Gegevens:

Categorie:
Autobiografisch
Geplaatst:
29 mei 2014, om 13:18 uur
Bekeken:
395 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
171 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Geduld is een deugd voor ezels"


Wat muzieklessen betrof heeft het me altijd aan twee eigenschappen ontbroken; vlijt en geduld. Geduld is een deugd voor ezels,heeft Daumier eens terecht gezegd.Of ik geen ezel was,dan wel een ezel zonder geduld,bleef die hele uitzichtsloze kweek schooltijd onbeant woord. Mijn klas genoten, die mij toch al nooit bijzonder hoog schatten, vonden waarschijnlijk van wel. Ik heb het ze nooit gevraagd,want ik was niet nieuwsgierig naar de opinie van een ad spirant schoolmeester. Van mijn kant daarentegen hebben zij alleen op mijn ijskoude min achting kunnen rekenen al die jaren. De muziekleraar,die al lang wist dat hij met een onver beterlijk amuzikaal produkt te maken had, was zo verstandig mij een zes min te geven bij het eindexamen en diezelfde middag, na het uit reiken van het schoolmeestersdiploma gooide ik in aanwezigheid van Els D. in een overmoedige, maar vooral jolige bui, mijn blokfluit die zomer se middag vol zonneschijn in het water van de Craye nestersingel te Heemstede, nadat ik het instrument in twee delen op mijn knie had gebroken. Niemand zou er meer enige vreugde aan kunnen beleven en het verminkte instrument zou als het uit het water zou worden gevist te nat zijn om ook maar als brand hout in de open haard te dienen. Nooit heb ik gelukkiger moment en beleefd dan op het ogenblik dat de stukken van de blokfluit met een vrolijke pisboog in het water verdwenen. Zelden ben ik in mijn leven milder of vergevingsge zinder gaan denken over wie of wat dan ook, maar al helemaal niet over de blokfluit. Nog steeds verafschuw ik mijn ex klasgenoten van de kweekschool, zelfs mijn ex-minnares Els D. die mij zo ge nadeloos en onbarmhartig in de steek liet die zomer van 1965 toen ik van het hoofdakte examen werd geweerd en maanden lang ziek werd. Ik mijd ze als de pest,die ex-klasgenoten; ze zijn mij to taal onverschillig, maar een blokfluit ben ik voor goed blijven haten. Ik vond dat Els bij het om kijken niet in een zoutpilaar moest veranderen maar in een blokfluit. Met liefde had ik haar eind 1965 in tweeën gebroken en in het water gegooid!

 

Eindigen als een aanbeden langharige pianovirtuoos als Jan V., bejubeld worden als blues gitarist zoals Eric Clapton of wonderschoon blazend met windkracht tien op de mondharmo nica als protest zanger was voor mij niet weg gelegd door de schikgodinnen.

Ik was veel te on zeker,verlegen,verward en eenzaam om me op welk terrein dan ook te manifes teren. De zestiger jaren, toen de grootste idioot wereldberoemd kon worden door, zoals de mis lukte eerste jaars student Bob Dylan verwoed op een mondharp te spelen, begeleid door slordig getokkelde gitaarakkoorden met het nummer Blowin’in the wind of zoals tientallen abstrakte schil ders in navolging van Pollock bekend worden door eveneens in opperste vrijmaking blik ken verf op een doek te smijten, waren nog niet aangebroken. Het enige dat ik altijd echt goed kon was het natuurgetrouw tekenen, een verworvenheid die uit de mode was sinds de dagen van Cezanne en als de tekenleraar de tekenvoorbeelden ophaal de, vergiste de leer kracht zich wel eens door mijn tekening op te halen en het voorbeeld op mijn tafel te laten liggen omdat ik exact kon tekenen tot grote bewondering van mijn medeleerlingen.Ik had al snel door dat ik met mijn tekentalent anderen kon imponeren, maar ik begreep heel goed dat dit niet genoeg was om in De Opregte Haerlemsche Courant, de oudste en saaiste krant van Nederland, die zo gortdroog is dat de NRC daarbij ver geleken een sappig document humain lijkt, jubelend vermeld te worden en ik hoefde al helemaal niet te proberen om met mijn te keningen mijn verzuurde tante en verbitterde grootmoeder waarbij ik in huis woonde, in ver bazing te brengen. Mijn tante schiep er op sadistische wijze genoegen in mijn tekeningen te ver scheuren of met ballpoint er doorheen te krassen.Volgens haar onduidelijke crite ria waren mijn tekeningen zonder enige twijfel het werk van een waanzinnige en zou ze er alles aan doen met een bevrien de psychiater om me achter de tralies van een zenuwinrichting te krijgen.Jammer genoeg voor haar zag deze zenuwarts, aan wie zij buiten mijn medeweten mijn werken toonde, geen enkele aan leiding om aan haar vriendelijke verzoek om een spoed opname tegemoet te komen en feliciteerde haar met haar getalenteerde neef. Eén keer gooide zij opzette lijk een kop warme chocolademelk over een akwarel, maar die had ik te leen van de vage akwarel liste Mieke van D. Voor het beeldend resultaat maakte het niet veel uit. Het bleef een ondui delijk waterverfje in modderige kleuren en de maakster er van heeft nooit het verlies van het werk be treurd, noch het opgevraagd. De lege kop chocolademelk die mijn tante over de akwarel had ge gooid retourneerde ik met een sierlijke boog naar haar hoofd alsof het een vriendschappelijk potje korfbal gold.

 

Ik zat in de vierde klas lagere school en een klasgenoot van mij, een intelligente, Joodse jongen, kon verbazingwekkend goed tekenen. Ik was zo opgetogen over het talent van mijn nieuwe vriend je dat ik hem overhaalde met mij mee naar huis te gaan om de teke ning die hij net gemaakt had onmiddellijk aan mijn oma te laten zien. Ik verwachtte van haar tenminste een schouderklopje te krijgen voor mijn ontdekking.Thuisgekomen liet ik trots de tekening zien. Mijn oma reageerde vijan dig.

”Het kan niet dat hij dat gemaakt heeft! Jullie proberen me te besodemieteren!Wat moet dat Jodenjong hier?” snauwde ze.Teleurgesteld liepen we weer naar buiten.We zeiden geen woord meer tegen elkaar.De vriendschap was wel over, dat was duidelijk. De onbegrijpelijke kwalifi katie Jodenjong en haar koude haat troffen mij zo diep, dat ik, tientallen jaren later,nog steeds een gevoel van plaats vervangende schaamte en spijt heb als ik aan dat beschamende voorval terug denk.

Mijn belangstelling ging als leerling van de lagere school meer uit naar natuurkundige instrument en, dan naar artistieke uitingen. Ik maakte van een oude elektriese bel een telegraaf toestel en later een interruptor voor een klos van Rühmkorff, zodat ik een gelijk stroombron om kon zetten in een wisselspanning die getransformeerd kon worden van een laag voltage naar een hoogspanning van lage stroomsterkte. Verschillende keren veroorzaakten mijn verdere experimenten kortsluiting en zat de familie tot hun grote woede weer eens in het donker. Ik onderging zoveel elektriese schokken bij mijn experimenten met elektronica onderdelen en radio apparatuur uit dumpwinkels dat een door gewinterde masochist er zijn leven lang een gevoel van genot uit zou kunnen putten. Zes honderd volt gelijkstroom uit een gelijkrichter geeft niet alleen een hevige schok maar brandt ook een gaatje in de opperhuid. Een paar jaar later bouwde ik met behulp van een oude VCR 517 kathodestraalbuis uit een oude Amerikaanse radarontvanger, gekocht bij een Amsterdamse hande laar in army surplus voorraden uit de tweede wereld oorlog, waar ik een spannings verdubbelaar inbouwde, die wel 1500 volt anodespanning leverde. Gelukkig heb ik nooit een schok gekregen uit

dat apparaat.

Als vijfjarige kreeg ik een grote, houten mecanodoos,die bestond uit een houten kist met een schuif deksel en een ver zameling houten blokken en latten met op regelmatige af standen voor geboorde gaat jes er in. De onderdelen konden aan elkaar worden verbonden door houten stokjes. Heel vaak braken ze af en de afgebroken stukken bleven in de gaatjes zitten. Wat ik ook ondernam;ze waren er met geen mogelijkheid meer uit te krijgen. Het mislukken van me nig bouwwerk, opgetrokken uit houten mecano onderdelen, maakte mij niet erg gelukkig. In plaats van het aan de slechte kwaliteit van het onmogelijke materiaal te wijten, gaf ik mijzelf ten onrechte de schuld. Gelukkig kreeg ik een paar jaar later al de beschikking over een veel grotere verzameling echte Märklin bouw dozen, inclusief handleidingen voor het bouwen van de in mijn ogen futuristiese, onbegrijpelijke machines, zoals een groot weefapparaat en een enorme hijskraan van meer dan een meter hoog. De meca nodozen waren door mijn grootvader voor een appel en een ei gekocht toen de Duitse Mark dankzij de inflatie niets meer waard was voor de oorlog. Ik had Duitse bankbiljetten in mijn bezit met een onwaarschijnlijk groot aantal nullen er op achter het cijfer een. Ze waren nog geen cent waard.

 

Helaas krijgen weinigen in de vroege jeugd een teken van omhoog welke kant het met hem of haar op moet later. Later?En als er nou eens geen later komt, vroeg ik mij al vroeg in mijn leven af.Als kind van acht,negen jaar joeg de dood mij grote angst aan,vooral na het lezen van enkele spiritis tische verhandelingen, die geen kind gerust stelden. Wenken van de allerhoogste of geheimzinnige boodschappers vanuit het ongeziene hebben mij nooit bereikt en ik twijfel ten sterkste aan de mo gelijkheid dat het gebeurt,in tegenstelling tot goedgelovige aanhangers van de evangelische om roep,die de kijker poogt wijs te maken via wijsneuzen als Henk Binnendijk, Feike ter Velde of Otto de Bruyne,dat zij de blauwdrukken voor een ieders bestaan en de oplossing voor elk probleem in de binnen zak van hun kekke konfektiepakken met zich mee dragen. Randdebiele zeverende vrouw tjes die onbegrijpelijke profetieën uiten tijdens ere diensten van sommige halleluja kerken ergeren mij niet weinig! Pas veel later is er in som mige levens een rode draad te vinden, maar het gros van de medemensen wordt gestuurd door al of niet gelukkig toeval,in vallen,onnaspeurbare raadsel achtige stuur processen, dwang gedachten, terloopse obsessies of voorbijgaande, vluchtige pas sies. De door psycho analisten hoog geachte inlegkunde van verklaringen achteraf is het omstreden domein van de psychia ters en totaal niet voor mij wegggelegd. Bovendien geloof ik er helemaal niets van. Nonsens predikers als Jung die over de synchroniciteit van non-causale verbanden schreef zijn terecht door moderne menswetenschappers naar de geduldige, eeuwig durende prulle mand-lullemand van het uitgestrekte rijk der fabelen verwezen. Een bodemloos vat van Sysifus waar heel veel in past voor de druppel de emmer doet overlopen.

 

Het eerste schilderij dat diepe indruk op mij maakte als elfjarige was een havengezicht van Paul Signac dat in 1953 in de hal van het Stedelijk Museum hing.Thuis gekomen vertelde ik enthou siast over het schilderij aan mijn tante en oma die zeker wisten dat in het Stedelijk Museum alleen rom mel hing. Van Signac hadden ze nooit gehoord. Niet altijd ging museum bezoek mij in mijn kouwe kleren zitten.Wekelijks maakte de zesde klas een verplichte excursie naar het Rijksmuseum en tij dens de behandeling van het gruwelijke schilderij De onthoofding van Petrus kreeg ik mijn eerste en voorlopig niet de laatste migraine aanval en moest snel naar huis.

 

Voor het eerst zag ik jaren later tot mijn stomme verbazing (alhoewel ik zelf de kopij had ingele verd) mijn eerste, aarzelende pogingen tot proza en powezie in drukletters in de schoolkrant van de Da Costakweekschool te Bloemendaal in 1963 verschijnen. Tijdens een werkweek had ik een somber, door het existentialisme beínvloed, modern, dus niet rijmend gedicht geschreven en later stuurde ik nog wel eens powetische gedachten naar de redaktie van de schoolkrant, die ze prompt afdrukte, waarschijnlijk meer geïmponeerd door mijn zwijgzaamheid die uit verlegenheid voortkwam en mijn schouder lange, as blonde haar, dat in schoolmeesters kringen van begin jaren zestig tot de uitzondering en behoorde,dan door de kwaliteiten van de kopij,vermoed ik. In ieder geval werd het gelezen door de hele school. De beide redakteuren van het door de direktie gecensureerde schoolblaadje De Koepel, klasgenootjes Burny B. maakte jaren later furore als Ko de Boswachter in een AVRO kinderprogramma en Broer Ko nijn Bernard N. verdween in het vullisvat van het vader landse welzijnswerkers circuit. Opgeruimd staat netjes! Ik typte het met twee vingers moeizaam op een Olympia schrijfmachine die ik leende van mijn opa.

Vol verwachtingen klopte mijn hart! Nieuwe uitdagingen lagen in het verschiet! Die onontgonnen wereld van kunsten en literatuur! Het artistieke en literaire plantsoen! Daar zouden de kunstkerst bomen vast en zeker tot ver in de hemel groeien! Oneindig veel spannender dan een saai, uitzichts loos schoolmeesters bestaan. Romantiek alom!Ik begon met de moed der wanhoop slechte, abstrak te schilderijen te maken met varkensharen kwasten en goedkope verf waarmee ik enige indruk maakte op sommige vrouwelijke leerlingen en dat was nu net de bedoeling.Ik had de meesters truuk die generaties kunst enaars voor mij al lang kenden, ontdekt.

Grootmoedig schonk ik mijn konterfeitsels met royale gebaren, een Haarlemse, ongewassen bohé mien waardig, voor zover die ooit bestonden in het duffe, ingeslapen ambtenarenstadje, aan Els, Coby, Frieda, Aletta en zelfs aan de ouders van de zwartharige, sensuele,voluptueuze Monique. Doeken van mijn hand die ze in het gunstigste geval boven hun bed hingen. Els vroeg er zelfs mijn wollen das bij die ze mee naar bed nam, om ook ‘s nachts, bij wijze van voorschot op de huwelijks nacht, voortdurend aan mij herinnerd te worden. Ze heeft die das nooit terug gegeven, zodat ik maar een andere kocht. Of ze nu nog met die das naar bed gaat zou ik haar echtgenoot, een grif fermeerde, moeilijk lerende droogkloot, de plaatselijke dorpsschoolmeester te Zuidwolde, die toch nog bij gebrek aan beter hoofdmeester is geworden ondanks de prognoses van zijn leermeesters en ook zijn vrouw die een hard hoofd in zijn verstandelijke vermogens had, toch eens mondeling of schriftelijk moeten vragen.

Meestal hing een schilderij van mijn hand boven de sponde van een vriendin, zo lang de liefdes relatie duurde. Soms duurde dat niet al te lang. Els gaf het schilderij na het beeïndigen van de relatie moeiteloos en onverschillig weg aan haar zusje Ineke. Coby bezorgde me het doek dertig jaar later terug met een gat er in. Het had negentwintig en een half jaar op zolder gestaan. Het was misschien wel het beste bewijs dat ik nooit voor wonderkind of jeugdgenie in de wieg was gelegd en vooral het sluitende bewijs dat het pad van de abstrakte kunst een dwaalweg is. Mijn eerste tentoonstelling, begin 1966,had ik in het kunstenaarscentrum De Ark in Haarlem en de schoolkrant,onder leiding van Burny B.B. schreef een van jaloezie ronkende vernietigende recensie. Jaren later sprak ik mijn intelligente studiegenoot Ben S., die toen al lang lektor was in de pedago gische wetenschappen te Utrecht, die er nog schande van sprak. Ik haalde mijn schouders er over op en besloot als tegen prestatie van deeelname aan aktiviteiten voor de jaarlijkse school avond waar ik al lang vantevoren op de aankondiging stond om gedichten van eigen hand voor te lezen maar af te zien.

 

Nooit hebben de denigrerende opmerk ingen van mijn zo saaie,voorspelbare mede leerlingen of van de direkteur van de Da Costakweekschool,die zelfstandig niet eens zijn schoenveters kon knopen, dat moest zijn vrouw doen,mij kunnen ontmoedigen of mij van één van mijn voor nemens af kunnen brengen.Ik ken een kunstschilder (eigenlijk een illustrator) die in 1967 beweerde binnen tien jaar een kasteel in Frankrijk te bezitten.Tien jaar later na deze uitlating woonde hij nog op een door de gemeente toegewezen gesubsi deerde bovenwoning aan de Parnassusweg te Amsterdam en leef de zijn oninteressante leventje op kosten van de kunste naars bijstand.Ik kwam een enkele keer bij hem over huis en steeds weer vielen mij de de primerende kleuren op van het interieur. De mu ren waren bespannen met grauwe jute om een artistieke sfeer op te roepen en de vullisbak,die uitpuilde van de lege jeneverflessen,want de artiest was een notoire gebruiker, stond in een hoek van de kamer en werd gebruikt als stoel wanneer er meer dan vier mensen aanwezig waren,net als op zijn vorige adres in de Peper straat boven een Turks gastarbeiderskafee.Het artistieke echtpaar bezat slechts vier wrakke kaffee stoelen,van het Thonetmodel,voor een krats op het Waterlooplein op de kop getikt.De surrealistiese schilder C. v. G. voorspelde in een van zijn weinige optimistiese buien dat hij als vijfentwin tigjarige veelbelovende kunstschilder binnen tien jaar miljonair zou zijn.Zijn belofte als veelbelovend schilder heeft hij nooit kunnen inlossen.Als voorschot op die toe komst reed hij als vast rond in een zesdehands Jaguar E-type,die niet vooruit te branden viel. De elektriese ramen werkten feilloos, maar dat was ook alles. Dertig jaar later zat hij nog in de bij stand, zoals het gros van de volgens eigen zeggen, zo geniaal begaafde en aan doenlijk gevoelige, wereldverbeterende kollegaatjes,die het liefst andermans ruiten ingooi den of met een dronken kop op tafel gaan dansen,hun lul uit de ranzige gulp haalden en luidkeels verkondigden dat ze een por tie verse kunstzinnige kroketten als laatste artistiek e schepping in de aanbieding hadden.

Het snoepje van de week was een aanbod dat in de al lang failliete winkels van de firma de Gruyter nu definitief al lang tot het verleden behoort!

 

Misschien is het voor een eigentijdse kunstenaar wel een ongeluk om, zoals Fred van der Wal, met een grote dosis aan realiteitszin en intelligentie op de wereld te komen.Wie zal het zeggen!

Die vreselijke feministiese,uitgedroogde, verongelijkte, zelfingenomen, kakelende pruimen danten mond juffrouw Brandt Corstius van het Arnhems Gemeentemuseum al helemaal niet, want die praat met haar overslaande kraaiende,vals krassende vogel geluid met alles en iede reen mee, zo lang het zich maar als feministiese kunstenares in een morsige tuinbroek presen teert, geschoeid is met overmaatse Donald Duck schoenen om de seksistische onderdrukkers beter van zich af te kunnen trappen en een pukkelige potteuze, kort geknipte kuttekop als weinig imponerend manifest van de eigentijdse bevrijde vrouw op de schriele schouders met zich mee torst.Men moet van zijn naaste houden,zo gebiedt een dik boek,maar of kunstenaars van de artistieke vrouwelijke soort daar ook bij horen staat niet expliciet vermeld.Persoonlijk vermoed ik van niet!

 

 

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.