Gegevens:

Auteur:
Categorie:
Sciencefiction
Geplaatst:
2 februari 2015, om 14:56 uur
Bekeken:
476 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
176 [ download ]

Score: 1

(1 stem)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"De ontvoelde toekomst - deel 12"


De ontvoelde toekomst

 

deel 12

 

Meik was weer alleen met Parg. Iedereen was vertrokken. Dr. Lunaj had Habe geïnformeerd. Deze zou met een paar weken bij hem komen werken. Habe was razend enthousiast. Hij zou weer in veiligheid zijn.
“Parg, je blijft mij verbazen met je uitspraken, evenals de anderen. Het is ongelooflijk! Hoe krijg je het voor elkaar?”
“Parg heeft een grote, overkoepelende zorg en dat is het voortbestaan van de mens. Altijd is Parg voor zichzelf bezig uit alle gegevens die hij bezit het beste te destilleren voor de mens. Misschien is een rationele benadering dan het beste. Het leven op aarde geschiedt door natuurkundige en chemische processen. Over oorsprong en eventuele sturing is niet alles bekend bij de mens, dus ook niet bij Parg. De mens is middels de evolutie de enige factor die dit proces kan beïnvloeden. De evolutie heeft hem technisch inzicht en kunnen gegeven. Onbegrijpelijk complexe processen van gevoelens hebben dit een sturing gegeven, naar we nu weten in negatieve zin. Het kostbare cadeau van het leven is niet genoeg gebleken voor de mens om dit systeem in stand te houden voor zijn nakomelingen. Zelfs grote denkers die dit begrepen en waarschuwden konden niet opboksen tegen de negatieve spiraal waarin de mens kwam te verkeren. Nu rest nog slechts één redmiddel en dat is diezelfde techniek. In een scenario van goedwillenden, die bereid zijn offers te brengen en zich luxe en welstand te ontzeggen, tegenover hautaine technologische machthebbers, waarvan te verwachten is dat zij ons niet zullen en willen begrijpen. Strijd tussen gevoel en techniek is wat ons waarschijnlijk te wachten staat. Nog is het niet te laat in de genetische devaluering waar de mens al decennia onder lijdt. Meer dan decennia zal nodig zijn om weer op het oude niveau terug te komen, temeer daar de aarde veel tijd nodig zal hebben om weer schoon te worden. Het worden spannende tijden, Meik... Aan ons de toekomst.”
Op de een of andere manier had Meik een heilig ontzag en vertrouwen gekregen in zijn robot. Welk een onvoorstelbare vriend bezat hij. Hijzelf! En waarom? Een simpele, eenvoudige man, die uit miljarden was uitverkoren om dit te gaan doen en tevens in het bezit van de meest geavanceerde robot die ooit uit metaal gebouwd was.
En dr. Lunaj? Welk een gedrevenheid moets dit mens bezitten om dit alles aan de hand te halen! Was het niet veel eenvoudiger om dit hele proces maar op zijn beloop te laten? Hij had een goed en rijk leven gehad. Wat dreef hem om zoveel zorg op zich te nemen? Ja, de mens, het systeem, was uniek. Maar had hij de verantwoording ervoor? Natuurlijk niet, en toch nam hij het. Ieder mens op zich had een zekere verantwoording, maar gedekt door het systeem waarin hij verkeerde nam hij toch de houding aan om voor zichzelf te zorgen als zijnde een recht, met een bizarre veronachtzaming van tijden en omstandigheden na hem. Instinctief egoïsme, wat bepalend was in het dierenrijk, was dodelijk in het mensbestaan. Dodelijk gebleken, dat werd nu duidelijk.
“Parg, hoe denk jij over het nieuwe leefontwerp zoals dr. Lunaj dat ontworpen heeft?”
“Het is onvoorstelbaar moeilijk om zoiets te ontwerpen, Meik,” antwoordde de robot. “Vergeet even niet dat dr. Lunaj gevormd en opgevoed is in en door de tijd waarin wij verkeren. Hij heeft zijn geest verplaatst in een totaal andere situatie. Parg heeft geen gevoel, doch een mens wel. Voor Parg zijn inleving in zo een situatie is het al moeilijk, doch voor een mens is het nog veel moeilijker. Parg kent dit nieuwe ontwerp en kan het alleen maar goedkeuren. Dr. Lunaj is een heel bijzonder mens. Waarschijnlijk is hij de enige mens die in staat is om dit allemaal te doen; dit plan organiseren, Parg bouwen en een nieuwe leefvorm ontwikkelen.”
Langdurig staarde Meik de robot aan. Tenslotte vroeg hij:
“Parg, als er een almacht bestaat, denk je dan dat die dit alles laat verrichten middels dr. Lunaj? Met andere woorden: dat dit zo georganiseerd wordt om de mensheid een laatste kans te geven?”
Zacht zoemend dacht de robot even na.
“Nee, Meik. Absoluut niet. In het evolutionaire axioma van goed en kwaad behoort dit tot de mogelijkheden. Goed en kwaad is ontsproten aan het menselijk brein, het is geen natuurkundig gegeven en behoort ook niet tot het instinctieve dierenleven. De mens heeft er een waarde aan gegeven. In het nieuwe leefontwerp heeft dr. Lunaj bindende voorwaarden aan goed en kwaad gegeven, middels duizenden jaren ervaring met een wegebbend kwaad-gegeven in een aantal jaren. Het begrip kwaad zal dan naar verwachting in de loop der tijd verdwijnen, uitsterven en een onbekend begrip worden. Nu is dat ondenkbaar, maar als de plannen slagen zal het zo gebeuren. Het aloude gezegde dat goed alleen kan bestaan naast kwaad is een verzonnen woordspeling van de mens. Werkelijke omstandigheden zijn totaal verschillend van taalgebruik. Misschien een voorbeeld van het aloude gezegde van theorie en praktijk.”
“Parg, alweer bewijs je dat je creatieve gaven hebt, hoewel dat een robot niet past. Ik kan je niet verbeteren in je betoog.”
“Dank je, Meik. Parg tracht alleen te helpen. Het moeilijkste wat er bestaat voor Parg is het menselijk gedrag voorspellen.”
“Ik weet het, Parg, alweer zo een wijsheid van je,” zei Meik.
“Het is ook zo jammer,” vervolgde de robot, “dat al het denkwerk omtrent het mensbestaan van denkers dit gevaar toch niet afdoend onderkend heeft. Dat blijft Parg verbazen, alhoewel Parg beseft dat dit denken geen wetskracht had, geen dwingend karakter.”
“Inderdaad, Parg. En het is nu wel bekend dat de mens niet zelf zijn verantwoording nam en verkeerde dingen bleef najagen. Jammer en triest. Maar het is al vaker gezegd. Nu is het eenvoudig te laat. Wij die er nog iets van maken willen, moeten nu via een onwaarschijnlijke inspanning redden wat er nog te redden valt...”
“Het blijft ongelooflijk dat op aarde naast de waanzinnige luxe voor een relatief kleine groep zoveel ellende kan bestaan. Het gevoelsleven van de mens is in de evolutie helemaal doorgeschoten. Voorspellen is natuurlijk ontzaglijk moeilijk, ook voor Parg, maar het viel toch te verwachten dat dit eens vast zou gaan lopen, Meik. En toch gaat het maar door.”
“De heersende macht staat ijzersterk, Parg. Bij het gebrek aan gevoel hebben zij er geen notie van wat de andere kant doormaakt. Het is de ergste vorm van discriminatie sinds het mensbestaan. Er is door de techniek een klassen-maatschappij ontstaan die welhaast nog erger is dan de periode van de slavernij, zeker in getal. De evolutionaire generatieve ontvoeling heeft dit mogelijk gemaakt, beschermd door ultieme techniek. Sociale aspecten zijn in onbruik geraakt, de leidende orde kent het eenvoudig niet meer. In zuivere zin is de mens, door genetische manipulatie en kloon-technieken, ook al geen uniek individu meer. De kwaliteit is overgegaan in kwantiteit, ondanks vele waarschuwingen. Ik mag mij gelukkig prijzen dat ik zover ik weet nog puur mens ben en geen lab-product, hoewel ik dat nooit zeker kan weten. Mijn genen-verleden laat geen manipulaties zien, ik heb het onderzocht, maar als er met de gegevens geknoeid zou zijn gaat het al niet meer op.”
“Zelfs Parg blijft leren, Meik. Dit wist Parg niet.”
“Zelfs jij kan niet alles weten, Parg. Maar neem van mij aan dat er veel zielen op aarde rondlopen die niet zuiver zijn in de genenstructuur. Dat veroorzaakt ook de vele vreemde ziekten waar veel mensen onder lijden, ook op mentaal gebied. Het is een oncontroleerbare warboel geworden, een chaos waar geen orde meer in is te scheppen. De medici hebben de grootste tragedie veroorzaakt die maar denkbaar is. De keerzijde, één van de vele keerzijden, van de techniek. Let wel: ik ben geen negatieve doemdenker, ik constateer alleen. Het zal voor ons nog moeilijk genoeg worden om de mentaal ontwrichten buiten onze leefgemeenschap te houden. We zullen hard moeten zijn, hoe moeilijk het ook is...”
“Wil je daarmee zeggen dat alleen genetisch pure mensen toegang tot onze leefgemeenschappen zullen krijgen, Meik? En zo ja, hoe wil je dit controleren?”
“Nee, Parg. In principe is iedereen welkom. Het is trouwens bijna niet te controleren. Van paupers zijn geen medische gegevens voorhanden en al helemaal niet als zij een proef waren. Maar wat ik bedoel is dat er zielen zijn die zo verrot zijn door interventie in hun genen dat er geen land mee te bezeilen is. Ik weet wel dat zij er niets aan kunnen doen, doch ze zijn volkomen onhandelbaar en ze zijn ook niet te hervormen. Dat soort figuren zullen we moeten weren, hoe triest en moeilijk dat ook zal zijn...”
“Parg begrijpt het, Meik. Doch daarnaast zullen er ook twijfelgevallen zijn. We spraken er al over...”
“Ik weet het, Parg. Er zullen harde noten gekraakt moeten worden. In dit alles of niets scenario zullen er keuzes gemaakt moeten worden. Het zal moeten.”
“Alle deelnemers aan dit project krijgen hiermee te maken, Meik. Het valt te verwachten dat jij een ander toelatingsbeleid zult voeren dan bijvoorbeeld Raaia, die misschien wat zachter is. Misschien zal men dit doorzien en zal haar groep veel groter worden.”
“We zullen hierover overleg moeten plegen, Parg. Vergeet niet dat we in constante verbinding staan met elkaar. Ik verwacht dat dr. Lunaj hiervoor wel een oplossing zal hebben. Vergeet echter ook even niet dat deelnemers aan het systeem ook verplichtingen aan moeten gaan om het systeem te doen werken. En er wordt niets mee verdiend. Hier zal waarschijnlijk al de grootste zifting ontstaan. Ik kan alleen maar vermoeden dat alleen goedwillende idealisten toe zullen treden. We moeten het maar afwachten, Parg. Maar goed. We kunnen nog uren praten, voor nu vind ik het wel genoeg. Ik ga nog even naar Habe en dan ga ik maar weer even plat.”

Parg was alleen met z'n gedachten. Altijd was hij tijdens rustige momenten bezig om de zaken te ontleden. In deze situatie had hij iets te doen. De robot tastte alles af in zijn geheugen om tot een oordeel te komen hoe de dingen mogelijk zouden kunnen gaan lopen. Doch hij kwam er niet uit. Het was eenvoudig te moeilijk. Parg besefte maar al te goed welk een verantwoording dr. Lunaj op zijn schouders nam. Er was niet alleen het begin, doch ook het vervolg en zelfs de toekomst. Voor hem stond het vast dat het eens tot een confrontatie moest leiden met de heersende orde, al was het alleen maar uit jaloezie. En die confrontatie zou niet zachtzinnig zijn. Dat viel wel te verwachten. Het vuile werk zou geschieden door robots. Het was allemaal elektronica. In die zin zag de toekomst er niet fraai uit. Maar naar het scheen was dr. Lunaj op alles voorbereid. Het zou vroeg of laat wel blijken.
Parg wist en begreep dat zijn bestaan erop gericht was om de mens te dienen, te helpen. De confrontatie met andere robots zou voor hem bestaansbedreigend zijn. Hun programmatuur was vernietigend. En al helemaal tegen robot-collega's. Uiteraard kende Parg geen angst. Hij kon iedere robot bevechten. Er was echter altijd de zorg voor de mens. Als een andere robot hem zou uitschakelen, was hij niet meer in staat om de mens te helpen, zijn uiteindelijke bestaansrecht. Dit gegeven kon van hem een ongeëvenaarde vechtmachine maken, vooral ten aanzien van zijn metalen collega's.
Parg wist natuurlijk dat dr. Lunaj bij hem de bekende menselijke vechttechnieken had ingebracht. Als ze voor mensen geschikt waren, konden ze voor robots ook gebruikt worden. Uiteraard met de nodige aanpassingen. De huid van een metalen mens was wel even anders dan die van een mens.
De robot besloot om eens te gaan kijken wat de mogelijkheden waren van zijn vechtprogramma. Hij had er nog geen gebruik van gemaakt. Maar dan had hij wel een opponent nodig.
Na enig nadenken vond hij de oplossing.
Hij sloot zichzelf aan op Meik zijn computer en kopieerde zijn vechtprogramma daar naar toe. Het was natuurlijk geen fysieke opponent maar de theoretische vorm was vooralsnog voldoende om zijn reacties te testen op de aanvalsacties.
Razendsnel beroerden Parg zijn metalen vingers het toetsenbord. Hij had de opdrachten ook rechtstreeks in kunnen voeren, maar met deze actie was zoveel geheugen gemoeid dat hij besloot het op deze manier te doen. Hij programmeerde een aantal willekeurige aanvalsacties op welke hij moest reageren.
Parg kwam tot de ontdekking dat zijn programma aanvalstechnisch perfect in orde was, doch de verdediging liet veel te wensen over. De robot begreep dat hij voorlopig iets te doen had in zijn rustige perioden.
Hij zorgde er tevens voor dat de nieuwe verdedigingstechnieken vastgelegd werden in zijn brein. Ook zorgde hij ervoor dat de reactietijd zo scherp mogelijk was. Hij trainde zichzelf om zo spoedig mogelijk uit te vinden wat de opponent van plan was. Om hier zo snel mogelijk op in te spelen gaf al de winst, het vergrootte de kans van slagen om als winnaar uit de strijd te komen.
Voor het vernietigen, het afmaken van een metalen tegenstander bezat hij wel de vaardigheden. De zwakke plek van elke robot waren de nek of de ogen.

De volgende morgen vertelde hij Meik van zijn bezigheden.
Deze was verwonderd.
“Vindt je dat nodig, Parg?” vroeg hij.
“Ja,” antwoordde de robot. “Het is beter om op zoveel mogelijk dingen voorbereid te zijn. Als Parg door een collega uitgeschakeld zou worden, dan kan hij de mensen niet meer helpen. En dat zal dan problemen geven. Vechten tegen robots zonder robots is niet mogelijk.”
“Goed voorbereid zijn is altijd het beste, Parg. Ik moet je gelijk geven, maar ik heb nu eenmaal een afkeer van geweld, zoals je weet. Maar als je het nodig acht.”
“Parg gebruikt z'n energie niet voor nutteloze zaken, Meik,” zei de robot.
“Ik weet het, vriend,” zei Meik. “In je programma komt het begrip nutteloosheid niet voor. Alles heeft een bedoeling. We gaan even aan de wandel.”
“Wat gaan we doen, Meik?” vroeg Parg.
“De wijk in. Binnenkort zijn we weg hier. Om waarschijnlijk nooit meer terug te keren. Ik wil Wotue nog even bezoeken.”
“Ga je hem vertellen van de plannen?” vroeg de robot verder.
“Ja, Parg. Wel met de nodige voorzichtigheid. In feite is het hele gebeuren geen geheim, althans later niet. Maar hij moet het gewoon weten.”

Wotue was zeer verrast dat Meik en Parg bij hem op bezoek kwamen.
 Meik vroeg of ze veilig konden praten. Volgens Wotue was dat geen probleem. De toezichthouders waren nog geweest, op zoek naar Habe. Nog steeds hadden ze hem niet gevonden.
In voorzichtige bewoordingen verteld Meik Wotue van de plannen. Deze was min of meer verbijsterd.
“Meik, ik heb hier geen woorden voor. Het is toch niet voor te stellen dat zoiets door één mens georganiseerd kan worden? Dat is toch volslagen onmogelijk?”
“Vele dingen beginnen klein, Wotue,” zei Meik rustig. “Maar als het levensvatbaar is, zal het vanzelf groeien. Ik zie het zitten en wil er aan meewerken. Er gebeurt tenminste iets. Als jij kunt aantonen dat de lopende ontwikkelingen beter zijn en dit alles overbodig is, zal ik er mee stoppen. Maar je kunt dat niet.”
“Het gaat inderdaad niet goed, Meik, dat weten we. Maar of het mogelijk is om dit proces te beïnvloeden, laat staan te veranderen, is de grote vraag. Ik vind het nogal wat... En mocht het gaan slagen, dan denk ik dat de problemen pas echt komen. Mensen hebben de neiging om naar de goede dingen te trekken. En dan?...”
“Dat is nu nog niet te overzien, Wotue. Eerst moet alles opgestart worden. Het kan misschien wel jaren duren voordat er iets van resultaat zichtbaar wordt. Dat geeft ons tijd om te leren. Voor ons is het ook nieuw,” zei Meik rustig.
Uiteraard vertelde hij Wotue ook over de ontwikkelingen met Habe. Wotue was dolgelukkig dat de grote dr. Lunaj hem in zijn team op wilde nemen. De jongen zou daar volmaakt veilig zijn. Wotue omhelsde Meik als dank voor zijn goede zorgen. Hij zou de ouders gaan inlichten. Meik kon daar beter niet gezien worden.
“Een en ander betekent ook dat wij elkaar niet meer zullen zien, Wotue,” zei Meik. “In principe zal ik hier nooit meer terugkeren,als ik daar helemaal ingeburgerd ben. Ik zal dan ook bepaalde verantwoordelijkheden bezitten, aldaar.”
“Nu al voel ik iets om erbij te willen zijn,” zei Wotue ernstig. “Niet direct om een eventueel goed en zorgeloos leven te hebben, maar om te helpen. Zal dat misschien mogelijk zijn,Meik?”
Meik dacht even na. Het was helemaal niet de bedoeling om al reclame te maken voor de plannen en nu al was er belangstelling...
“Luister goed, Wotue. Voorlopig is dit nog even geheim. Als alles geïnstalleerd is, zal het bekend worden. In principe kan ik geen bezwaar hebben tegen je eventuele komst. Maar je zult geduld moeten hebben. Een probleem zal de reis er naartoe zijn. Als pauper zul je geen mogelijkheid hebben om je snel te verplaatsen.”
“Geen probleem, Meik. Paupers verplaatsen zich te voet en er is tijd genoeg. Al zal ik er maanden over moeten doen, ik kom er wel. Weet je trouwens al waar het zal zijn?”
“Nee, Wotue, de plaats is nog niet bekend. Het zal in ieder geval een afgelegen plaats zijn, dat is wel zeker. Ik zal ook vanwege de reisbeperkingen niet in staat zijn om je bijvoorbeeld op te halen. Zelfs niet met een privé-jet, je weet hoe alles onder toezicht staat.”
“Ik zal er komen, Meik. Ik heb niets te verliezen. Het idee trekt me aan. Ik wil graag helpen.” Wotue was vastberaden.
“Goed, vriend,” zei Meik. “Ik zal je laten weten waar het is en dan is het verder aan jou. Besef wel dat het een eenmalige actie is. Je zult niet meer terug kunnen.”
“Ik kan me niet voorstellen dat ik dat dan nog zou willen,” zei Wotue. “Het kan er alleen maar beter zijn dan hier, in deze omgeving. Maar om er aan mee te werken, trekt me zo.”

Meik en Parg verlieten de trouwe pauper. Toch had Meik een goed gevoel over Wotue zijn reactie op de plannen. Hij wist dat hij aan hem een trouwe metgezel zou hebben die hem nooit zou laten vallen.
Ze gingen nog even bij het kantoor van de toezichthouders langs. Meik vond het nodig om zijn gezicht nog even te laten zien om de oude vertrouwde sfeer nog even op te krikken.
De toezichthouders waren verrast hem te zien. Meik vroeg of ze de ontsnapte Zoki al hadden gevonden.
“We begrijpen er niets van, Meik. Hij is gewoon verdwenen. We kunnen alleen maar vermoeden dat hij zich tussen de armste paupers heeft begeven of echt naar elders is vertrokken. Eigenlijk hebben we het zoeken een beetje opgegeven. Aangezien het geen gevaarlijke situatie is, maar alleen dwingelandij van hoger omdat die in hun trots en eer zijn aangetast, vinden we het wel best. Maar dit laatste heb je natuurlijk niet gehoord en je robot ook niet.”
“Uiteraard,” zei Meik gelaten. “En wat die robot betreft, die is te stom om ook maar met jullie te praten.”
“Daarom praat Parg ook niet met jullie,” zei Parg.
Verwonderd staarden de mannen Parg aan.
“Jij praat met ons als wij dat willen, robot. Je moet orders opvolgen.”
Meik voelde zijn tenen krommen in zijn schoenen.
“Parg zijn meester heeft gezegd dat Parg te stom is om met jullie te praten, maar Parg weet ook dat jullie dat ook zijn. Derhalve heeft het weinig nut om met jullie te praten.”
Eén van de toezichthouders ging vlak voor Parg staan en beet hem toe: “Hoe kom je tot deze achterlijke conclusie, robot?”
“De naam is Parg. Parg komt tot deze conclusie omdat Parg weet dat u gezien uw functie dient te weten dat Parg gerechtigd is slecht bevelen van zijn meester op te volgen. Zolang de bezitter van Parg geestelijk in staat is om Parg orders te geven bent u nog niet aan de beurt, zelfs niet in uw functie als toezichthouder. Parg meent te mogen zeggen dat u zich wat meer in de publiekrechtelijke regels zou moeten verdiepen omtrent het omgaan met robots.”
De man was met stomheid geslagen. Zijn collega ook. Meik glimlachte.
“Meik, hoe kom je aan deze robot?”  vroeg de toezichthouder.
“Gekregen van een verre vriend. Deze heeft me wat foefjes geleerd om zijn programma wat te moderniseren. In feite is het een misproductie. Hij heet Parg, maar als je z'n naam omdraait, begrijp je het wel...”
“Krijg nou wat,” zei de man verbaasd. “Inderdaad een leuke grap. Maar maak hem niet te intelligent, Meik, want dat zou vroeg of laat problemen kunnen geven. Ergens in de regels staat ook dat als een robot de intelligentie bezit om mensen te kunnen beledigen, diens meester verantwoording moet afleggen en zelfs vervolgd kan worden.”
“Ik weet het,” zei Meik. “Maar Parg heeft niemand beledigd, hij sprak alleen maar de waarheid. Het feit dat hij intelligente uitspraken doet, wil niet zeggen dat hij iemand beledigd.”
De arme man staarde Meik aan. “Tja, Meik, ik moet je gelijk geven. Maar wees toch maar voorzichtig.”
“Jawel,” zei Meik. “Ik zal hem niet te intelligent maken.”
“Je moet er toch niet aan denken dat robots de mens zouden gaan overheersen,” zei de man. “Dan wordt het pas echt een zootje.”
Meik zag Parg zijn ogen even heftig pulseren, maar door even zijn lippen te tuiten legde Meik hem het zwijgen op. Hij had geen zin in een verdere conversatie met deze lieden. Dat kon alleen maar gevaarlijk zijn. Een verslag naar hun superieuren van dit gebeuren zou alleen maar last kunnen geven en daar zat hij nu niet direct op te wachten.

Ze verlieten de verbaasde mannen.
“Moest dat nou, Parg?” vroeg Meik tijdens het teruglopen.
“Parg wilde alleen maar aantonen dat Parg niet stom is. Je bedoelde dat andere robots stom zijn, maar Parg niet. Toch heeft Parg zich, gezien de situatie, ingehouden tegen deze domme sukkel.”
“Hoezo sukkel, Parg?” vroeg Meik.
“Hij behoort te weten dat Parg alleen orders van zijn bezitter aanneemt,” zei de robot droog. “Maar waarschijnlijk heeft hij alleen te maken gehad met simpele robots. Trouwens, Parg moet opmerken dat het heel goed was dat jij Parg iets geleerd zou hebben. Zij weten nu niet dat Parg van origine zo is.”
“Dat moest ik wel, Parg. Als zij dat zouden weten of vermoeden, dan willen ze dat echt weten. En dat mag niet. Het zijn inderdaad sukkels want zij zouden ook moeten weten dat ik niet in staat zou moeten zijn om jou te updaten. Dat is hooggekwalificeerd specialistenwerk, wat ik niet geacht ben te kunnen.”
“Dat bedoelt Parg, Meik. Deze mensen zijn sukkels. Wotue heeft meer intelligentie dan zij. Parg vindt het trouwens prima als Wotue bij ons zou komen.”

Meik besteedde de verdere tijd om wat zaken af te handelen voor het naderend vertrek. Hij moest af en toe een leugentje om bestwil toepassen, omdat een en ander  nog min of meer geheim was.
Habe was ook vertrokken. In het nachtelijk duister was hij naar een plek gegaan waar dr. Lunaj hem op zou pikken. Dr. Lunaj kon zich vrijelijk in zijn privé-jet verplaatsen, zonder verantwoording af te hoeven leggen. Dat was een groot voordeel. De heersende bovenlaag wilde hem maar wat graag te vriend houden om zijn robotleveranties niet te laten stagneren.
Habe was de gelukkigste mens die voorstelbaar was toen hij kon vertrekken. Langdurig omhelsde hij Meik en Parg.
“We zullen elkaar terugzien, vriend,” zei Meik. “Daar hoef je niet aan te twijfelen.”
Verder was het wachten op berichtgeving van dr. Lunaj. Het kon niet lang meer duren.

 

einde deel 12. wordt vervolgd



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.