Gegevens:

Auteur:
Categorie:
Fantasy
Geplaatst:
24 september 2016, om 10:29 uur
Bekeken:
357 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
165 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Zij die de zon draagt 4"


De volgende ochtend was ze vroeg wakker.  Buiten was het stil.
De duizeligheid was volledig verdwenen en ze voelde zich sterker.  Hierdoor aangespoord vond ze de moed om een poging te doen recht te staan.
Voorzichtig liet ze haar voeten op de grond zakken.  Toen dat lukte probeerde ze recht te gaan staan steun zoekend tegen het bed.  Ze wankelde omdat ze even licht was in haar hoofd van het lange liggen.  Blindelings zocht ze steun en voelde plots een arm haar ondersteunen.  Ze had Ozar niet horen aankomen, maar ze was misschien te zeer met haar poging bezig om uit bed te komen.  Met een glimlach begroette ze hem en was opgelucht te merken dat ze niet alleen was. 
‘Mirah,’ zei hij zacht ‘Ik ben blij te zien dat je je krachten weer terug begint te krijgen.’ 
Met behulp van zijn arm rond de hare waagde ze het een stap naar voren te zetten.  Ozar hield haar nauwlettend in het oog, klaar om haar op te vangen, maar dat was niet nodig. 

Opkijkend naar Ozar die iets meer dan een hoofd groter was, had ze het nog steeds moeilijk met zijn gemaakte belofte. 
‘Het spijt me,’ zei ze fluisterend. 
Hij begreep waar ze het over had en zei na een korte stilte ‘Mirah, ik heb mijn belofte vrijwillig aangeboden.  Maar ik wed dat andere Jurarch in een rij zouden staan om het lot wat mij ten dele is gevallen.’ 
Zijn woorden hadden hetzelfde effect als zijn omhelzing eerder.  Ze kreeg een brok in haar keel.  In een opwelling sloeg ze haar vrije arm om zijn middel, hem zo haar dankbaarheid tonend.  In antwoord op haar omhelzing, trok hij haar even tegen zich aan. 
‘Ik ben er zeker van dat andere Jurarch mij hierom zouden benijden,’ zei hij knipogend toen hij haar weer losliet.  Ze glimlachte om zijn woorden en boog verlegen haar hoofd.  Zijn omhelzing verdreef even het gevoel van eenzaamheid.  Hij vervolgde ‘Mirah, het is nog vroeg, maar ik ben gekomen omdat ik je graag nog iets wil laten zien voordat we naar de raad der oudsten gaan.’ 

Ze keek hem vragend aan. 
‘Je vroeg me gisteren je over ons land te vertellen, maar als je ermee instemt wil ik je graag een plek laten zien waardoor je misschien een beetje meer van ons land begrijpt.’ 
‘Is het ver?’ vroeg ze. 
‘Niet zo ver.  Het is aan de rand van ons dorp.’ stelde hij haar gerust. 
Dit was voor haar ook een kans om meer van zijn dorp te zien, want ze had er geen idee van hoe haar onmiddellijke omgeving eruit zag.  Ze knikte.  Hoffelijk bood hij zijn arm aan.
Sinds de dag dat hij haar gevonden had was hij niet meer van haar zijde geweken.  Ze was hem oneindig dankbaar en besefte dat ze haar leven aan hem te danken had.  Ook besefte ze dat als ze iets wilde doen aan haar situatie, als ze ooit haar weg naar huis wilde terugvinden, dat ze zoveel mogelijk over deze wereld moest te weten komen.  Hij bood haar het begin van die kennis aan. 
‘Ozar’ zei ze voor ze samen met hem de slaapkamer verliet.  Hij bleef staan en keek haar aan.
‘Mirah?’ vroeg hij.  ‘Wees niet bang,’ voegde hij eraan toe toen hij de blik in haar ogen zag. 
‘Wij zijn in de eerste plaats Jurarch, zowel de mannen als de vrouwen.  Mijn belofte houdt ook in dat elke Jurarch zich eerst langs mij moet begeven.  Daarbij komt nog dat wij een vreedzaam volk zijn en ons nooit de rug toekeren aan iemand die hulp nodig heeft.’
‘Vertrouw me,’ vervolgde hij zachter. ‘Ik bescherm je.’ 
Ze gaf hem een kort knikje om hem te laten weten dat ze er klaar voor was. 

De eerste stappen die ze zette waren wat wankel na alles wat ze had doorstaan. 
Ozar zag het en vroeg ‘Gaat het?  Ik wil je er ook wel heen dragen.’
‘Het gaat,’ zei ze snel om te vermijden dat hij zich zou bedenken, ‘de beweging zal me goed doen.’
Hij bleef waakzaam tot hij er zeker van was dat ze stevig genoeg op haar benen stond.
Buiten was de zon net boven de horizon verschenen.  Ze genoot van de frisse lucht die ze eindelijk weer kon inademen.  Overal rondom hen stonden stenen huizen zoals dat van Ozar.  Het was gelukkig nog vroeg in de ochtend zodat er niemand buiten was.  Nu en dan hoorde ze door geopende ramen stemmen met mekaar praten.  Ergens in de verte hoorde ze een baby huilen.  Ze ontspande zich een beetje.  Na een bocht kwamen ze uit op een grote open ruimte omgeven door allemaal stenen huizen.  Er was slechts één groter huis dan alle andere op het uiteinde van de open ruimte. 
Ozar zei ‘Daar moeten we straks zijn voor de raad van de oudsten.’  Ze zuchtte.  Daar zouden ze een of ander oordeel over haar vellen en was ze aan de grillen van het lot overgelaten.  Ze verdrong de gedachte omdat ze daar nog niet aan wilde denken en klampte zich vast aan het kleine beetje moed dat ze dankzij Ozar weer had gevonden.  Ze gingen verder langs andere steegjes, gevolgd door meer huizen, die bijna allemaal op elkaar leken.  Ze zou hier gerust kunnen verdwalen.  Ergens deed haar de bouwstijl denken aan de tijd dat haar overgrootouders moesten geleefd hebben.  Na een vijftal minuten waren ze het laatste huis gepasseerd. 
Nu zag ze in de verte een beginnende bergketen gehuld in een dik pak sneeuw.  Het was best een mooi beeld, maar ze herinnerde zich haar droom.  Dit was de zuidvlakte van Era had Ozar gezegd.  Recht voor hen waren enkele hoger gelegen heuvels die het dorp omsloten alsof ze het tegen vijanden moest beschermen.  Ozar liep in de richting van de heuvels.  Het zou een pittige klim worden.  Ineens hoorde ze hem zeggen ‘Ik zal je helpen.’  Nog voor ze iets kon zeggen had hij haar opgetild en begon aan de klim.  Verbaasd om zijn plotse reactie en het gemak waarmee hij haar droeg keek ze hem aan. 
‘Dank je,’ zei ze snel toen zijn blik de hare kruiste.
‘Voor je dit kan moet je eerst nog wat aansterken,’ zei hij.
Halverwege de heuvel begon ze zich een idee te vormen van haar omgeving.  De heuvels hadden haar zicht op de omgeving afgesloten, maar gaven die bij iedere stap meer prijs.  De aanblik achter die heuvels was er eentje van een wit deken, zover ze kon kijken.  Links en rechts van een enorme witte vlakte zag ze wouden die zich tot aan de horizon uitstrekten. 

Ozar had de plek bereikt die hij haar wilde tonen.  Zacht zette hij haar op een hoge platte steen en kwam naast haar zitten. 
‘Dat,’ zo begon Ozar wijzend naar de bergketen in de verte,  ‘is de Walliser bergketen.  De wouden die je links en rechts ziet liggen noemen wij de wouden van Aravis en strekken zich vele mijlen naar het oosten en het westen uit tot tegen de bergketen, die als het ware een muur vormt tussen ons leefgebied en dat van de mensen erachter.’  ‘Normaal bewerken we hier het land’ zei hij wijzend naar de grote met sneeuw bedekte vlakte. 
Met ontzetting keek ze naar de sneeuw. 
‘Is er veel meer sneeuw gevallen sinds vorige winter?’ vroeg ze. 
‘Ja, ook in de zomer bleef hij liggen,’ zei Ozar, ‘maar toen was het nog niet zo erg als nu.  De voorbije winter bracht ons meer sneeuw.  De zon lijkt niet genoeg kracht te hebben om de sneeuw te laten smelten.  Bijgevolg,’ zei hij aarzelend en met een blik naar haar ‘gaat het niet goed met dit land en zijn bewoners.  We stuurden al verkenners uit om de omgeving buiten dit dal te verkennen, maar zij keerden allen terug met de ontnuchterende mededeling dat het elders niet beter was.  Het weinige voedsel dat we nog hebben wordt schaars.  Onze dieren waar we van leven vinden bijna geen voedsel meer onder de sneeuw.  Gras wil niet meer groeien.’ 
Mirah merkte een ondertoon van pijn op in zijn stem.  De sneeuw in de omgeving van het dorp was weggenomen.  Onderaan de heuvel zag ze hoge stapels verse sneeuw liggen.  Langzaam drong het lijden van het land tot haar door en werd ze zich bewust van de boosaardigheid van de sneeuw.  Vaag merkte ze op dat ze het benauwd kreeg.  Een meter voor haar lag het begin van het sneeuwtapijt.  Ze liet haar blik weer over het landschap glijden en stelde zich voor hoe prachtig dit land moest zijn zonder deze sneeuw.  In een visioen zag ze een vallei gevuld met bloesemende bomen, lang groen gras en stukken omgeploegd land waar de bewoners hun gewassen op lieten groeien.  Ze zag vele vogels en vlinders op zoek naar nectar en de vallei gonsde van bedrijvigheid en leven.  Het visioen maakte plaats voor de realiteit en het zicht op het besneeuwde landschap.  Ineens merkte ze een vaag gevoel van ongemak in haar buik, een gevoel van dreiging.  Hoe meer ze richting het noorden keek, hoe sterker dat gevoel werd.  Haar blik leek zich te verruimen alsof ze haar lichaam verliet. 

Opeens keek ze, of was het haar geest, op zichzelf en Ozar neer van een grote hoogte.  Hulpeloos werd ze richting het noorden getrokken.  Vaag hoorde ze Ozar haar naam noemen.  Zijn stem klonk zwakker en stierf weg terwijl ze sneller werd meegezogen.  Steeds verder wegglijdend, zweefde ze over de bergen en de vlakte daarachter.  Ze zag vele wouden onder haar doorschieten, gevolgd door bergen die nog hoger waren dan de vorige.  Alles wat ze zag was bedekt met sneeuw.  Toen ze over hun toppen uitsteeg zag ze tot haar ontsteltenis dat het landschap niet wit, maar zwart zag.  Het was alsof de oppervlakte verbrand was.  Angstig voelde ze dat ze erheen werd getrokken.  Ze verzette zich maar het had geen zin.
Al zwevend over de zwarte vlakte begon ze beweging waar te nemen.  Ze zag vele in zwart geklede mannen die als twee druppels water geleken op de legers in haar droom enkele dagen geleden.  Het leek alsof iemand haar wilde laten zien dat ze met velen waren.   
Her en der zag ze openingen in de grond.  Opeens begon ze te dalen in de richting van een van de openingen.  Niet bij machtte haar ogen af te wenden schoot ze even later door de opening naar binnen.   Op verschillende plaatsen brandden er toortsen aan de oneffen en ruw uitziende wanden van een grot.  Ze zweefde door de grot die zich vertakte in verschillende gangen.

De ene gang na de andere zweefde ze in en weer uit.  Al deze gangen waren propvol met in het zwart geklede mannen.  Het was een akelige gewaarwording omdat ze dwars door hen heen gleed.  Toen ze zo dichtbij was kon ze ook meer details zien.  Het waren stuk voor stuk struis gebouwde mannen.  Het was vreemd dat alle mannen die ze tegenkwam hetzelfde gekleed waren.  Ze droegen allen een eenvoudig, zwarte vest en broek.  Aan een riem droegen ze of een zwaard of een knots met ijzeren pinnen.  Op hun rug zag ze bij sommigen ook een kruisboog.  Hun gezichten waren zwartgeverfd met erover vreemd witte symbolen.  In dubbele rijen liepen ze door de gangen, dwars door haar heen.  In hun ogen bespeurde ze geen leven.  Ze leken steeds recht voor zich uit te kijken.  Ze zou ervoor teruggedeinsd zijn, maar slaagde er niet in.  Iets dwong haar toe te kijken.  In de verste uithoeken van haar geest hoorde ze een lach die haar geest vulde met afschuw.  Ze dacht voor altijd verloren te zijn in de duisternis van deze gangen, omdat er geen einde aan leek te komen. 
Plotseling kwam haar geest tot stilstand vlak voor een in een lange zwarte mantel gehulde gedaante.  Zijn kap was ruim, waardoor die ver over zijn hoofd viel.
Er ging zo een macht van hem uit dat ze gedwongen werd naar hem te kijken.  Ze probeerde tevergeefs haar hoofd af te wenden. 
Toen hoorde ze een zware stem spottend zeggen ‘Denk maar niet dat je door je Jurarch aan mij zal weten te ontkomen Mirah.  Mijn macht is oneindig veel keren sterker, dat zie je aan mijn leger dat spoedig klaar zal zijn om af te rekenen met deze wereld.  En jij zal mij daarin helpen.  Spoedig nu zal jij mij bekoren en zal je iedereen die je voor je zal weten te winnen verraden.  Denk daaraan voor je domme dingen doet en vrienden maakt, want zij zullen de eersten zijn die kennis maken met mijn macht.’ 
Ze deed nog steeds verwoede pogingen om zich te verzetten.  Worstelend in zijn greep kwamen er plots herinneringen bovendrijven van dat kleine meisje dat iedereen altijd links liet liggen.  Ze had het gevoel dat ze altijd al nutteloos geweest was.  Opeens had ze de moed niet meer om te vechten.  Het was eenvoudiger dit gewoon te laten gebeuren.  Wat kon het haar nog schelen.  Haar wereld was toch al verloren voor haar.  Thomas was wellicht ook beter af zonder haar.  Welke waarde had haar leven dan nog.  In antwoord op haar gedachten werd haar geest gehuld in duisternis en ze hoorde een spottende lach.  Ze stelde zich geen vragen want dat verdiende ze. 

Hoelang ze omhuld werd door duisternis, als het ware weggedoken in een uithoek van haar eigen geest, wist ze niet.  De ene na de andere herinnering vanuit haar kinder- en jeugdjaren kwam bovendrijven.  Niet een ervan was positief.  Ze begon de persoon die ze was te verafschuwen, alsof ze uit de huid wilde stappen van dat vreselijke wezen. 
Ze merkte niet doordat haar geest vervuld was met duisternis en afschuw hoe een zachte maar dwingende kracht haar tot zich riep. 
Een spottende zware stem zei ‘De voorvaderen roepen je terug, maar vanaf nu zal je nergens meer veilig zijn… domme geesten…’.  Zijn lach stierf weg alsook begon de duisternis af te nemen en leek ze te zweven in een schemerzone.  Momenten, uren, dagen gleden voorbij.  Er was misschien ook geen tijd voorbij gegaan.  Heel vaag begonnen geluiden tot haar bewustzijn door te dringen.  Het klonk als een monotoon gezang en het werd steeds luider.  Een scherpe geur drong tot haar door die haar niet losliet.  Het gezang klonk nu uit meerdere stemmen tegelijk en vlakbij.  De scherpe geur was nu zo scherp aanwezig dat ze zich ervan wilde ontdoen.  Plots opende ze haar ogen en hapte als een drenkeling naar adem.  Ze begon te hoesten alsof haar longen vol water zaten en bezig waren te verdrinken.  Het leek alsof de duisternis nog steeds in haar longen zat.  Ogenblikkelijk voelde ze hoe ze op haar zijde gedraaid werd om het haar gemakkelijker te maken.  Intussen hield het monotone zingen aan.  Toen ze weer wat lucht in haar longen kreeg probeerde ze met haar ogen te knipperen tegen de rook die haar omgaf.  Eerst zag ze niets.  Maar toen zag ze door de rook heen vaag de contouren van mensen. 

Een vertrouwde hand omsloot de hare.  Ze herkende Ozar. 
Als van ver klonk zijn vertrouwde stem ‘Je bent hier in aanwezigheid van de oudsten van de Jurarch, zij hebben je met hulp van de geesten van onze voorvaderen weer de weg naar je lichaam getoond.’  Fluisterend voegde hij eraan toe ‘Zij wensen nu te spreken.’ 
Toen hoorde ze dat het monotone gezang plots ophield.  Handen draaiden haar weer op haar rug.  Door de dichte rook die haar opmerkelijk genoeg de adem niet benam, maar haar juist hielp weer te ademen kon ze hem niet meer zien.  Ze bevond zich weer in haar lichaam.  Wat was dit voor een vreemde wereld?  Een huivering trok door haar lichaam.  Wie was die vreselijke man met de zwarte mantel?  Ergens besefte ze dat hij de oorzaak moest zijn dat ze hier was.  Waarom?  Wat was hij van plan?  Ze miste Ozar opeens.  Hij was haar enige houvast in deze wereld en ze had hem nodig. 
Toen het stil was sprak een vreemde stem die ergens uit de rook leek te komen ‘Vrees haar niet Jurarch.  Zij is van een andere wereld naar de onze gebracht met grote bedoelingen.  Maar het is aan haar om de verwachtingen in te lossen.  Mirah, vrees ook jij niet.’ richtte de stem zich tot haar.  ‘Degene die je geest gevangen hield is de zwarte koning.  Wij, de geesten van jullie voorvaderen hebben met de stamoudsten een ritueel uitgevoerd waardoor we jouw geest hebben kunnen bevrijden. Wat je gezien hebt is niet wat je hart moet vullen met enkel duisternis.  Wij voelen dat je bent uitgekozen om het lot van deze wereld te keren.  Jurarch hier aanwezig, luister naar jullie voorvaderen.  Laat iemand van jullie naar voren treden als haar beschermheer, waarvoor ons volk ooit bekend stond.  Wees onverschrokken voor de weg die voor jullie ligt.  Jullie weten dat om haar geest te beschermen de band van magie tussen haar en haar beschermheer zo snel mogelijk voltooid moet worden.  Ik heb jullie verteld hoe dit moet gebeuren, dan kan zijn magie ook haar geest beschermen en heeft de duisternis geen grip meer op haar.  Zo zal ze wat er vandaag gebeurd is niet meer hoeven mee te maken.  Vervolgens dienen zij aan hun queeste te beginnen om het oprukkende leger van de Noordelijke diepten het hoofd te bieden.’  De stem klonk steeds zwakker alsof hij steeds van verder moest komen.  ‘Haast jullie!’
Toen was het stil.

De rook om haar heen verloor aan dichtheid waardoor ze zag dat ze in het midden op een stenen tafel lag omgeven door allemaal vreemde mensen, mannen en vrouwen.  Dat moesten alle stamoudsten zijn.  Wat er ook gebeurt was, het had er voor gezorgd dat ze niet meer bij die vreselijke man was, maar terug in haar eigen lichaam.

Zwakjes deed ze een poging om zich op te richten, maar ze kreeg geen beweging in haar lichaam.  Ook Ozar maakte deel uit van de groep.  Hij beantwoorde haar vragende en angstige blik met een geruststellend knikje. 
De man links van hem nam het woord.
‘Oudsten hier aanwezig, aanhoor wat mijn beslissing is.’ 
Schrik sloeg ijskoud om haar hart en ze sloot haar ogen. 
‘Wie zijn wij om de woorden van onze voorvaderen gewoon naast ons neer te leggen.  Iedereen hier aanwezig lijdt door de aanhoudende winter die ons land teistert.  Niemand heeft er tot op dit moment iets aan kunnen veranderen.  Nu komt zij in ons midden vanuit een andere wereld.  Dat kunnen we zien aan hoe ze eruit ziet, de kleding die ze draagt.  En ze is van vlees en bloed, dat hebben we kunnen zien aan haar verwondingen toen ze hier aankwam.’ 
Even pauzeerde hij en keek hen allen een voor een aan.  Hij had grijzend haar, maar zijn lichaam was niet dat van een oude man, integendeel.  Geen enkele Jurarch hier was tenger gebouwd.  Deze man had een imposante, doch vriendelijke uitstraling. 
Na een korte stilte vervolgde hij ‘De voorvaderen hebben ons verteld wat wij moeten doen en hoe we deze vreemdeling kunnen helpen en zo ook een poging kunnen doen om iets aan de situatie van het land te doen.  De geesten van de voorvaderen herinneren zich ook dat lang geleden de Jurarch gekend stonden als beschermheren die via een krachtige band van magie ook de geest kunnen beschermen.  Ze hebben mij de kennis van het ritueel in mijn herinnering gebracht.  Ik als verkozen oudste onder jullie vind dat we zo snel mogelijk een beschermheer onder ons moeten aanduiden en zo gehoor moeten geven aan de raad van onze voorvaderen.  We moeten dit als een eer beschouwen en onverschrokken de gevaren het hoofd bieden die er op ons afkomen.  Ikzelf zou het op mij nemen, was ik niet de stamoudste, maar…’.  
‘Ik ben haar beschermheer,’ zei een haar vertrouwde stem luid. 
De toon in zijn stem duidde erop dat hij geen tegenspraak dulde. 
Ozar stond op en ging naar de stamoudste toe terwijl hij vervolgde ‘Ik heb haar mijn woord reeds gegeven.’ 
Spontaan rolde er een traan over haar wang.  Wat was deze man goed voor haar.  Maar zijn moeder zou dit niet nemen.  Ze keek even de kring rond, maar zag haar niet, anders had ze ongetwijfeld nu al een tegenwerping gemaakt.  Ze hield haar adem in voor wat de stamoudste zou antwoorden. 
Opnieuw werd het even stil alvorens hij zei ‘Wat vinden jullie oudsten hier aanwezig?’  Inwendig kromp ze in elkaar.  Ze had het willen uitschreeuwen, maar angst om alles wat ze niet begreep, wat er gebeurde zorgde ervoor dat ze geen stem had. 
Een volgende traan gleed naast haar ooghoeken richting haar wang. 

Een vrouw aan de andere kant van de kring sprak ‘Ik ga akkoord, maar hoe weten wij dat ze het land werkelijk kan redden?  Hoe kunnen we haar vertrouwen?  We weten immers niets van haar, waarom ze hier is en net bij ons terechtgekomen is.  Ze is van vlees en bloed maar ik zie ook duisternis in haar.  Wie zegt dat er hier geen val wordt gespannen waar we straks met open ogen inlopen?’  Daarop draaide Ozar zich naar de vrouw toe en zei ‘Mag ik spreken?’
Zijn ogen richtten zich eerst op de vrouw en toen op de stamoudste.  Beiden knikten. 
Ozar sprak ‘Ik heb respect voor ieder van jullie.  Maar ik vind dat ik hier moet spreken om jullie duidelijk te maken wat ik gezien heb.’  Hij wachtte even om naar de reactie van de stamoudste te kijken.  Die knikte als teken dat hij verder mocht spreken. 
Ozar kwam naar haar toe. 
Ze zag een glimp van spanning in zijn gezicht, zijn ogen stonden bezorgd.  In een kort gebaar streek zijn hand onopvallend naast haar wang. 
Ze was verbaasd om dat gebaar want hij had zonet haar traan gedroogd in een poging haar te troosten zonder dat het opviel.  Hierdoor gaf hij haar te kennen dat hij ongeacht de beslissing haar nog steeds zou beschermen.  Ze stond niet alleen.  Een streepje warmte bereikte haar hart waardoor haar angst iets minder werd. 

Zich richtend tot de stamoudste zei Ozar zacht maar duidelijk ‘Mijn broer en ik waren aanwezig in het bos om te jagen die avond voor we haar vonden.  Maar ik heb niemand, ook haar niet, tot op dit moment verteld dat ik de nacht ervoor een vreemde droom heb gehad.  Nu, ik weet dat een droom niets zegt en dat hij ook niet waar hoeft te zijn, maar toch wil ik hem hier vertellen.  In die droom zag ik een Elf die zei dat hij de naam Lólindir Telrúnya droeg.’
Vol ontzag keken alle stamoudsten hem aan.  Hij was blijkbaar iemand belangrijk voelde ze.  Hij vervolgde zijn verhaal ‘Inderdaad, iedereen weet toch dat er geen Elfen meer voorkomen in deze wereld en dat hij de Eerste Elf was die meer dan duizend jaar geleden leefde.  En toch sprak hij tot mij in die droom die voor mij zo werkelijk aanvoelde alsof ik op de plaats waar hij was bij hem stond.  Hij zei me letterlijk ‘Er zal een mens vanuit een andere wereld naar jullie wereld komen.  Ga morgen op zoek na zonsondergang in het meest dichtbij gelegen bos.  Bescherm deze mens, want daarop staat of valt de toekomst van jullie en deze wereld.  Begeef jullie zo snel mogelijk richting het voormalige woud van de Elfen dat nu tot de Ezahr behoort.  Daar zullen jullie bondgenoten vinden.’
‘Toen liet hij me een voorwerp zien.  Eerst kon ik het niet goed zien, maar toen de Eerste Elf het in mijn handen legde kon ik zien wat het was.  Het was een gouden armbandje, vervaardigd met uiterste perfectie.  In mijn handen gaf het een warmte af die zelfs mijn hart vervulde met hoop. 
De Eerste Elf zei toen ‘Je zal geloofd worden als je dit laat zien aan jouw volk’.  Hij sloot mijn hand om het voorwerp heen en zei tot slot ‘Geef dit aan je toekomstige beschermelinge en zie…’

‘Toen ik wakker werd en mijn hand opende zag ik dit.’
Ozar opende zijn hand, ging naar de stamoudste toe en liet een gouden armbandje zien.  Vol ontzag om zijn verhaal durfde de stamoudste het voorwerp bijna niet aan te raken.  Maar na enige aarzeling deed hij het toch.  Zijn ogen gingen wijd open alsof hij zich bijna verbrandde aan het voorwerp, maar hij bleef het eerbiedig vasthouden. 
‘Dit is waarlijk een prachtig armbandje en ik voel dat er meer schuilgaat achter dit voorwerp,’ fluisterde hij zacht.
‘Doe wat de Eerste Elf je heeft opgedragen,’ gebood hij Ozar.  Eerbiedig gaf hij het voorwerp terug aan Ozar.  Bijna plechtig kwam Ozar nu naar haar toe en maakte tot haar verbazing een diepe buiging voor haar. 
‘Mirah,’ zo begon hij, ‘in naam van de Eerste Elf, waarover vele legenden gaan en die onze wereld altijd beschermd heeft bied ik jou dit geschenk aan.  Hij zei er ook bij dat de aanwezigheid van het armbandje ervoor zou zorgen dat je ons verstaat en wij jou.’
Daar had ze nog niet bij stil gestaan en dacht aan het dialect dat ze in het begin vreemd had gevonden.  Ook toen was het armbandje al in haar buurt geweest.  Het zou nog moeilijker geweest zijn als ze haar redders niet had kunnen verstaan.    
Hij opende haar hand en legde het voorwerp in de palm van haar hand.  Haar adem stokte even toen ze het voorwerp herkende.  In een oogwenk waren haar ogen nat van tranen, maar het waren tranen van opluchting.  Lang, vele jaren geleden had ze dit armbandje van haar inmiddels overleden grootmoeder gekregen.  Maar ze was het enkele jaren na haar dood verloren…  Ze had alles afgezocht, maar had het tot haar grote spijt niet kunnen terugvinden.  En nu… nu was het hier… Onmiddellijk wilde ze het aandoen.  Ozar bood aan haar te helpen.  Toen ze het aanhad leken er zonnestralen vanuit te gaan en haar hart te raken.  De zonnestralen waren ook zichtbaar voor de oudsten en die voelden sinds lang weer hoop in hun harten.  Zij hadden nu geen twijfels meer en bogen allen hun hoofd toen ze naar hen keek. 
‘Ik…,’ zo begon ze haperend en wende zich tot Ozar, ‘ik dank je om me dit armbandje dat me altijd zo dierbaar was terug te geven.’ 

De stamoudste zei met luide stem ‘Aangezien de Eerste Elf in Ozar’s dromen verscheen sta ik volledig achter de beslissing om Ozar tot haar beschermheer te benoemen.’ 
Hij keek iedereen even kort aan om er zeker van te zijn dat hij ieders aandacht had voor hij vroeg ‘Is de raad der oudsten het met mij hierover eens?’ 
Ze hield haar adem weer in en kneep haar handen tot vuisten.  De daaropvolgende stilte duurde lang.  Ze richtte haar blik op Ozar die er vastberaden uitzag.  Zijn houding leek eenieder uit te dagen die het zou wagen het er niet eens mee te zijn. 
Na een stilte die een eeuwigheid duurde zei de stamoudste tenslotte ‘Goed, Ozar.  Jij mag die taak op je nemen.  Geen Jurarch zal vanaf nu jouw beslissing nog in twijfel trekken.’ 
Opgelucht ademde ze weer uit.  De moeder van Ozar zou hier niet gelukkig mee zijn.  Ze sloot haar ogen.  Liever dan dit alles wenste ze gewoon te ontwaken in haar eigen vertrouwde bed. 
Ze hoorde de stem van de stamoudste vervolgen ‘Ozar, je hebt de stem van de voorvaderen gehoord.  Ben je bereid ook de band van magie met je beschermelinge te delen zodat je haar geest ook kan beschermen?’ 
‘Vanzelfsprekend.’ antwoordde Ozar rustig en vastberaden. 

Nog steeds op tafel liggend voelde ze dat het een lange dag was geweest.  Toch moest er nog iets belangrijks gebeuren.  De band van magie moest nog voltooid worden, wat dat ook mocht inhouden.  De stamoudste kwam naar haar toe en maakte tot haar verbazing een diepe buiging. 
‘Je bent voor ons vanaf nu niet langer een vreemdelinge.  Voor geen enkele Jurarch hoef je nimmer te vrezen.  We zullen deze dag respecteren en nooit vergeten.’ 
Tranen van opluchting brandden in haar ogen.  Ze moest even knipperen om weer scherp te zien.  Zijn woorden betekenden veiligheid.  Daar was ze hem meer dan dankbaar voor. 
De stamoudste ging verder en zei ‘Ik weet dat je moe bent, maar het is gezien jouw situatie en wat je vandaag meegemaakt hebt erg belangrijk dat je een beschermheer hebt onder de Jurarch met de extra bescherming van de band van magie.’ 
‘Waarom?’ vroeg ze verward.
‘Waarschijnlijk omdat je van een andere wereld komt is je geest hier erg kwetsbaar.  De band van magie zal verhinderen dat wat je vandaag meemaakte opnieuw zal gebeuren.’
Zich naar Ozar wendend zei hij ‘Je weet dat eens je een persoonlijke beschermheer bent, je deze taak zal vervullen totdat de opdracht van de uitverkorene hier ten einde is?  Er is geen weg terug.’ 
Ozar knikte en zei opnieuw zonder een zweem van twijfel in zijn stem ‘Ik aanvaard de band van magie en wil haar geest behoeden voor gevaar.  Het is niet voor niets dat de Eerste Elf in mijn droom verschenen is.’ 
Toen richtte de stamoudste zijn blik weer op haar.  Er ging iets gebeuren dat ze niet kon bevatten.  De haartjes op haar armen gingen even recht staan.  Het liefst was ze het gebouw uitgerend, maar er ging een weldoende warmte van haar armbandje uit die haar vreemd genoeg geruststelde.
‘Vrouwe Mirah,’ zei de stamoudste, ‘ik zie dat je hier terughoudend voor bent. 
‘Mirah… het is Mirah,’ onderbrak ze de stamoudste, ‘ik ben niet meer dan jullie. 
Met een knikje gaf hij te kennen dat hij het begrepen had en vervolgde ‘De band van magie zal eenmaal ze voltooid is zo diepgeworteld zijn in je eigen wezen dat hij erg krachtig zal worden.  Jullie kunnen elkaar indien je dat toestaat in gedachten horen praten, zelfs al moest je kilometers van elkaar zijn.  Raak je gewond, dan kan hij de pijn van je overnemen.  Hij zal jouw gevoelens kunnen onderscheiden en je ook daarin helpen.’ 
Ozar moest haar bange blik opgemerkt hebben toen hij de stamoudste bijtrad ‘Het is waar, Mirah, de Eerste Elf heeft tot mij gesproken, maar ik ben het in de eerste plaats zelf die beslis om deze taak op mij te nemen.’ 
En jouw leven dan wilde ze hem vragen, maar hij was haar voor. 
Zijn ogen kregen een zachte uitstraling toen hij zei ‘Je zal in deze wereld nooit meer alleen zijn, zolang ik leef.  Ondanks mijn lot is dit ook mijn eigen keuze.’  Hij voegde eraan toe terwijl hij in haar ogen keek ‘Het zal mij een eer zijn jouw beschermer te zijn.’
Ze was niet overtuigd. 
‘En wat als ik faal?’ vroeg ze de stamoudste. 
‘Ik zie enkel een eerlijk en vriendelijk hart spreken.  Namens de Eerste Elf staan we achter jou.  We vertrouwen jou.’ zei de stamoudste. 
Een traan gleed over haar wang en even voelde ze het gewicht van de hele wereld, teveel voor haar om te dragen op haar schouders.  Maar toen dacht ze aan Thomas.  Die gedachte maakte dat ze de stamoudste in zijn ogen keek en knikte.  Misschien was dit de weg om weer naar haar eigen wereld te kunnen. 
Ze greep die gedachte stevig vast.

De stamoudste kwam onmiddellijk in beweging en verdween kort in een andere kamer van het huis. 
Ozar aankijkend zei ze ‘Het ziet ernaar uit dat je niet snel van me af zal geraken.’ 
Hij glimlachte haar toe. 
‘En jij niet van mij,’ knipoogde hij.

Toen de stamoudste terugkwam had hij een touw in zijn handen.
Maar er was iets vreemds aan dat touw.  Het glansde alsof de maan er rechtstreeks op scheen.  Ze keek hem vragend aan. 
‘Dit is een touw gemaakt door de Elfen.  Het is gemaakt door hen in de tijd dat zij hier nog leefden.  Het gebeurd zelden dat een Jurarch beschermheer wordt, maar om de band van magie te voltooien is dit touw steeds een vereiste.’ legde de stamoudste uit.
De stamoudste vroeg haar ‘Ben je er klaar voor Mirah?’
‘Ga ik iets voelen?’ vroeg ze niet erg op haar gemak.
De stamoudste legde uit ‘Om de band van magie met een Jurarch aan je te binden zal hij alles over je moeten weten.’ 
Ze keek hem geschrokken aan. ‘Alles?’ vroeg ze. 
Hij knikte ‘Ozar moet jou kennen, tot in je diepste wezen.  Hoe beter hij je kent, hoe krachtiger jullie band zal zijn en hoe beter hij jou zal kunnen beschermen.’ 
‘Maar…’ sputterde ze zachtjes tegen ‘…nee…nee… ik… ik kan niet….’  Ozar kwam naast haar zitten, nam haar hand in de zijne en sprak zacht fluisterend, zodat alleen zij het kon horen.
‘Ik zie dat iets jou verdrietig maakt, daarvoor hoef ik zelfs geen Jurarch te zijn.  Heb geen verdriet om wat in het verleden ligt Mirah.  Ik zie je verdriet en je pijn.  Ik wil je helpen.  Laat mij je helpen.  Je kan me vertrouwen.’ 
Hij bleef haar hand die nu zachtjes begon te trillen stevig vasthouden.

‘Ozar…’ snikte ze. 
Onmiddellijk tilde hij haar op zoals hij eerder gedaan had.  Zijn hand omvatte haar hoofd, zijn andere arm lag stevig om haar middel als een belofte van bescherming.  Zijn omhelzing deed nog meer tranen ontwaken. 
Snikkend in zijn armen zei ze ‘Ik kan het jou niet aandoen, je hebt geen idee van de pijn in me.  En ze ligt niet in het verleden.  De pijn is in me, bij me, elke dag en zal dat elke dag opnieuw zijn.’  Ozar liet zich echter niet onmoedigen en dwong haar door haar tranen heen naar hem te kijken.
‘Maar ik zal je helpen.  Sta het me toe alsjeblieft.  Jouw verdriet is het mijne reeds, want ik zie jou meer en meer als een vriendin.  Het is niet nodig jezelf zo te pijnigen.’ fluisterde hij in haar toe. 
‘Waarom… waarom doe je dit?’ vroeg ze niet begrijpend. 
‘Omdat ik niets liever wil dan jou helpen, maar ook onze wereld.  Jouw lot is verbonden aan deze wereld en als jij het goedkeurt zal het ook mijn lot zijn.’ zei hij vastberaden. 
Zijn antwoord klonk logisch en oprecht.  Uiteindelijk zou het haar beslissing zijn.  Misschien had hij het express zo gezegd, het maakte haar wat rustiger.  Opnieuw dacht ze aan Thomas. 
‘Mag ik je helpen?’ vroeg Ozar opnieuw.  Ze keek in zijn ogen die bezorgd naar haar keken en zag daarin ook zijn vastberadenheid.  Een vriendin klonk het opnieuw in haar hoofd.  Hij wist duidelijk nog niet dat ze slecht was in vriendschappen.  Ze zuchtte en knikte tot haar eigen verbazing uiteindelijk. 
Ze was bang, maar Ozar liet haar niet los.  Ozar knikte naar de stamoudste die niet langer aarzelde.  Hij ontvouwde het touw en legde het als een omhelzing rond Mirah en Ozar.  De uiteinden van het touw versmolten zich onmiddellijk, zodat het een sterke ondoordringbare magische band werd.
In het begin voelde ze niets, maar toen begon haar lichaam zacht te te tintelen gevolgd door een weldadige warmte. 
Ze hield net als hij de ogen gesloten en zag wat zij zag.  Alle jaren van haar kindertijd, haar jeugd, haar vreugde maar ook haar verdriet.  Haar pijn, zoveel pijn die ze altijd met zich mee had gedragen en nooit met iemand deelde.  Haar eenzaamheid.  Maar hij zag, begreep en was sterker dan de pijn en het verdriet.  Voorzichtig, geleid door de band van magie, die hij instinctief reeds kon beheersen omdat het in zijn genen zat, generatie op generatie meegegeven door zijn voorouders, nam hij haar ergste pijn weg, verzachtte ze en troostte haar beter dan hij eerder had kunnen doen, dan iemand ooit had kunnen doen.
Zijn geest werd verbonden met de hare.

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.