Gegevens:

Categorie:
Autobiografisch
Geplaatst:
2 februari 2011, om 14:47 uur
Bekeken:
680 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
147 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Mijn leven als geniaal kunstenaar (Deel 2)"


 

Mijn leven als geniaal kunstenaar (Deel 2)

 

Een hagiografie 

 

Mijn ‘vader’ was vanwege zijn echtelijke ruzies die geregeld uit de hand liepen berucht op het poli tieburo bij het Rembrandtsplein, daar kwam hij dan klagen over zijn echtgenote. Als ik het wel heb was dat politieburo in Amsterdam gevestigd op de hoek van de Reguliersdwars straat/Halve Maan steeg waar ook een broodjeszaak was, daar kwam ik al regelmatig toen ik tien, elf jaar oud was, als mijn grootouders dachten dan dat ik naar de zondags school in de Moreelsestraat, Amsterdam zuid was zat ik achter een groot glas koele Cola. Gedurende de zes maanden in 1949 bij mijn ‘vader’ en zijn tweede echtge note ging ik niet naar school, maar zwierf langs de grachten, in de Oude Huisman poort, door de havens, over de kermis, speelde met andere ontwrichte zwerf kinderen op vrachtschepen met ladingen hout, in de binnentuin van de Amsterdamse Universiteit, ging vissen met mijn vriendjes in de gracht van de Oude Zijds Voorburgwal waar nu Galerie Mokum is gevestigd (Dieuwke Bakker kon het pand kopen voor f 135.000, dankzij een tip van mij die ik uit de Amsterdamse antiquaren wereld kreeg in 1970), bedelde geregeld om blanco schrijfmachine papier bij kantoren op de Heren- en Keizersgracht om op te tekenen, in de na oorlogse dagen was papier een schaars artikel en zat ‘s woensdagsmiddags en zater dag in de kinderbibliotheek aan de Amstel. Ik kon al vroeg heel goed lezen en las alles wat los en vast zat. Het normale leven kwam in de hoofdstad langzaam op gang dankzij de Marshall hulp. Communistiese weerstandsgroepen reden door de stad met machine geweren in de kofferbak. Het communistiese blad De Waarheid was een paar jaar lang de grootste krant en riep op tot een volksopstand tegen de regering en het koningshuis.

We kwamen na dat half jaar schrikbewind bij mijn vader en zijn tweede, nationaal socialistiese vrouw (een vriendin van de zwarte weduwe Florrie Rost van Tonningen), weer terug in huis bij de grootouders, die ons slecht behandelden. Mijn grootmoeder nam via een huiselijk schrikbewind wraak op haar kleinkinderen voor wat haar zoon en zijn eerste echtgenote haar al of niet hadden aangedaan, dat zei ze ook ronduit.

Vooral mijn zusje was het mikpunt van de haat van de grootouders en die tante, die de hele dag de tijd hadden om anderen te terroriseren. Het was me wel een familie. Een oom van mij wilde mij toen ik negen jaar was tijdens een boot tocht ergen bij Aalsmeer verdrinken omdat hij impotent was en geen kinderen kon krijgen, dat zei hij vantevoren in een dronken bui, dus dat boottochtje ging niet door.

Mijn homosexuele broer heeft later diverse pogingen tot zelfmoord gedaan en werd uiteindelijk op vijfendertigjarige leeftijd in het homocircuit vermoord te Haarlem door een potenrammer met een honkbalknuppel. Zo kreeg hij toch nog zijn zin. Mijn zuster is vanaf haar acht tiende onder voortdurende psychiatriese behandeling en ondanks haar M.O. akte peda gogie arbeidsongeschikt al tientallen jaren in de WAO.

Ik was gedwongen een kweekschool voor onderwijzers te volgen in plaats van naar een academie voor beeldende kunsten te mogen. Mijn opvoeders beloofden mij dat ik na die kweekschool, waar ik elke dag van gehaat heb, naar de akademie te mogen. Zoals U begrijpt kwamen zij die belofte niet na. Toen ik na die opleiding mei 1966 aankondigde full time te willen schilderen werd ik zonder geld of verdere eigendommen, andere kleding dan ik die ik toe vallig die dag droeg van de ene op de an dere dag het huis uit gezet zonder een cent. Een Amsterdamse advocaat (de bekende Mr. Moes) heeft nog wat boeken en kleding die achter waren gebleven los kunnen praten. Ik heb toen niet alles gekregen wat van mij was. Ik ben bij na verhongerd voor de kunst in 1967, 1968. Niemand heeft mij ooit willen helpen in die tijd tussen sept. 1965 en mei 1968. Dat heeft mijn visie op de mensheid wel getekend. Ik trap daarom ook niet in al die hypokriete gereformeerde fijngristelijke smoesjes van E.O. aanhangers c.s. De meeste tegenwerking in mijn loopbaan als beeldend kunste naar heb ik juist van die mensen ondervonden die te pas en te onpas de prachtigste Bijbelteksten hanteerden (zoals de familie D. en die fijne gereformeerde meneer L.H., ex-bankbediende te Hilver sum of de nog fijnere drs. H.v. S.) en overliepen van het verkondigen van de onvoorwaardelijke liefde van de Heere Jezus, alleen gold die dan net toevallig voor hun eigen soort en niet voor mij. Ze namen het mij kwalijk dat mijn ouders gescheiden waren en kwamen dan met een galmende stem aandragen met een Bijbeltekst ; de zonde der vaad’ ren zal bezocht worden aan de kinderen, dat kon ik dan in mijn zak steken. Mijn orthodox rooms katholieke moeder, die ik sinds mijn tweede levensjaar nooit meer heb gezien of iets van gehoord stuurde een jaar of twee geleden (2002) een onbegrijpelijke brief vervuld van haat tegen mij naar mijn adres. Ik wil er verder niet te veel over uitweiden, maar kan zo nog wel even door gaan. Een paar jaar geleden is mijn zuster na een reeks processen eindelijk erkend als vervolgingsslachtoffer Wereldoorlog II (ik heb mij daar persoonlijk nooit op laten voor staan) en kreeg een aardige bonus uitkering boven op haar WAO van Stichting 1940-1945. Ze heeft nu drie uitkeringen en kan er goed van leven. Ik kwam daar niet voor in aanmerking omdat ik veel te normaal was, naar men mij mededeelde na een uitvoerig psychome dies onderzoek.. Het is de enige keer dat ik voor normaal ben versleten.

Tussen 1978 en 2002 is mijn beelden de werk door de Friesche Pers en de Fryske Kultuerried altijd geboycot. Ik kon bijvoorbeeld in Friesland van de kunstenaarsvereniging Fria geen lid worden, een club die ik nota bene zelf heb opgericht in 1985. Te gek voor woorden. Jaren lang ben ik niet erkend als beeldend kunstenaar door de Friese Kultuurkamer o.l.v. drs. H. Mous. Het heeft allemaal bijge dragen aan de juiste beslissing uit Friesland weg te gaan. Vrienden heb ik er nooit gehad onder die Friezen. Mijn overgrootvader is trouwens geboren in Kollum, dus ik heb wel Friese roots, maar als je zoals ik uit Amsterdam kwam dan werd je op alle manieren gedwarsboomd door de Friese overheid, vooral als je geen pvda lid was of modieus linkse praatjes uit sloeg.

In Frankrijk word ik gewaardeerd als kunstenaar en ben sinds kort zelfs lid geworden van niet al leen Peinture Fraiche, maar ook van het internationale prestigueuze genootschap Le Groupe te Ne vers. Een directe opstap naar Parijs. In Frankrijk ben ik bijna volmaakt geluk kig. Alleen met grote weerzin bezoek ik tegen mijn zin een, twee maal per jaar Nederland om onze dochters en kleinkind te zien. Zo kort mogelijk. Er is niets en niemand in Fries land waar ik naar terug verlang. Na sept. 2005 ben ik van plan helemaal niet meer naar Nederland te komen, als dat dan nog bestaat.

 

U bent geboren te Renkum maar al voor Uw tweede jaar woonde U in Amsterdam in de chique Concertgebouw buurt ?

 

Van 1944-1957 en 1967-1978 heb ik in Amsterdam gewoond dus ik kan mij met recht Amsterdammer noemen. Dat nemen sommige Haarlemse kennissen, ex-klasgenoten of provinciale collegas mij ernstig kwalijk, maar daar is niets aan te doen. Ik heb helemaal niets met Haarlem. Ik associeer die stad met clowns als Godfried Bomans, Harry Mulisch en die nu al lang weer in lompen geklede totaal vergeten etser Heyboer met zijn vijf in jutezakken gehulde ongewassen kaal geschoren ongewas sen vrouwen. De enige beeldend kunstenaar die ik in de zestiger jaren wel goed vond in die stad was Hannes Postma. Van 1957-1967 heb ik in Heemstede gewoond en volgde in Bloemendaal de kweekschool voor onder wijzers waar ik innig bevriend was met mijn gereformeer de klasgenote Els D. die in Amsterdam woonde en elke dag met de trein van de hoofdstad naar Bloemendaal kwam. Het was op die nogal provinciale kweekschool heel bijzonder om een Amsterdamse vriendin te heb ben, dat namen de andere vrouwelijke klasgenoten mij hoogst kwalijk, maar ja, dat waren van die onooglijke duinkonijn en die aan mixomatose leken te lijden met hun voort durend ontstoken, rooie etterende ogen, bloemkooloren, zwem permanent en snottebellen ter grootte van kruis bessen aan hun rode, schilferige winterneuzen uit Bever wijk, Santpoort en Velzen, meiden met dikke fietskuiten, Schots geruite plooirokken, Basedowse uitpuil ogen en gebreide kniekousen met omgeslagen boor den, daar zag ik niets in. Tiepe Jo met de banjo en Mien met de mandolien. Sommigen zijn later na het doorlopen van ellenlange trajecten via een christelijk huwe lijksburo toch nog aan de een of andere zoveelsterangs kneus blijven hangen als huwelijkspartner.

De enige ex-klasgenote die er nog goed uit ziet en een eigen verhaal heeft is Meta Griffioen, die ik voor het laatst in 1996 tegen kwam tijdens een reunie en nog wel eens terug zou willen zien, maar de rest…huilen met de lamp op. Een en al treurnis ! Alles wat goed was op beeldend gebied in Haarlem (zoals film er Hans en Marlou Klap) e.o. vertrok net als ik zo snel mogelijk naar Amsterdam. Het drabbige residu bleef hangen. Tekenleraren in spijkerpakken met kettingen om en leren polsbanden die voor de klas de kunste naar speelde en onder kunstenaars de pedagoog uithingen. Daar heb ik schijt aan. Ik ben niet zo gevoelig voor aanstellerij.

 

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.