Gegevens:

Auteur:
Categorie:
Fantasy
Geplaatst:
21 september 2016, om 08:47 uur
Bekeken:
507 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
219 [ download ]

Score: 1

(1 stem)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Zij die de zon draagt 2"


Het leek alsof ze viel aan een duizelingwekkende snelheid, omgeven door een inktzwarte allesomvattende duisternis.  In paniek probeerde ze met haar handen naar houvast te zoeken bang te pletter te vallen.  Er was niets dan leegte.  Duisternis baande zich een weg in haar hoofd waardoor haar bewegingen langzamer werden.  Ze probeerde haar ogen te openen maar dat maakte geen verschil.  Het gevoel dat ze viel was er nog steeds.  Ook haar denken leek bevroren, aangetast door de duisternis.  Het was onmogelijk op een gedachte te concentreren of het was alweer buiten haar bereik. 

Opeens temidden van de duisternis zag ze flarden van een prachtig wit landschap voorbijglijden.  Ze kon niet anders dan de schoonheid ervan bewonderen.  Toen ze wat beter keek zag ze hoe het landschap pijn leek uit te stralen.  Er leek geen leven meer mogelijk, het was alsof het er al heel lang winter was en er nooit een sprankeltje warmte was die al die sneeuw en ijs liet smelten om het leven een kans te geven.  Ze zag graatmagere mensen die met moeite op zoek waren naar voedsel.  Toen verdween het beeld weer.

Pijn deed haar beseffen dat het niet langer leek alsof ze viel.  Kreunend om een hevige pijn aan haar voorhoofd probeerde ze haar ogen te openen.  Via haar hoofd drong de koude van het ruwe oppervlak, waarop haar hoofd lag, tot haar door.  Ze opende haar ogen, maar zag niets, alles was nog steeds donker.  Voorzichtig reikte ze met haar hand naar haar voorhoofd waar de pijn vandaan kwam.  Ze voelde iets nats.  Een geur als van roest drong in haar neusgaten en vertelde haar dat ze bloedde.  Met haar handen zocht ze naar steun om overeind te komen toen ze plots zware voetstappen hoorde weergalmen.  De ruimte waarin ze zich bevond deed haar denken aan een grot.  Wat deed ze in een grot?  Hoe kwam ze aan die wonde?  Ze probeerde na te denken maar de pijn in haar hoofd maakte haar weer duizelig.  De zware voetstappen klonken steeds dichterbij.  Ook begon ze een walgelijke geur te onderscheiden.  Haar intuïtie zei dat ze moest maken dat ze wegkwam.  De pogingen die ze ondernam waren echter tevergeefs.  Haar armen en benen weigerden haar te gehoorzamen, haar hart bonkte tot in haar oren van een beginnende paniek.  Hoezeer ze ook probeerde, haar lichaam kwam niet in beweging.  De walgelijke geur drong verder in haar neusgaten, zodat ze bijna moest kokhalzen.  Instinctief wist ze dat het niets goeds kon zijn.  Nu haar ogen wat gewend waren aan de duisternis zag ze een vage gestalte haar richting uitkomen.  Ze was inderdaad in een grot.  De wanden waren ongelijk en her en der sijpelde er water door.  De geur werd steeds indringender.  Al haar spieren aansprekend, probeerde ze uit alle macht weg te kruipen, was het niet dat ze er de kracht niet voor vond.  Wat deed haar hoofd pijn.  In het vage licht in de grot zag ze een straaltje bloed op de vloer van de grot druppelen.  Tot haar schrik besefte ze dat het van haar hoofd afkomstig was.  Kreunend vocht ze nog steeds tevergeefs om overeind te komen, weg van de twee voeten die nu vlak voor haar stilhielden.  Dit moest een reus van een man zijn dacht ze.  Nooit had ze zulke grote voeten eerder gezien.  Gespannen hield ze haar adem in.  Opeens weergalmde de grot van een lach vol leedvermaak afkomstig van een man voor haar.  Twee enorme handen trokken haar ruw overeind en tilden haar tot vlak voor zijn gezicht.  Ze deinsde weg, hetgeen haar niet lukte.  De stank was nu op het ergst.  Een onzichtbare macht dwong haar te kijken naar het gruwelijke wezen voor haar.  Opnieuw klonk die verschrikkelijke lach die haar hele wezen omhulde.  Ze keek recht in de ogen van een boosaardig wezen.  Zijn ogen waren van het doordringendste zwart dat ze ooit had gezien, alsof alle licht erdoor opgeslokt werd.  Het meeste van zijn gezicht was verborgen achter een metalen masker en zijn kleding bestond uit gescheurde stukken vuil stof.  Hij was fors gebouwd en zeker een meter groter dan zij.  Het had geen zin om proberen te ontsnappen.  Doorheen enkele gaten in het masker zag ze zijn mond bewegen toen hij nogmaals uit puur leedvermaak moest lachen.  Ze dacht dat ze flauwviel door de stank die hem omhulde. 
Toen zei hij minachtend alhoewel ze zijn mond niet zag bewegen, ‘Wie we hier hebben.  Eindelijk ben je van mij en zal ik je laten zien wat ik doe met iemand als jij.  En ik ben iedereen lekker toch te slim af geweest.’  Ze wist niet wat hij bedoelde.  Het vooruitzicht echter om hier nog veel langer te zijn kon ze niet verdragen.  Was dit echt?  Gebeurde dit alles echt of droomde ze dit?  Hoe ze zich ook probeerde te verzetten, het had geen zin.  Ze hing als een lappenpop hulpeloos in de lucht te bengelen vlak voor zijn gezicht.  Ze probeerde haar ogen af te wenden, maar zelfs die luisterden niet meer.  Door een onzichtbare macht werd ze gedwongen toe te blijven kijken.  Gefrustreerd zag ze dat hij niet dadelijk van plan was haar met rust te laten.  Ze begreep er niets van.  Net alsof hij de vraag in haar gedachten kon lezen grijnsde hij en zei kwaadaardig.  Nog steeds bewogen zijn lippen niet.  ‘Jij Mirah, jij zal mij helpen om mijn wil te volbrengen.  Er is niets wat me zal verhinderen over alle macht te beschikken zodat iedereen en alles onderworpen zal zijn aan mij.  Dit alles zal aan jou te wijten zijn,’ lachte hij honend.  In een flits zag ze een grote menigte, een leger, zover ze kon kijken.  Het was duidelijk dat ze zich in gereedheid brachten voor een oorlog.  ‘Dit is mijn macht nu al’ klonk de stem in haar hoofd.  ‘En snel nu zal de strijd om de wereld losbarsten.  Door jou toedoen zal binnenkort alles van mij zijn.’    

Er klonk een andere, vreemde stem, maar ze verstond de woorden niet.  Het volgende moment voelde ze ze zich opnieuw vallen.  De bodem van de grot was ineens een holle ruimte.  Ze viel in duisternis die haar opnieuw volledig omsloot.  Ze wilde schreeuwen.  Er kwam geen geluid uit haar keel.  Hoelang dit bleef duren wist ze niet.  Tijd leek niet voorbij te gaan zodat het aanvoelde als een eeuwigheid.

Opeens was het stil.  Het vallen was opgehouden.  Was ze dood, vroeg ze zich af, tot ze merkte dat ze nog steeds ademde.  Langzaam kwam er weer leven in haar armen en benen.  Herinneringen aan haar auto-ongeval kwamen weer naar boven. Haar hoofd bonkte op de plaats waar ze tegen het stuur opgeknald was.  Pijn.. dus dood kon ze niet zijn.  Langzaam deed ze haar ogen open maar zag niets.  Haar gezicht lag op iets dat koud en vochtig aanvoelde.  Met behulp van haar handen probeerde ze zich op te richten, maar werd ineens zo duizelig dat ze die poging onmiddellijk staakte.  Vaag besefte ze dat er iets niet klopte.  Ze moest zekerheid hebben.  Opnieuw deed ze een poging om overeind te komen.  Het leek wel nacht, want ze zag niets…  het was stil… te stil….  Als ze in het ergste geval uit haar auto was geslingerd moest ze toch dicht bij haar auto en de autoweg zijn.  Zelfs in de verte hoorde ze geen geluiden van auto’s.  Wat was hier aan de hand?  Langzaam begonnen haar ogen aan de duisternis te wennen.  Ze ontwaarde boomstammen en struiken zo ver ze kon kijken en zag dat het nacht was.  Hoge dennenbomen maakten haar omgeving nog donkerder dan de nacht al was.  Schrik sloeg haar om het hart.  Ze kende deze plek niet.  Nergens waar ze ooit geweest was trok in de verste verte op deze plaats.  En wat was het koud.  Ze huiverde.  De wond op haar voorhoofd klopte hevig.  De duizeligheid nam eerder toe dan af.  Ze moest iets doen.
Er knakte iets in de verte….  Van schrik hield ze haar adem in.  Opnieuw knakte er iets… en opnieuw….  Hoorde ze stemmen in de verte? 

De herinnering aan de man in de grot kwam opeens bovendrijven.  Iedere zenuw in haar lichaam schreeuwde haar toe dat ze stil moest blijven.  Ze luisterde naar de geluiden die niet direct haar richting uitkwamen.  Voor zover ze kon opmaken waren er twee stemmen.  Na enkele minuten hoorde ze het geluid wegdrijven.  Het was misschien haar enige kans op redding besefte ze ineens.  Ze moest deze mensen vragen haar te helpen en haar vriend laten weten dat ze verdwaald was…. 

Duizeligheid en pijn verbijtend, deed ze een tweede poging om haar benen onder zich in te trekken.  Zo goed en kwaad ze kon, de stijfheid in haar spieren verbijtend, probeerde ze overeind te komen, steun zoekend aan de takken van de dennenbomen.  De stemmen klonken al verderaf… ze moest ze inhalen….  Van de ene boom naar de volgende, sleepte ze zich voort in de richting waar ze de stemmen voor het laatst gehoord had.  Met moeite deed ze nog enkele passen.  Steeds meer golven van duizeligheid vertroebelden haar gezichtsvermogen.  Lang kon ze dit niet volhouden.  Heel even hield ze halt en tot haar opluchting hoorde ze de stemmen weer wat dichterbij. 
Plotseling verloor ze haar evenwicht.  Een boomstam kwam op haar af.  Door de klap verloor ze het bewustzijn. 
Doordat ze tijdens haar val enkele struiken raakte, veroorzaakte ze genoeg geluid om van een afstand hoorbaar te zijn.

Vaag drongen naderbij komende geluiden tot haar door.  De wereld danste om haar heen.  Het geflakker van vuur kwam haar richting uit gevolgd door de vage gezichten van twee mensen.  Aan de stemmen te horen waren het twee mannen.  Ze knipperde met haar ogen, tevergeefs, want haar blik bleef onscherp.  Hopelijk had ze de juiste beslissing genomen.  Ze werd rechtgeholpen waardoor alles nog meer om haar heendraaide.  Vaag drong het nog tot haar door dat ze werd opgetild.  Wat had ze het koud, zo koud…  Duizeligheid en pijn zorgden ervoor dat ze steeds meer weggleed naar de duisternis in haar hoofd.  Niet meer bij machte haar hoofd weer op te tillen, had ze geen andere keuze dan haar hoofd te laten leunen tegen de schouder van de man die haar vasthield.  Het laatste dat ze hoorde voor de duisternis zich om haar heensloot, was de hartslag van de man die haar in zijn armen droeg alsof ze niets woog.

Ze werd wakker en merkte dat haar ogen haar weer wat meer dienst bewezen.  Met een beetje licht dat afkomstig leek van een haardvuur in het aangrenzend vertrek, zag ze dat ze zich in een slaapkamer bevond.  Buiten de warme gloed die het vuur verspreidde moest het nog donker zijn, want nergens kwam er een straaltje licht binnen.  Ze merkte de contouren van een klein raam op links van haar, maar de opening was afgesloten met een houten luifel.  Ook daar kwam er geen streepje licht binnen.  De houten deur tussen beide ruimtes stond open.  De wanden van de slaapkamer waren gebouwd uit ruwe blokken steen die vakkundig op elkaar gestapeld waren.  De vloer bestond eveneens uit steen.  Het dak boven haar was dichtgemaakt met stro.  Het bed waarop ze lag bestond ook uit stro en voelde verrassend zacht.  Ze probeerde haar hoofd op te tillen.  Dat was geen goed idee.  Duizeligheid dreigde haar weer te vellen.  Voorzichtig reikte ze met haar handen naar haar voorhoofd en voelde dat iemand een verband had aangebracht.  Haar normale kleding was vervangen door een soort tuniek die ruw aanvoelde.  Details kon ze niet zien.  Geluiden van twee stemmen klonken vaag door vanuit een ruimte naast de hare.  Ze hoorde een man en een vrouw met elkaar praten.  Het klonk vaag, maar ze spitste haar oren en hield haar adem in. 

Ze hoorde de vrouw tegen de man zeggen ‘Ozar, je weet niets van haar.  Dit zou zeer gevaarlijk kunnen zijn.’ 
Een mannenstem die vermoedelijk van Ozar was antwoordde ‘Mijn verontschuldigingen als ik dit niet zo zie, maar de vreemdelinge heeft duidelijk onze hulp nodig.  Het ligt toch zeker niet in onze aard om iemand die gewond is onze rug toe te keren?’ 
De vrouw antwoordde ‘Ik laat het over aan de raad der oudsten om hierover een definitieve beslissing te nemen.  Tot dan zullen we haar zo goed mogelijk proberen te helpen.  Maar wees waakzaam, mijn zoon’. 
‘Dat zal ik zijn, moeder.’ 

Aan de voetstappen te horen liep iemand naar buiten.  De overgebleven persoon hoorde ze hout op het vuur gooien. 
Ze snapte niets van wat er allemaal gebeurde.  Waarom was ze hier en niet in haar vertrouwde omgeving?  Ze miste Thomas en wilde hem bereiken.  Hij moest weten dat ze een ongeval had gehad en verdwaald was.  Maar waar moest hij haar komen zoeken?  Deze huizen leken helemaal niet op de huizen die zij kende.  Het was alsof ze in een slechte film verzeilt geraakt was.  Het werd haar eventjes teveel.  Enkele tranen gleden uit haar ooghoeken en vertroebelden haar zicht. 

Ze schrok toen ze iemand zag naderen.  Het moest Ozar zijn dacht ze.  Vlug veegde ze de tranen weg en probeerde haar stem te vinden, want ze moest terug naar haar vertrouwde omgeving. 
‘Mag ik even gebruik maken van jullie telefoon?’ vroeg ze met schorre stem.  De man echter reageerde niet en bleef in de deuropening staan.  Meer dan zijn silhouet dat donker afstak tegen de verlichte ruimte achter hem kon ze niet zien.  Momenten gleden voorbij voordat de man verder kwam waardoor ze hem iets duidelijker kon zien.  Hij moest degene zijn die haar had gedragen, vermoedde ze, want hij zag er heel sterk uit.  Ze herinnerde zich zijn kracht.  Hij had haar waarschijnlijk naar hier gedragen.  Iets aan hem echter verontrustte haar.  Alleen al zijn voorkomen en dit huis maakten haar steeds ongeruster.  Maar ze drong de gedachte weg en concentreerde zich op hem.  Hij had brede schouders en was erg gespierd.  Hij droeg een beige tuniek zoals zij nu, maar dan met een brede leren gordel om zijn middel.  Aan zijn voeten droeg hij stevige leren sandalen.  In de schemering zag ze dat hij kort bruin licht krullend haar had en bruine ogen waarin ze zijn verbazing kon lezen op haar vraag. 
In plaats van op haar vraag te antwoordden hoorde ze hem met een vreemde tongval zeggen ‘Vrouwe, je bent serieus gewond door je val in het woud.  Tot je beter bent kan je best hier blijven.’  De taal die hij sprak had overeenkomsten met de hare.  Het was misschien een of ander dialect dat ze nog nooit eerder had gehoord.
Maar dat was het minste van haar zorgen.  Ze wilde hier weg.  Als ze de kracht had gehad was ze al weggegaan. 
Ze vroeg op smekende toon waarin iets van haar ongerustheid doorklonk: ‘O, alsjeblieft, ik wil Thomas laten weten waar ik ben.  Mag ik even bellen?’ 

Nu kwam Ozar naar haar toe en nam een houten stoel die naast de muur stond met zich mee, schoof hem naast haar bed en ging erop zitten.  Ze zag oprechte bezorgdheid in zijn ogen.  Hierdoor weerhield ze zichzelf voor de zachte aanraking van zijn hand op de hare weg te deinzen, alvorens hij de wonde op haar hoofd controleerde.  Ze zag dat het verband doorweekt was van haar bloed.  Hij bracht uiterst voorzichtig maar stevig een nieuw verband aan en hij slaagde erin dat te doen zonder dat ze duizelig werd.  Toen hij zo dichtbij was kon ze zijn gezicht duidelijk zien.  Hij zag er nog redelijk jong uit, ze schatte rond de vijfendertig.  Hij had een haviksneus en brede jukbeenderen.  In zijn bruine ogen kon ze een oprechte en groeiende bezorgdheid aflezen.  Ze kreeg er een brok van in haar keel en nieuwe tranen brandden weer achter haar ogen. 
‘Help me alsjeblieft,’ fluisterde ze smekend. 
Een enkele traan baande zich een weg naar buiten.  Ze begreep niet waarom hij niets zei. 
‘Vergeef me vrouwe,’ zei hij aarzelend omdat hij misschien besefte dat hij haar zou teleurstellen, ‘… maar… ik begrijp niet wat je bedoelt met bellen of telefoon…’. 
Dat antwoord had ze niet verwacht.  Wie kende nu geen telefoon.  ‘Kan je mij iemand halen die wel een telefoon kent?’ vroeg ze een beetje boos.  Was hij haar voor de gek aan het houden?  Dit was niet het moment voor grapjes. 
‘Momentje,’ zei Ozar voor hij opstond en het vertrek verliet. 
Aan zijn snel wegstervende voetstappen hoorde ze dat hij zelfs het huis verliet.  Gedreven door paniek en haar vreemde omgeving, dacht ze niet na over de gevolgen maar slingerde in een snelle beweging haar benen over de rand van het bed.  In diezelfde beweging duwde ze zich van het bed af.  Duizeligheid deed haar bijna weer het bewustzijn verliezen.  Ze klampte zich vast aan de stoel waar Ozar net nog op gezeten had.  De deuropening danste voor haar ogen maar alles was beter dan te berusten in haar lot.  Ze zette vastberaden een stap naar voren, maar duizeligheid nam het van haar over.  Ze verwachtte de klap met de harde grond maar die kwam niet. 

Haar val werd onderbroken door een hand die haar in volle snelheid bij haar schouder nam en weer overeind sleurde. 
‘Vrouwe…’ hoorde ze een stem zeggen. 
Ze herkende de stem van Ozar. 
‘Wat dacht je te doen?’ klonk zijn stem vermanend. 
‘Laat me gaan,’ smeekte ze nu met tranen in haar ogen.  ‘Laat me naar mijn vriend gaan of laat me hem tenminste verwittigen,’  voegde ze eraan toe terwijl ze een zwakke poging deed zich los te trekken. 
Zijn hand omklemde haar schouder nog steeds en zijn greep was zo stevig dat het pijn deed.  Opeens kwamen herinneringen van haar auto-ongeval bovendrijven.  Gelach weerklonk in haar hoofd, waardoor het even leek alsof ze weer terug in de grot was en het boosaardige wezen weer voor zich zag.  Ze hoorde zijn spottende lach om haar angst.  Instinctief wilde ze wegdeinzen.
‘Nee!’ kreunde ze.  Niet opnieuw…  
Haar gedachten werden verstoord door een vage pijn die steeds heviger werd.  Op dat moment, alsof hij spijt had van zijn eigen krachten liet Ozar haar schouder los, niet beseffend dat hij haar onbewust een dienst had bewezen. 
‘Het was niet mijn bedoeling je nog meer pijn te bezorgen….  Ik ben net aan onze stamoudste gaan vragen of hij ooit van een telefoon gehoord had, maar ook hij weet niet wat je daarmee bedoelt.’

Iets van de duisternis beklemde haar.  Het leek alsof strengen ijs haar hart omsloten.  Het was allemaal teveel voor haar.  Ook Ozar’s antwoord schokte haar.  Wie sprak er de dag van vandaag nog van stamoudsten.  Ze vond haar stem niet meer terwijl er zoveel vragen door haar hoofd spookten.  Waarom?  Wat was er gaande? 
Al haar hoop smolt weg van het ene op het andere moment, als sneeuw voor de zon.  Ze had het gevoel dat ze droomde maar er niet uit wakker kon geraken.  De pijn die ze voelde was echt.  Nu ze Ozar duidelijker kon zien zag ze dat hij geen mens was zoals ze er al ooit een gezien had.  Zijn vreemde gelaatstrekken, zijn bijzondere gespierdheid, zijn kleding hadden haar al een vaag antwoord op haar vermoedens gegeven. 

Ze kon haar tranen niet langer tegenhouden.  Duizeligheid overspoelde haar weer.  Bezorgd, streek hij troostend haar tranen weg.  Dat gebaar had ze niet verwacht.  Het gaf haar de kracht om een belangrijke vraag te stellen, terwijl haar hoop steeds verder uitdoofde. 
Ze stelde hem toch.  
‘Waar… waar ben ik…?’ vroeg ze half snikkend. 
‘Rustig vrouwe…,’ zei hij bezorgd en met enige aarzeling.  ‘Je bent gewond, geef jezelf even de tijd om weer op krachten te komen voor we verder praten.’ 
Ze sloot haar ogen vechtend tegen een hevige golf van duizeligheid, maar ze werd niet rustig, integendeel. 
Met alle krachten die ze nog had greep ze stevig zijn hand vast, keek angstig in zijn ogen en vroeg opnieuw ‘Waar ben ik?’  
Geruststellend probeerde hij ‘Je bent veilig in ons dorp Jura.’ 
Zijn antwoord maalde een tijdje door haar hoofd.  Zijn kleding, zijn vreemde uiterlijk, het vreemde bos… . 
Ze raapte al haar resterende moed bij elkaar en vroeg ‘Ken… ken je de aarde?’ 
Maar nog voor hij antwoord gaf las ze in zijn ogen haar antwoord terwijl hij bezorgd in de hare keek en niet anders kon dan zijn hoofd schudden. 
‘Help me,’ snikte ze hartverscheurend.  ‘Ik.. ik..,’ heb Thomas nodig wilde ze zeggen, maar de woorden bleven in haar keel steken.  Alsof iemand haar wil om te vechten had doorgeknipt zakte ze door haar knieën.  Toen pas merkte ze dat Ozars hand haar al die tijd al ondersteunde.  Moeiteloos ving hij haar op, tilde haar op en legde haar weer op het bed.  Ze dacht hem te horen zeggen ‘Helpen zal ik je.’  Maar ze wist het niet zeker.  Verwarde gedachten overspoelden haar.  Ze besefte dat ze middenin een echte nachtmerrie zat waaruit ze niet plots zou ontwaken.  Zou ze haar wereld, haar vriend, haar ouders, haar collega’s ooit nog weerzien?  

Ozar zag haar verdriet.  Hij kon geen woorden bedenken om haar te troosten omdat hij nog zo weinig van haar wist.  Terwijl hij opstond van zijn stoel, nam hij haar hand in de zijne en zette zich naast haar op de rand van het bed.  Ze reageerde echter niet op zijn nabijheid of zijn aanraking.  Er stond een verre blik in haar roodomrande ogen, die dwars door hem heen leken te kijken.  Bovendien schrok hij ervan hoe koud ze ineens aanvoelde.  Hij kon haar zo niet achterlaten.  Niet wetende wat hij anders moest doen, schoof hij heel voorzichtig een van zijn handen onder haar schouders terwijl hij met zijn andere hand haar hoofd ondersteunde en tilde haar naar zich toe.  Zachtjes liet hij haar hoofd tegen zijn schouder aan rusten en hield haar zo een poosje vast.  Hij wilde haar troosten, maar kon niet tot haar doordringen.  Hij bezat niet wat ze nodig had om haar te helpen.  Ze was te ver heen in haar verdriet om zich door hem te laten troosten.  Toen begon ze weer te huilen.  Ze huilde totdat ze geen tranen meer had.  Ozar voelde haar verdriet alsof het naar hem schreeuwde en op dat moment nam hij een beslissing en zou zich door niemand laten weerhouden.  Hij bleef haar zacht en troostend tegen zich aanhouden totdat er geen tranen meer kwamen en ze in slaap sukkelde.  Toen liet hij haar zachtjes weer zakken op het bed.  Ze droomde rusteloos.  Hij week niet van haar zijde. 

Hij had een geheim dat hij pas mocht onthullen als het moment ervoor aangebroken was, niet eerder.  Even keek hij besluiteloos naar het voorwerp dat hij in zijn hand hield.  Van het voorwerp keek hij weer op naar de vreemde vrouw die hij in het woud had gevonden.  Verhalen uit een ver verleden, die zijn overgrootvader hem eens verteld had spraken van vreemde gebeurdenissen.  De vader van zijn overgrootvader was er zelf getuige van geweest hoe iemand ineens voor hem was verschenen die er heel vreemd had uitgezien.  Uit de beschrijving vond hij overeenkomsten met de vrouw voor hem.  Wat er met die man gebeurd was wist hij niet meer.  Hij had het wel geweten, maar het was hem verteld toen hij nog geen interesse had voor zulke dingen en liever zelf op avonturen uitging.  Peinzend dacht hij erover na terwijl hij staarde naar de vrouw voor hem.  Ze had halflange kastanjebruine haren die nog voor een groot deel onder haar bloed zaten.  Alhoewel hij al eerder mensen had gezien in zijn wereld, was ze toch veel fijner gebouwd dan hij ooit bij mensen gezien had.  Net nog hadden haar bruine ogen dwars door hem heengekeken.  Ze moest wel van een andere wereld gekomen zijn.  Hij zuchtte verdrietig, want ze bracht herinneringen weer tot leven.

Badend in het zweet werd Mirah na enkele uren weer wakker.  Ze rilde van een beginnende koorts en was zo duizelig dat de kamer waarin ze lag om haar heen tolde.  Als van ver hoorde ze Ozar en een vrouw, waarschijnlijk zijn moeder weer met elkaar praten.  Zich erop concentreren ging niet.  Ze voelde dat een vochtige doek doordrenkt met verfrissend water op haar voorhoofd gelegd werd.  Toen begreep ze dat Ozar en zijn moeder een poging deden om de koorts die haar nu in zijn macht had te onderdrukken. 

Plots wist Ozar wat er met de man uit haar wereld gebeurd was.  Hij kreeg het ijskoud bij de gedachte dat ze ondanks al zijn zorgen nog steeds dood kon gaan.  Die man was na amper enkele uren gestorven.  Vaag herinnerde hij zich dat niemand de scheiding tussen de werelden zomaar over kon steken.  Haar lichaam en geest werden op de proef gesteld.    
Maar ze mocht niet doodgaan.

Iemand hield een kruik met een walgelijk ruikende vloeistof voor haar mond.  Een vrouwenstem drong vaag tot haar door en spoorde haar aan te drinken.  Ze deed een poging, maar haar keel voelde droog en pijnlijk aan.  Ze verslikte zich in de dikke vloeistof waardoor ze een deel morste, maar hetgene ze wel binnenkreeg smaakte vreselijk.  De vrouw mompelde iets van kruiden.  Het kon haar niets schelen.  Waarom moest ze nog vechten.  Het was makkelijker op te geven.  Langzaam zakte ze weg van uitputting of van de verzachtende werking van de kruiden, naar de duisternis van haar hoofd.

De daarop volgende dagen en nachten droomde ze, ijlde ze, zonder echt wakker te worden.  Uiteindelijk was haar lichaam zo moe dat ze in een lange diepe slaap viel. 
Ozar verliet haar zijde enkel om zelf kort te gaan rusten.  Hij was zelf ook rusteloos geworden van het weinige wat ze hem gevraagd had.  Hij had haar niet kunnen helpen.  Hij wilde dat hij meer voor haar kon doen.  Ze had zo hulpeloos geleken.  Hij vreesde zelfs nu nog voor haar leven.  Er was iets dat haar tot in haar diepste wezen verdrietig maakte voelde hij.  Hij besloot ondanks de protesten van zijn moeder, naast haar de wacht te houden opdat hij er zou zijn als ze weer wakker werd.  Terwijl ze geteisterd leek door dromen had hij vaak haar hand in de zijne genomen alsof hij haar daarmee kon helpen, haar kon overtuigen bij de wereld van de levenden te blijven...  Nu was ze in een diepe slaap en ademde rustig.  

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.