden halverwege de nacht afgelost worden door Ozar en Rave.  Desondanks ze moe was duurde het een poosje voor ze in slaap viel.  Toen het weer licht begon te worden zag ze dat iedereen al wakker was.  Snel verorberde ze haar ontbijt en begon mee te helpen het kamp weer op te breken.  Er wachtte haar vandaag weer een lange wandeling.  In formatie gingen ze weer op weg.  Het viel haar op hoe gespannen Ozar naast haar liep.
Toen hij zag dat ze naar hem keek zei hij ‘Mirah, het gaat vandaag een lange tocht worden, we moeten proberen zo snel mogelijk de bergen te bereiken.  In ons huidige tempo bereiken we de bergen pas binnen drie dagen.  Daar zou ik twee dagen van willen maken.  Het is nu te gevaarlijk om nogmaals in het bos te kamperen.  Helaas voor de volgende nacht hebben we geen andere keuze.’ 
‘De wolven?’ vroeg ze. 
Hij knikte.
‘De sporen zijn hier verser en ik wil ons liever niet aan dit gevaar blootstellen.’ 
‘Ik zal mijn best doen sneller te gaan,’ antwoordde ze. 
‘Mirah,’ zei hij zacht maar gefrustreerd, ‘je bent weer sterk en erg dapper, maar wij Jurarch kunnen ons veel sneller verplaatsen dan dit tempo.  Daarom vraag ik jou toestemming je vandaag en morgen te dragen.’ 
‘Maar,’ sputterde ze tegen, ‘je hebt al zoveel te dragen.’ 
Nu voelde ze zich schuldig dat zij de reden was dat ze niet sneller konden reizen.  Plots kwam ze op een idee, inwendig vloekend, omdat ze daar niet eerder aan gedacht had. 
‘Een slee!’ zei ze.  Hij keek haar vragend aan. 
‘Als we een slee maken, kunnen jullie me daaraan voorttrekken en ben ik geen belemmering meer voor jullie.  Ze zag dat hij niet wist waar ze het over had.
Ze verklaarde ‘Een slee is erg handig als er sneeuw ligt, je kan bijvoorbeeld ook je bepakking erop leggen.  Als je een touw aan de slee bevestigd, die ik misschien kan maken van kleine boomstammetjes, dan hoef je die niet op je rug mee te sleuren de hele dag.’
Hij leek erover na te denken.
Toen zei ze ‘Vandaag mag je me dragen als je dat er nog bij kan nemen, maar straks zal ik een slee maken en morgen zal ik jullie dan niet meer tot last zijn.’ 
‘Goed,’ zei hij en een oogwenk later tilde hij haar moeiteloos van de grond.  Hij versnelde zijn pas onmiddellijk.  Ook de andere Jurarch versnelden nu hun pas.  Vol verbazing aanschouwde ze hun kracht.  Niets leek hun onmogelijk, zo sterk en snel waren de Jurarch. 
Machteloos onderging ze de vernedering omdat ze haar steentje niet kon bijdragen.  Ze was meer een oponthoud dan een aanwinst.  Alhoewel ze het ergens wel begreep kwam het oude vertrouwde gevoel dat ze zo goed kende weer bovendrijven, het gevoel uitgesloten te worden door een groep mensen.  Daarom was ze er goed in geworden zich onzichtbaar te maken.  Hier echter moest ze mee en had ze geen keuze. 
Ozar die haar steeds beter leerde aanvoelen sprak met zijn innerlijke stem Ik doe wat ik moet doen omwille van jouw veiligheid, maar ook om onze queeste te doen slagen.  Ze zuchtte maar zei niets terug.  Om het Ozar wat gemakkelijker te maken haar te dragen sloeg ze haar armen om zijn nek.  Ze hoorde zijn snelle ademhaling en voelde zijn krachtige hartslag.  Over zijn schouder zag ze Han achter hen aankomen.  De Jurarch hielden een ruime afstand van de bosrand.  Na enkele uren begon ze gewoon te geraken aan het ritme van zijn looppas en begon in te dommelen.  Ze vocht ertegen maar het lukte haar niet haar ogen open te houden.  De zon stond reeds hoog aan de hemel toen ze haar ogen weer opende.  Ozar liep nog steeds.  Hij verraadde geen enkel teken van vermoeidheid.  Hier kon ze echt niet tegenop wist ze.  Geen enkele mens zou hier tegenop kunnen.  Toen ze voor zich uit keek zag ze dat ze reeds goed gevorderd waren.  De bergen waren nu veel dichterbij.  Hun plan leek te lukken.  Heel kort hield het gezelschap halt en zette Ozar Mirah even op haar eigen benen.  Zelf at ze niet veel, omdat haar reisgenoten het nu eenmaal meer nodig hadden.  Geen van de Jurarch vertoonden een teken van vermoeidheid.  Toen ze het idee van de slee naar voren bracht merkte ze op dat geen van de andere Jurarch wist wat het was en allen vonden ze het een goed idee om er eentje te maken straks.  Na de korte rustpauze hesen ze hun bepakkingen op hun rug en tilde Ozar Mirah weer op.  Vastbesloten om iets nuttigs te doen tuurde ze naar de bosrand aan hun linkerzijde om haar metgezellen op tijd te kunnen waarschuwen bij gevaar.  Ze onthield zich van gesprekken om Ozar niet nog meer te vermoeien.  Zo was ze er stille getuige van toen de zon voor de derde dag op rij achter de horizon verdween.  Snel zochten ze een geschikte plaats om te overnachten.  Al snel brandde hun kampvuurtje weer en gaf ze alle Jurarch te eten.  Ze gaf hun een iets grotere portie, zichzelf opnieuw wegcijferend.  Ozar en Sid namen de eerste wacht voor hun rekening.  In haar gedachten probeerde ze de slee die ze zou maken vorm te geven. 
Aan de Jurarch die het dichtst in haar buurt was vroeg ze ‘Rave, wil je iets voor me doen?’
Hij knikte en kwam naar haar toe.
‘Om de slee te maken heb ik een aantal boomstammetjes nodig, liefst van dezelfde dikte en lengte, een touw en een vacht.  Kun je die voor me halen?  Ik wil ook wel met je meegaan.’
‘Nee, je hoeft niet mee te gaan, ik zorg ervoor Mirah.’
Daarop stond hij op, nam een gevaarlijk uitziende bijl uit zijn bepakking en liep het bos in.
De schemering begon al in te vallen.  Ze hoopte dat hij toch nog alles zou kunnen vinden voor het helemaal donker werd.  Han die haar vraag blijkbaar gehoord had, kwam met een lang stuk touw aanlopen en de vacht die ze gevraagd had.  De tijd ging traag vooruit terwijl ze wachtte.  Tot ze plots Rave terug zag keren met enkele dunne, lange boomstammetjes.  Blij sprong ze overeind en ging hem tegemoet. 
Ze ging helemaal op in haar taak om een slee te maken.  Het vochtige hout hield ze boven het vuur totdat ze het kon buigen.  De lange takken sjorde ze aan elkaar met het touw en zorgde dat het stevig was.  Eromheen bracht ze een vacht aan zodat de sneeuw niet tussen het hout bleef steken.  Het sjorren had ze lang geleden in de jeugdbeweging geleerd.  Toch iets wat haar nu van pas kwam.  Ze werkte lang door en bekeek haar creatie uiteindelijk tevreden.  Het was weliswaar erg primitief, maar het kon volstaan.  Even ging ze erop liggen en besloot dat het goed was.  Snel maakte ze er nog enkele lange touwen aan vast zodat de slee probleemloos voortgetrokken kon worden zonder hen te hinderen. 
Sid kwam er nieuwsgierig naar kijken en zei ‘Dat heb je goed gedaan Mirah.’ 
Dankbaar glimlachte ze naar hem. 
‘Probeer nu wat te rusten.’ zei Sid
‘Je rust nu zowel voor jouw Jurarch als voor jezelf’. 
Ze keek even richting Ozar en zag hem staan in de zachte gloed van het kampvuur.  Hij stond met zijn rug naar hen toe, zijn houding straalde een zekere waakzaamheid uit, alsof hij klaar was om in actie te komen als dat nodig zou zijn.  Rave en Han lagen al te slapen.  Tussen hen in lag haar slaapzak.  Moe was ze nu wel.  Ze liep naar haar slaapzak en dook erin weg.
Onrustige dromen zweefden haar tegemoet.  Ze vocht om weer wakker te worden, maar het lukte haar niet.  Plotseling dacht ze haar naam te horen roepen en richtte zich naar het geluid.  Vaag drong het gevoel van een hand op haar wang tot haar door.  Het was alsof ze door een doolhof moest lopen eer ze de weg naar de stem vond.  Daar hoorde ze opnieuw haar naam noemen en voelde ze de hand weer lichtjes druk uitoefenen op haar wang. 
Opeens keek ze recht in Ozar’s gezicht.  Ozar zat naast haar en was degene die haar had gewekt.  Hij stelde haar onmiddellijk gerust.  ‘Het waren slechts enge dromen’ zei hij geruststellend. 
‘Wolven?’ vroeg ze met een stem die van ver leek te komen. 
Hij schudde het hoofd. 
Het was midden in de nacht en de wacht werd net gewisseld.  Rave en Han stonden reeds aan de rand van hun kamp.  Nog vechtend om volledig wakker te worden ging ze rechtop zitten. 
Ze zat nog maar net rechtop toen ze Rave vanaf de rand van het kamp ‘Wolven’ op waarschuwende toon hoorde roepen.  Onmiddellijk sprongen ook Sid en Ozar overeind, terwijl Ozar haar gebaarde te blijven waar ze was.  In de verte hoorde ze nu het gehuil van een wolf.  De haren in haar nek gingen rechtop staan.  Door het vuur kon ze niet zien wat er gebeurde.  Het was nu onheilspellend stil buiten het geluid van de elfenzwaarden die uit hun scheden getrokken werden.  Vuur dacht ze.  Instinctief nam ze een stuk hout uit het vuur voor haar en hield het voor haar uit als een fakkel.  Ze hoorde ze het gegrom dichterbij komen.  Ze stond op en probeerde de vier Jurarch in de duisternis te vinden.  Op het moment dat haar ogen zich aanpasten aan de nacht zag ze door de bomen heen een roedel van misschien wel twintig wolven op hun afstormen. 
O God, dacht ze verschrikt.  Ze zag dat deze wolven veel groter waren dan in haar wereld.  Ozar keek nog even achterom en riep waarschuwend, ‘Blijf daar Mirah.’  Hij had gemakkelijk praten.  De eerste wolven bereikten de Jurarch en werden snel overmeesterd.  Door de enorme snelheid van de wolven en hun groot aantal werden de Jurarch echter gedwongen een aantal passen naar achter te zetten, intussen inhakkend op de wolven. 

Ze voelde het gevaar in haar rug voordat ze het zag.  Ineens besefte ze dat de wolven hen omsingeld hadden.  Vaag hoorde ze Ozar bevelen schreeuwen.  Wat hij zei drong niet tot haar door.  Langzaam draaide ze zich om en zag de dreigende ogen van een enorme wolf op haar gericht.  Het weerkaatsende vuur benadrukte de wreedheid in zijn ogen.  In een oogwenk kon het voorbij zijn en kon ze verscheurd worden door die vlijmscherpe tanden.  Niet in staat zich te verdedigen hield ze het brandend stuk hout voor haar uit.  Verder durfde ze zich niet te verroeren, ook niet om haar mes te trekken, inwendig vloekend omdat ze daar nu pas aan dacht.  De wolf werd vergezeld van nog twee wolven.  Angstig deinsde ze achteruit richting het kampvuur toen ze de wolven zag springen. 
Ze verloor haar evenwicht. 
Een arm greep haar bij haar middel en sleurde haar weg van de wolven en het vuur. 
Ozar, kijk uit! wilde ze roepen, maar haar stem bleef in haar keel steken. 
Met het zwaard in zijn vrije hand viel hij aan.  Het waren echter drie wolven, hij kon ze niet allemaal tegelijk doden.  Iets in haar leek te ontwaken uit haar verstarde toestand.  Ze moest iets doen om hem te helpen!  Vastberaden keek ze naar de tweede wolf en gooide haar brandend stuk hout in volle snelheid naar hem toe.  Hij werd midden op zijn hoofd geraakt, waardoor hij verdwaasd bleef liggen.  Intussen nam Ozar de derde voor zijn rekening, waarna hij ook de nog overgebleven wolf de genadeslag gaf.  Enkele seconden later was het voorbij.  Ze stond te trillen op haar binnen, in shock van het gevaar waar ze ternauwernood aan ontsnapt was.  Ook de aanblik van de dode wolven en de sterke metaalachtige geur van bloed waren overweldigend.  Ze kon haar blik niet losschudden van de drie wolven die haar bijna … . 
Ozar tilde haar op en liep naar de anderen.  Alle vier zaten ze onder het bloed.  Han was lelijk gewond aan zijn linkerarm.  Weer bij het vuur aangekomen wilde ze, ondanks haar misselijkheid de wonde te verzorgen. 
‘Wat gebruiken jullie om wonden te verzorgen?’ vroeg ze vastbesloten iets nuttigs te doen.
‘De bast van de witte boom,’ antwoordde Sid.
Ze moest glimlachen want die boom kende ze.
‘Waar ik vandaan kom noemen we dat een berkenboom,’ zei ze.  Weer ernstig vroeg ze ‘Hebben we daar eigenlijk iets van bij?’
‘Ik denk het wel,’ antwoordde Sid die naar een van de pakken liep en erin begon te zoeken.  Ze bestudeerde Han, die niet liet merken dat hij pijn had.  Sid kwam met een bundeltje naar haar toe waaruit hij een linnen zakje haalde en haar overhandigde.
‘Ozar, zou je me willen helpen en wat sneeuw gaan halen?  We moeten water aan de kook brengen.’
‘Ik blijf bij je, Mirah.’ zei Ozar tot haar verbazing.  ‘Sid, wil jij even gaan?’ vroeg hij.
Het was een grote bijtwonde die zeker geïnfecteerd zou raken als hij niet verzorgd werd.  Zachtjes maakte ze met een linnen doek en een beetje water uit hun drinkvoorraad de wonde schoon zo goed ze kon.  Toen het water kookte nam ze er een beetje uit waar ze wat gemalen berkenbast bijdeed.  Ze maakte er een papje van, liet het afkoelen en bracht dat gul aan op de wonde. 
‘Normaal zal dit de infectie wegnemen, want ik wil niet dat je koorts krijgt, of erger….’  Haar stem stierf weg.  Dit alles was haar fout.  De misselijkheid en haar verdriet mochten haar nu niet zwak maken.  Vaag merkte ze dat Ozar haar kracht gaf om verder te doen. 
Han zei, ‘ik waardeer wat je doet, Mirah.’  
Tot slot nam ze een schone doek aan van Sid, scheurde die in een lange reep en wikkelde die niet te vast om Han’s arm. 
Tevreden knikte ze toen ze klaar was. 
Ze keek Han aan en zei ‘Het zal nog enkele weken pijn doen.  De eerste paar dagen moet je je arm echt ontzien.  Hou hem zo vaak als je kan omhoog en tegen je aan om de genezing te bevorderen.’  Ineens werd ze weer overspoeld door een vlaag van misselijkheid.  Onmiddellijk voelde ze Ozars arm om haar middel. 
Even kon ze niet sterk te zijn en leunde tegen hem aan.  Nu drong het pas tot haar door hoeveel geluk ze hadden gehad.  Alsof zij zich achter een gesloten deur bevond, hoorde ze Ozar met de anderen praten.  Ze zag hen aanstalten maken het kamp op te breken.  Het zou nog een tijdje duren voor de zon opkwam, maar iedereen wilde weg van deze plek.  De geur van bloed zou misschien nog meer roofdieren aantrekken. 
‘Ik neem vandaag plaats op de slee,’ zei ze tegen Ozar terwijl ze een poging deed haar misselijkheid te onderdrukken en zich van zijn arm om haar middel ontdeed. 
‘Mirah, vind je niet dat Han de slee beter kan gebruiken?  Hij kan zijn bagage erop kwijt.’  hoorde ze Ozar opwerpen.  Daar had ze nog niet aan gedacht en hij had te goed naar haar uitleg geluisterd.  Zichzelf verwijtend, vond ze dat alles wat er gebeurd was haar fout was.  Als ze sneller had gelopen of als ze de slee meteen aan het begin van hun reis had gemaakt, waren ze nu wellicht al lang in de bergen geweest.  Ze knikte Ozar toe dat ze zijn voorstel goed vond en wendde haar blik af van de zijne. 
Ozar’s hand beroerde kort haar wang. 
‘Gaat het?’ hoorde ze hem onnodig vragen. 
Ze knikte maar tegelijkertijd kon ze in tranen uitbarsten.  Zijn gebaar bezorgde haar verwarring.  In haar gedachten hoorde ze nog steeds de stem van de zwarte koning.  Hij had gezegd dat ze geen vrienden mocht maken want ze zou hen allemaal verraden.  Ozar kwam te dicht.  Met moeite keek ze weg van zijn onderzoekende blik en sloot haar gedachten voor hem af. 
‘Je wilt het niet zeggen, maar je wilt me weer dragen hé.’ zei ze kordater dan ze had willen klinken. 
Ze keek hem niet echt aan maar zag hem vanuit haar ooghoek knikken.
‘Ik wil jou en mijn vrienden hier zo snel en ver mogelijk vandaan,’ zei hij terwijl hij hun bagage op zijn rug tilde. 
Ze voelde zich te beroerd om tegen te sputteren.  Met moeite onderdrukte ze de drang om weg te rennen en hem haar rug toe te keren.  Het laatste wat ze wilde was nutteloos zijn.  Daarenboven wilde ze niemand meer tot last zijn, want alles wat ze ondernam ging toch mis. 
Het volgende moment tilde hij haar weer in zijn armen. 
Ze gaf toe aan de misselijkheid.  Haar hoofd vond weer de holte van zijn hals.  Dit plekje voelde ergens zo vertrouwd.  Misschien had ze ondanks haar tegenstrijdige gedachten toch een vriend nodig.  Ze hoorde iemand van de andere metgezellen, ze dacht Han vragen hoe het met haar ging.  Ook hoorde ze Ozar antwoordden dat het wel goed zou komen. 
‘Je bent moe, slaap maar wat’ zei Ozar na een tijdje.  ‘Ik zal wel even wat langzamer gaan dan gisteren.’ 
‘Nee,’ zei ze bitser dan haar bedoeling was, ‘ik wil hier ook zo ver mogelijk vandaan zijn.’ 
‘We zullen wel zien,’ zei hij op kordate toon waar ze uit kon opmaken dat in discussie gaan geen zin had.  Ze zuchtte. 
Sid liep weer vooraan.  Over Ozars schouder turend zocht ze naar Han en zag hem ineens naast Ozar, eigenlijk vlak bij haar lopen.  Hij had de slee achter zich gebonden waardoor hij zijn zware bepakking niet op zijn rug moest tillen opdat zijn arm zo goed mogelijk kon genezen.  Toen hij merkte dat ze naar hem keek groette hij haar met een kort knikje.  Zuchtend liet ze haar hoofd weer tegen Ozars schouder leunen.  Toch was ze ook ergens opgelucht, want ze had een kleine persoonlijke overwinning behaald.
Langzaam begon het lichter te worden, maar de nevel die boven hen hing liet de zon niet meer doorkomen. 
Ozar en de andere Jurarch waren net als Mirah opgelucht dat ze die vreselijke nacht hadden achtergelaten.  Uiteindelijk kon ze niet verhinderen dat ze langzaam in slaap viel.  Toen ze weer wakker werd zag ze dat het licht sneeuwde. 
Onder de wolken rezen de besneeuwde bergen majestueus voor hen op, hun toppen net niet onthullend.  Langzaam begon het landschap te stijgen en werd hun pad grilliger.  Nog even en ze zouden de bergen bereiken.  Toen Ozar zag dat ze wakker was gaf hij de andere Jurarch een teken.  Ineens begonnen ze sneller de lopen.  Ze hadden zich dus toch voor haar ingehouden.  Ook wist ze dat haar beschermers er alles aan zouden doen om straks hun kamp op te kunnen slaan in het gebergte.  Die hele verdere dag bracht ze in Ozars armen door.  Het had geen zin zich tegen hem te verzetten.  De avond viel en het was hen gelukt.  Ze waren aan de klim begonnen en nu op zoek naar een geschikte kampeerplaats.  Een heel geschikte kampeerplaats vonden ze in een overhellende rots die hen tegen weer en wind beschutte.  Wolven zouden zich niet op dit terrein begeven.  Ozar, die onderweg geen woord meer tegen haar gezegd had, zette haar zacht weer op haar voeten.  Onmiddellijk ging ze naar Han en voelde aan zijn voorhoofd.  Dat was lichtjes warm maar niet erg.  Hij had gelukkig geen koorts.  Voorzichtig haalde ze het verband van zijn arm om de wonde te inspecteren. 
‘Laat vannacht maar wat lucht aan je arm’ zei ze toen ze zag dat de wonde niet meer bloedde.
‘Ik wil ook dat je de hele nacht door slaapt.  Je kan het gebruiken.’  Hij knikte en zei ‘Dank je Mirah, voor je goede zorgen.  Maar hoe is het met jou?’  Die vraag had ze niet zien aankomen. 
Ze trok haar schouders op en zei ‘Het gaat wel.’ 
Ze stond op om aan het eten te beginnen.  Opnieuw deelde ze de klaargemaakte soep uit ervoor zorgend dat Han zeker genoeg te eten kreeg. 
Nadat iedereen gegeten had gingen Ozar, Sid en Rave gezamenlijk naar buiten op zoek naar voldoende hout voor de nacht, haar even achterlatend met Han. 
Ozar communiceerde bijna voordurend met haar toen hij even weg was.  Nadat ze alles van de maaltijd had opgeruimd, verliet ze na een korte blik op Han ook even de overhangende rots.  Het sneeuwen was heviger geworden en ze trok haar reismantel wat dichter om haar heen.  De nacht viel geleidelijk en een ijskoude wind bezorgde haar een rilling.  Ze voelde het mes onder haar reismantel en trok het voorzichtig tevoorschijn.  In haar gedachten kwamen de beelden die ze had gezien bij de overgang naar deze wereld weer bovendrijven.  Plotseling leek er iets te veranderen en was ze zich niet meer van haar omgeving bewust, het was alsof ze zich ergens anders bevond.  Ozar’s stem was ergens naar de achtergrond gedreven en ze schonk er geen aandacht aan.  De sneeuw die in ijskoude vlagen tegen haar gezicht aanwaaide zag of voelde ze evenmin.  Haar arm bevond zich tegen het scherpe lemmet, maar ook dat merkte ze niet.  Steeds dieper drong het in haar arm. 
Plotseling hoorde ze een stem die op Sid leek, vlakbij zeggen ‘Mirah, het is hier geen plek voor een mooie dame, zo eenzaam in de kou.’  Toen ze hem verward aankeek veranderde zijn stem alsof hij even een glimp had gezien van het gewicht van alle pijn dat ze met zich meedroeg.  Zijn blik viel op het mes in haar hand.  De ontsteltenis op zijn gezicht deed ook haar gevoel terug ontwaken.  Ze slaakte een gesmoorde kreet en liet het mes uit haar hand vallen.  Een donkere plek in de sneeuw kleurde zich al af.  Ze had Ozar niet zien aankomen, maar plots stond hij naast haar.  Zijn licht versnelde ademhaling verraadde dat hij had gerend. 
‘Wat is er gebeurd?’ vroeg hij met scherpe stem en keek met een blik vol wantrouwen naar Sid. 
‘Ik… ik weet het niet, ik heb niets of niemand gezien…  Volgens mij heeft ze dit zelf gedaan.’ stamelde Sid. 
De onderlinge onenigheid raakte haar.  Zelf wist ze niet wat er gebeurd was.  Met haar vrije hand om de bloedende snee aan de zijkant van haar pols, liep ze tussen de twee Jurarch door naar hun kampplaats.  Zonder Han aan te kijken, die van dit alles niets had meegekregen, ging ze op haar slaapzak zitten met haar knieën opgetrokken, haar armen eromheen terwijl ze haar hoofd op haar armen liet rusten. 
‘Hé Mirah?’ vroeg Ozar zacht die haar was nagekomen.
‘Mag ik bij je komen zitten?’ 
Toen ze niet reageerde kwam hij toch naast haar zitten. 
‘Ik zie je verdriet lieve Mirah, mag ik je helpen?’ 
Haar ogen waren echter droog.  Ze was futloos, moe en voelde zich als een vreemde in haar eigen lichaam.  Het kon haar niet langer schelen wat er om haar heen gebeurde.  De voorbije nacht en wat ze net onbewust had gedaan was teveel om ineens te verwerken.  In reactie, had ze zichzelf reeds lang geleden leren op te sluiten, om zo te wachten tot het vanzelf zou overgaan.  Achter die barrière kon zelfs Ozar niet komen.  Toen Ozar zijn hand op haar hoofd legde voelde ze toch een glimp van zijn kracht.  Het was alsof hij zijn krachten verdubbelde om haar uit die denkbeeldige put te trekken.  Het enige wat ze kon was tegen hem aanleunen.  Onmiddellijk legde hij zijn arm beschermend om haar heen.  Zijn hand beroerde even haar wang.  Ze sloot haar ogen waardoor ze de bezorgde blik in zijn ogen niet zag. 
‘Ik ben bij je mijn lieve vriendin,’ zei hij zacht. 
Die woorden en zijn oprechte bezorgdheid raakten haar hart.  Ze knipperde even met haar ogen.  Haar ogen dwaalden naar Han.  Ook zijn bezorgde blik raakte haar.  Opnieuw sloot ze haar ogen.  Vaag voelde ze Ozars hand zacht tegen haar voorhoofd waardoor ze zich slaperig begon te voelen.  Even later was ze in slaap.  Die nacht droomde ze niet.  

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.


Reacties:

Ik heb zojuist alle delen van 'Zij die de zon draagt' gelezen.
Ik wilde naar ieder deel meer. Ik ben dan ook zeer benieuwd en nieuwsgierig naar hoe dit verder gaat.

Geplaatst op: 2017-10-04 14:31:03 uur