Gegevens:

Categorie:
Autobiografisch
Geplaatst:
28 mei 2014, om 21:07 uur
Bekeken:
400 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
145 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Op bezoek"


Dat alles met alles moest samen hangen en geen mus van het dak mocht vallen zonder reden, hetgeen hij van een beroemde Nederlandse schrijver had opgestoken die hij liever niet bij name wilde noemen...

 

Op bezoek bij de ex-Amsterdamse schrijver Frank Forrest. Het tweede boek dat hij  publiceerde in 1993 “Weerlicht ” werd na zijn veelbelovende eerste boek ‘Kwelzucht en terloopse obsessies’ nauwelijks besproken in de pers. Hij woonde toen nog in een verbouwd dijkhuisje in Friesland en voerde als zoon van een bekende Amsterdamse advocaat een proces tegen de Vereniging van Letterkundigen omdat hij de aan hem toegekende subsidie veel te laag vond. Jaarlijks kreeg hij een periodiek minder dan de collegas, die “ alleen maar vullis produceer den”. Dat scheelde hem duizenden guldens per jaar. Zelfs de wartaal produ cent Jac Firmin Vogelaar kreeg meer dan hij en die had niet eens de handels hbs aan het Raam plein, gevolgd na een mislukt avontuur op het Vossiusgymnasium. Hij vond het een schande voor de literatuur in het algemeen en de democratie in het bijzonder dat hij niet meer geld van de overheid kreeg.

Hij wil eerst iets zeggen over het fonds voor de letteren. Zijn uitgever raadde hem na zijn tweede boek aan daar een beroep op te doen, dan zou hij geramd en gebeiteld zitten voor zijn hele verdere leven via een prima uitkering. Die boeken van hem waren krities ontvangen om dat ze iets totaal nieuws in die tijd vertegenwoordigden waar niemand op leek te zitten wacht en, meende hij, maar dat zou volgens hem snel veranderen als hij maar eenmaal doorgebroken was. Het eerste jaar raakte de uitgeverij dankzij een uitgebreide reclame campagne er met moeite toch nog een paar honderd kwijt. Een absolute flop! De recensenten sabelden zijn eer ste boek neer, o.a. de armlastige Theun de Winter, die bij hem in huis had gewoond en daar genadebrood had mogen eten. Hij had Theun het huis uit moeten zetten omdat die uren lang onder de douche bleef staan om zijn lange haar te wassen en te wijten aan een moeder complex uren lang naar Texel met zijn moeder telefoneerde. Vervolgens schreef de Winter een afkrakende recensie in de Haagse Post over het volgende boek van Hartkamp.

 

In zijn naïviteit had Frank gedacht van het voorschot op zijn eerste boek een huis aan de Ko ninginneweg of Willemspark weg te kunnen kopen en genoeg geld over te houden voor een butler, een maitresse en een zilverkleurige Mercedes Sport. Waanzin natuurlijk, maar daar kwam hij pas achter toen hij zijn giro bijschrijving bekeek waarop een kleine tweeduizend gul den was gestort. De voorschotten voor debutanten zijn sinds die tijd alleen maar kleiner gewor den, dus hij had nog niet te klagen. Hij dacht dat zijn boek een onverbiddelijke bestseller zou worden. Hij zag zichzelf als de nieuwe Jan Cremer. Een boek dat door het hele Nederlandse volk zou omarmd en gevreten zou worden. Alleen al van de vertaalrechten verwachtte hij al een leven lang comfortabel te kunnen leven. Hoe hij er op gerekend had binnen twee weken na de verschijningsdatum  een gevierd man te zijn. De ster van elk literair festijn en culturele media show. Op handen gedragen door de incrowd van de grachtengordel. Een avond vullend programma met Adriaan van Dis was het minste dat hij zou mogen verwachten, dacht hij. Het tegendeel bleek waar. Hij had de zoveelste winkeldochter geproduceerd. Zelfs in zijn stoutste dromen had hij dat niet kunnen denken. Binnen drie maanden was zijn boek uit de schappen van de moderne boekhandel verdwenen en binnen een week uit de etalage van de Atheneum boekhandel aan het Spui waar de luidruchtige verkoopster Petra met de ronde bril het boek tegen elke klant afkraakte. Door haar bril zag zij alles; ook de junkie dichter Arie Visser, die de zaak binnen sloop met een verdacht wijde jas. En hoe hij steevast een uur later weer vertrok met tientallen poweziebundels onder zijn jas handig de kassa omzeilde. Hoe iemand zo wilde leven, dacht zij vaak, maar liet hem zijn gang gaan. De corporatie betaalde. Fiscaal was winkeldiefstal geen probleem. Daar was de jaarlijkse afschrijving goed voor.

Vervolgens dacht hij dat elk nieuw boek iets aan zijn wel stand zou gaan bij dragen, ongeveer met het tempo van Vestdijk, zodat hij elk jaar meer royalties kon op souperen en trots de kroeg binnen kon stappen met zó’n tiet vol met  poen. Hij zou tegen iedereen beweren dat hij bulkte van de royalties en de vrouwen zouden massaal in katzwijm aan zijn voeten gingen liggen na het vernemen van zoveel welstand. Hij zou honderden liefdesbrieven met naaktfotos ontvangen van willige dames en heren met neukdrang. Gedragen slipjes bij de vleet per van Gendt en Loos in grote verhuisboxen afgeleverd bij zijn adres, net als bij de auteur Biesheuvel een gebruikelijke usance was.

Het tij keerde niet in zijn voordeel. De recensenten waren unaniem in hun vernietigende oor deel. Zelfs de pukkelige Telegraaf bleekscheet Ives Sitniakowsky, die nog bij Frank op het Vossiusgymansium had gezeten, schreef een afkrakend artikel over zijn laatste werk.

De schuld aan de uitgeverij van Frank bedraagt nu veertigduizend euro en loopt ieder jaar verder op door de stijgende rente. Zijn krediet heeft hij verspeeld tot in de kroeg. Letterlijk en figuurlijk. Het tij in literatuurland veranderde. Hij stond erbij en keek er naar met open mond en grote ogen naar de steeds omvang rijker wordende boekenberg en hoe de hele boekenmarkt veranderde en in elkaar sodommieterde. Tegen houden kon hij niets. Veranderen wilde hij niet. Meegaan met de laatste mode weigerde hij. Compromissen aan de veranderde literaire smaak kende hij niet. Met elk volgend boek leek het alles of niets te worden. Het werd niets en daar draagt hij nu de gevolgen van. Medies, sociaal, contactueel en financieel zit hij totaal aan de grond en de toe komst ziet er weinig rooskleurig uit. Het wachten is op het overlijden van zijn vader die de grootste foto verzameling van het land heeft, die hij onmiddellijk bij Sothesby onder de hamer zal brengen. Hij schat de opbrengst op een anderhalf miljoen. Na successiebelasting en het aandeel van de veilinghouder zal er minder dan de helft over blijven. Genoeg voor een bescheiden rijtjes wo ning in Zaandam in een volksbuurt en een trein abonne ment.

 

Frank Forrest heeft alles in huis voor het geval dat. Een schoenendoos vol barbituraten, scheer messen, een strop en een op zijn maat gemaakte met de hand beschilderd doodskist. In het erg ste geval als niets lukt gaat hij gewoon aan het gas, net zoals zijn vader in 1949 een mislukte zelfmoordpoging ondernam, want waarvoor heeft een mens anders een aardgas aansluiting? Zelf koken doet hij niet. De afwas van maanden lang staat aan elkaar te rotten in de granieten wasbak.  En als toch zelfmoord gaat plegen dan doet hij het nog dit jaar want volgend jaar is de gasprijs alweer tien cent de kuub meer en dat kan hij van zijn schamele inkomsten niet op brengen. Het urenlang bellen van nul zes lijnen is er ook niet meer bij want zijn telefoon is af gesneden toen bleek dat hij de rekening van meer dan tienduizend gulden nooit zou kunnen be talen. Zelfmoord is nog steeds een goed alternatief voor wie als auteur geen uitkomst meer ziet, denkt hij en deelt dat hardop mee. Het zoveelste cliché deze middag. Suicide door middel van slaapmiddelen is een prima glijmiddel om langs lijnen van geleidelijkheid uit het leven te stappen, vind hij. Nee, hij laat niemand achter die iets om hem geeft. Zelfs geen aanloopkat of Heilssoldaat. De bakker en de melkboer komen al lang niet meer aan de deur. Zijn bestedings patroon is te weinig lonend voor een kleine zelfstandige die een wagen uit de middenklasse wil rijden.

“Barbituraten slikken is de oplossing. Je merkt er niks van als je maar genoeg slikt; geen pijn, geen lijden, geen dramaties afscheid, geen gerochel of gekreun. Je glijdt gewoon weg in een diepe slaap. De vorige keer is het faliekant mislukt, dat wel. Ze vonden me net op tijd, zeiden ze, maar voor mij was het de verkeerde man op de verkeerde tijd op de verkeerde plaats, die toen langs kwam. De brenger van de slechte boodschap is bij niemand populair. Ik had per ongeluk de buitendeur open laten staan. De buurman vond mij en verwachtte dat ik hem dank baar zou zijn, maar ik heb hem de zaal van het ziekenhuis uitgevloekt en weg gescholden. Ik was klaar voor de man met de zeis. Niet voor hem. Ik lag daar met een dozijn infusen in mijn vel geprikt, die aan slangen vast zaten waaraan in plaats van bloedzakken, fysiologiese zoutoplossing in zaten omdat ik tegen bloedtransfusies ben en zakken met medicijnen als tran quillizers in vloeibare toestand aan verrijdbare kapstokken hingen, ik werd vol gepompt, dat is ook geen lolletje, ik voelde mij langzaam vol chemicaliën lopen, steeds giftiger werd ik. Er daalde een grote boosheid in mij neer. Toen is er een grote, boze neger in mij neer gedaald. Ik was een soort proefkonijn voor de farmaceutiese industrie, dat komt er van als je in het ziekenfonds zit, dan telt alleen andermans belang, hebben ze me later verteld, dan kun je nog beter dood zijn, want elke keer als je je om draait schiet een infuus er uit en lig je weer te bloeden omwille van de mediese stand en het grootkapitaal. Ik leek gotdome wel een vergiet met al die gaten in mijn huid! Doktoren zijn gesublimeerde sadisten om over de verpleegsters maar te zwijgen, dat zijn allemaal potten en de verplegers poepstampers, die er plezier in hebben je lul, ballen en anus schoon te schrobben met een harde borstel en als je niet uitkijkt drukken ze tersluiks nog een duim in je anus om te kijken hoe je reageert! Medies onderzoek je noemen ze dat als ze je prostaat raken. Als je gelijk begint te kirren weten ze een gevoelsge noot te hebben gevonden en komen ’s avonds laat hun beloning in natura halen. En wie protesteert wordt aan zijn bed vast gebonden of onder het spanlaken gelegd net als zijn ex- ver loofde Nel, die gillend werd afgevoerd naar Vogelenzang waar mijn vriend Kees B. ook net was opgenomen.”

Ik hoef hem niets te vragen en dat is gemakkelijk voor een interviewer. Hij praat aan een stuk door. Ik noteer. Zijn gruwelijke bestaan lijkt steeds meer in de loop van het gesprek op het sce nario van een horrorfilm. Hij is niet te benijden.

“Wat is er nou belangrijker voor een auteur dan schrijven? Ik moet wel eerlijk zijn: eenzaam heid is het grootste geluk dat een schrijver ten deel kan vallen. Het is bijna ondraaglijk. Sex is misschien een voorwaarde om geestelijk gezond te blijven, daar kun je zelf nog een oplossing voor zoeken als je geen partner kunt vinden, je hebt niet voor niets vijf vingers aan elke hand, de hand jive, van trekkensstein, of je rost een dildo er anaal in, hangt tepelklemmen aan je gevoelige uiteinden, gespt een cokring om, trekt dameslingerie aan, stopt siliconenvullingen in je bustehouder, scheert je hele lijf glad en gaat de baan op, een echte man zoeken, een wakkere spuitgast om het helse vuur in je te blussen, maar niet kunnen schrijven, dat is veel erger dan eenzaamheid of gebrek aan sex. Het is de hel. Sartre heeft ongelijk: de hel is niet de ander, de hel dat ben je zelf, met je kop onder lijn elf” grapt Frank met een morbide gevoel voor humor. Een oplossing voor zijn niet te benijden positie lijkt voorlopig nog niet voorhan den.

“Zelfmoord is de ultieme surrealistiese daad”, filosofeert hij. “Ik ken een Cubaanse surrea listiese schilder die op de boot stapte in Miami om naar Europa te gaan om het werk van Sal vador Dali te bestuderen, zijn grote voorbeeld, daar was hij helemaal gek van, dat moest op een catastrophe uit lopen. Hij is nooit ter plaatse aangekomen. Hij was tot de ultieme slot con clusie gekomen dat hij helemaal geen talent had. Over boord gesprongen. Voor de zekerheid midden op de oceaan en middden in de nacht. Terug zwemmen was onmogelijk. Naar de haaien, letterlijk…deden maar meer beeldende kunstenaars dat, daar zijn er sowieso veel te veel van. Die mogelijkheid om overboord te springen heb ik ook overwogen, maar ik kan zwemmen. En waar moet ik overboord springen? Over de reling van de IJ pont? Een cruise kan ik echt niet betalen.  Nee, ik moet het dichter bij huis zoeken. Zoals Francois Haver schmidt jezelf wurgen met het koord van de overgordijnen is toch ook niks. Ik heb wel alles in huis voor het geval dat, als de nood aan de man komt …om heel zeker te zijn als ik helemaal niet meer kan schrijven, dan gooi ik een paar handen vol paarse, roze en lichtgroene tabletten mijn strot in en spoel die weg met een paar liter cognac en wiskey. Nee, niet on the rocks. Je moet het jezelf niet te gemakkelijk maken. Op genieten staat de doodstraf in mijn optiek. Puur. Zoals ik ook ben. Als ik niet meer kan schrijven, ja, dan… Nu niet, nooit meer, dan heeft het leven geen enkele zin meer, dan heeft niets meer zin. Als ik dat eenmaal zeker weet, dan neem ik wraak op het leven, gaat de deur op slot en het licht voor goed uit. Vrien den heb ik niet, dus ik hoef niemand te waarschuwen, dat maakt het allemaal gemakkelijker. Ik blaas mijn eigen lampje uit. Ik heb zo de veilige zekerheid dat ik zonder een centje pijn aan mijn einde kom. In alle eenzaamheid. Ik val niemand lastig met de oplossing van mijn sores. Een luxepositie. De deur gaat de volgende keer wel op het nachtslot. Mijn leven ook. Ik geloof nergens in. Ik bel vantevoren het duurste nul zes nummer uit de krant, dat is geloof ik “Knechtjesspijn en Meesteressegenot” en leg de hoorn er naast. De kosten kunnen dan flink oplopen. Voor de nabestaanden, laten die maar fijn gaan dokken. Niemand zal van mijn dood beter worden, zelfs niet het Leger Des Heils of een nul zes lijn. En ik doe het natuurlijk voor de elfde van de maand, dat scheelt me weer een maand huur extra. De gaskraan zet ik eerst even wijd open en ik steek een gewijde kaars aan in de huiskamer. Succes verzekerd. Vuurwerk. Met een beetje geluk vliegt het hele flatblok de lucht in. Dan kom ik toch nog in de krant. Als ik ga, dan gaan de buren met me mee. Ik ben een literaire terrorist. Zo ga ik de geschiedenis in. Als een literaire van Speyk!

Ik heb nu negen maanden lang alleen maar suf gelul op papier kunnen krijgen. Absolute bull shit. Onzin. Mijn uitgever dreigde met een proces als ik mijn manuscript niet voor de contrac tueel afgesproken datum inlever. Ook dat nog. De zoveelste door anderen opgeworpen blok kade. Ik dacht; ik doe het net als Jack Kerouac, ik draai een honderd meter lange rol telegram papier in mijn schrijfmachine dan moet het lukken en drink vantevoren een liter wiskey, dan wellen de zinnen vanzelf op uit het onderbewuste, dan ram ik de metaforen uit mijn toetsen bord. Wat Jack kon, moet ik toch ook kunnen. We zijn inmiddels bijna zestig jaar verder, dus die methode moet eenvoudigweg nog goed werken. Er welde echter helemaal niets op. Ik ken een oude douanier in Roosendaal, meneer Eduard Rousseau, die in zijn vrije tijd schilderde, die had nog oude rollen telegraafpapier op zolder had liggen. Een sympatieke man met Franse en Ierse voorouders. Ik kon ‘t voor niks krijgen. Ik heb nu genoeg papier om wel honderd vuistdikke romans te schrijven, maar ik kom niet verder dan de eerste zin. Ik ben opgedroogd, leeg geknepen als een citroen, dat komt allemaal door de wijven. Er is geen enkel alternatief voor schrijven. Eigenlijk is schrij ven veel beter dan zo maar naamloos dood gaan, maar wat moet je als je niet verder kunt gaan. Je schiet er allemaal niets mee op. Zelfs Marcus Heeresma, het schrijvend ondier, die zich dood dronk was al snel vergeten en over Faber Heer esma die tegen een bus op Ibiza reed hebben we ook nooit meer iets gehoord. Het garandeert niets. Ik heb een revolver. Gekocht op een brocantemarkt, ergens in de Nievre. Voor vijftig eu ro. Ik heb een doos met patronen via horeca eigenaar Serge M. geregeld. Dat voelt goed als ik die revolver in mijn hand heb en d e loop tegen mijn slaap druk. De dood in je hand. Tien cen timeter verschil tussen leven en dood. De trekker als sleutel op de deur van  de eeuwigheid. Toch is zelfmoord een daad van belang en moed. Anderen kunnen na afloop de rotsooi op ruimen en voor de kosten opdraaien”, zegt hij calculerend, daar heeft hij wel plezier in. Hij zegt op die manier van de posthume werkverschaffing te zijn.

Hij pauzeert even en steekt met een bestudeerd gebaar een Lucky Strike op. Hij rookt meestal Golden Fiction of het boven genoemde merk, dat zou geluk brengen. Nee, Caballero of Winner sjek is goed voor ex-Leidsepleinmeisjes zoals Catharina S., van dat soort meisjes die alles neuken wat los en vast zit heeft hij na zijn zoveelste gonorrhoe van de blonde Yvonne al lang zijn bekomst van. Hij vreest dat hij de ziekte –het loon van de zonde- ook heeft door ge geven aan zijn Nijmeegse vriendin Marijke, die voor fysiotherapeute studeerde. Zijn huisarts Peter Lens die in Haarlem op een flat aan de Engelandlaan woonde heeft hem gewaarschuwd; nog één keer en je bent resistent tegen alle antibiotica die op de markt zijn, dan laat je maar je lul er af halen of zoek je  een andere dokter en blijf je stinkende etter lekken tot je een ons weegt, zoals die schilder Breitner. Zo kun je ook beroemd worden. Eigen roem moet stinken. Net als Syb van de pop groep De Kast die had in Friesland de bijnaam Syb Soa. De gonorrhoe variant Vietnam Rose was in Nederland al sinds de midsixties aan het terrein winnen via deser teurs uit het Amerikaanse leger en daar was geen kruid tegen gewassen. Je lul er af laten ha len! Daar ziet Frank ook weinig heil in na zijn laatste druiper toen in een kunstenaarscafé in Haarlem tot groot vermaak van de overige kroegtijgers een geile bulldog letterlijk aan zijn gulp bleef hangen en met zijn begerige snuit een grote, natte plek achter liet in het kruis van de net bij C & A aan geschafte camel kleurige zomerpantalon van de schrijver. Frank maakte snel dat hij weg kwam. Zonder af te rekenen, dat was al weer een meevaller. Het gelach van de overige stamgasten herinnert hij zich maar al te goed. De donkere Yacintha en Monique die aan zijn tafel zaten liet hij verweesd achter om ze pas jaren later weer te zien.

“Zelfmoord. Ik heb het die ene keer geprobeerd, maar niet goed aangepakt. Het zit in de fami lie. Mijn vader ging in 1949 na zijn tweede scheiding aan het gas, maar ook dat mislukte zoals alles in zijn leven mis liep. Er was toen nog geen aardgas. Je hield er hooguit hoofdpijn aan over. Ik stond er bij en ik keek er naar. Hij werd zwaar kreunend en steunend afgevoerd onder het spanlaken, hij kon geen vin verroeren, dat vond hij als masochist nog lekker ook, daarna verbleef hij lang in de isoleercel in een dwangbuis, draaide totaal door, probeerde zijn kop tegen de muur stuk te slaan en bracht een jaar door in het gekkenhuis op de gesloten afdeling van paviljoen 3 waar de zwaarste gevallen zaten opgesloten. Alleen kwam hij er nog gekker uit dan hij er in was gegaan. Zijn leven lang was hij verslaafd aan Librium en Valium dat hij in combinatie met liters alcohol gebruikte, dan zoop hij een liter jenever op in combinatie met een handvol Libriumpjes en ging dan als een gek racen van Amsterdam naar Zandvoort langs de oude weg waar allemaal zijstraten op uit kwamen die voorrang hadden, maar daar trok hij zich niets van aan, met tweehonderdertig kilometer per uur spoot hij over de weg, dat schoot wel lekker op. Ik zat er naast en had al lang dood kunnen zijn. Misschien was dat ook maar het beste geweest. Mijn vader had van die grote, ouderwetse stopflessen waar vroeger zuurtjes in zaten, die waren gevuld met anti depressiva en slaapmiddelen. Een kennis van hem die medicijnen studeerde vervalste recepten voor hem. Als hij er flink bij zoop werd hij helemaal gek.

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.